Music
Dodelijk Domme Muziek

Goga, nakomelingssterretje van de turbofolk, treedt in een nachtclub op voor de criminele elite van Belgrado. Foto door Ana Kraš.
Weet je nog hoe in de vroege jaren negentig normale mensen opeens naar country gingen luisteren? In Joegoslavië eindigde die hype niet zo mooi. In plaats van rustig weg te ebben en plaats te maken voor rap of La Bouche werd hun land verscheurd door ‘de stem van het volk’. Dat leidde tot onpeilbaar muzikaal geweld dat je oogballen permanent kan traumatiseren als je een keer om drie uur ‘s nachts besluit om ze te zoeken op YouTube.
Na de bevrijding van Joegoslavië aan het einde van de Tweede Wereldoorlog begon Tito met een beleid van overhaaste modernsering. Dat doen communisten wel vaker, maar het was ook deels pure noodzaak. De Balkan is al sinds de Romeinse tijd de achtergebleven dode hoek van West-Europa. Het land bevat delen die zelfs halverwege de twintigste eeuw nog nooit gehoord hadden van maandverband. Maar een andere reden achter de modernisering was dat er een sterk gevoel van nationale trots gekweekt moest worden om aan de buitenwereld te kunnen laten zien dat de socialistische Joegoslaviërs niet zomaar een stel boerenpummels waren met onuitspreekbare namen (en benen waar menstruatiebloed langs sijpelde).
Met dit doel in gedachten besloot het centrale comité van Joegoslavië om de millennia oude Balkantraditie van folkmuziek te zuiveren van alle verwijzingen naar alcoholgebruik, neuken in de bosjes en specifieke etnische kenmerken. Ze presenteerden het smakeloze resultaat onder de al even smakeloze naam ‘nieuw gecomponeerde folkmuziek’. Vooral de geforceerde etnische neutraliteit was belangrijk voor Tito, aangezien de deellanden van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië de historische neiging hadden om elkaar uit te moorden op afgrijselijke en ambitieuze wijze. Denk bijvoorbeeld aan het feit dat ze net uit een oorlog kwamen waar het Kroatische Ustaše-regime zulke misselijkmakende wandaden had begaan tegen de Serven dat de nazi’s ze vertelden dat ze even moesten dimmen. Niemand wilde een of ander drankliedje horen die omwille van een dansje al die wonden weer open zou rijten.
Tito stierf in 1980 en de scheuren in zijn beschaafde multi-etnische Joegoslavië begonnen zich toen al snel te vertonen. In 1983 versloeg een in Bosnië geboren zangeres genaamd Lepa Brena de door de staat gesteunde muziekgroepen in de strijd om de nationale inzending voor het Eurovisie Songfestival. Haar inzending was een folkliedje over neuken in de bosjes met een of andere jongen en het maakte haar in een klap de grootste ster van Joegoslavië.
Brena’s populariteit explodeerde in de wegrestaurants en kafana’s langs de grote snelwegen van Servië (een kafana is een soort bar, maar dan grimmiger). Daar had de oude folkmuziek vol seksuele referenties een hoop fans gekregen, ondanks alle ontmoedigende pogingen van de staat. Brena’s muziek schetste een onguur beeld van de achterlijke plattelandsmentaliteit in de SFRJ; een beeld dat recht tegen de partijpropaganda inging. Ambtenaren die probeerden om de Olympische Winterspelen van ‘84 voor hun land binnen te slepen haalden hun neus snuivend op voor onflatteuze deuntjes als ‘Evo Moga Delije’ (‘Hier Is Mijn Held’). In de video daarvan is Brena’s man te bewonderen als een Joegoslavische Sjonnie met een bierbuik die haar kookkunsten afsnauwt om vervolgens in coma te vallen terwijl hij een fles brandy in z’n armen wiegt. Haar volgende hit ‘Nema leka apoteka’ (‘Apotheek Zonder Genezing’) suggereert dat de Joegoslavische tandartsenbusiness wordt gerund door incompetente klungels, en als een patiënt verdoofd moet worden dan krijgt hij geen prik, maar laat de mondhygiëniste even haar blote tieten zien. Dit raakte precies de juiste snaar bij het Balkanese volk.
Binnen een jaar gaf Brena optredens in goed gevulde stadions en werd de kafanascene langs de M22 overspoeld met imitators. Omdat ze nog steeds niet gedraaid werden op radio en tv (die beiden werden gecontroleerd door de staat), zochten de meeste opkomende popfolkzangers steun bij hun enige fans met geld: de Servische maffia.
Het bleek bijzonder handig te zijn om in de late jaren tachtig een Servische gangster als manager te hebben. In 1988 bedreigden massaprotesten in Oost-Joegoslavië de toch al niet zo populaire socialistische staat, wat ertoe leidde dat Slobodan Milošević een einde maakte aan het taboe op nationaliteit, waar de partij zich zo krampachtig aan vasthield. Hij wierp zichzelf publiekelijk op als de strijder voor Servische rechten en ontstak daarmee een lang opgekropte uitbarsting van etnische trots door de gehele SFRJ. Binnen de kortste keren haatte iedereen elkaar weer net zo erg als vroeger. Middenin deze rotzooi bracht Brena twee patriottistische platen uit waarmee ze de schuimbekkende massa’s volledig in haar ban had: ‘Živela Jugoslavija’ (‘Lang Leve Joegoslavië’) en ‘Jugoslovenka’ (‘Joegoslavisch Meisje’). In de video van dat laatste nummer worden reisbureau-achtige beelden van prachtige ommuurde steden en kastelen langs de Kroatische kust versneden met beelden van opgehitste jongeren die door Belgrado marcheren met de Joegoslavische federale vlag. Die vlag wapperde twee jaar later op de ruggen van Servische tanks die diezelfde monumenten aan puin kwamen schieten.




Comments