Ik dronk een melancholisch speciaalbier met de frontman van Allah-Las

By Abraham Meeuwsen

 

 
Het is twee uur in de nacht, een dikke vier uur nadat de leden van Allah-Las voor de laatste keer het publiek hebben bedankt, in rap tempo het podium ontruimden en het vervolgens op een zuipen zetten. Aan een Nijmeegse bar tref ik precies datgene aan wat je verwacht van een frontman die de bakkebaarden en de stem van Bob Dylan heeft geërfd. Zelden heb ik iemand zo droef uit zijn ogen zien kijken: de hand onder zijn hoofd bezwijkt praktisch onder de zwaarte van zijn gelaat. Ik neem plaats op de kruk naast hem en bestel voor het gemak ook maar eenzelfde speciaalbier als hij.
 
Ik vraag Miles Michaud of hij niet al dodelijk vermoeid is geraakt van zijn nog prille muzikantenleven. Hij antwoordt dat het nog steeds maar nauwelijks tot hem is doorgedrongen wat er zich op dit moment allemaal in zijn leven afspeelt. Hij wijst me erop dat hij niet voor niets als een doorgewinterde drankgebruiker het ene na het andere glas achterover slaat. “To manage the experience, you know,” fluistert hij me toe, om me vervolgens meteen te vragen wat ik van het laatste nummer uit de set vond. Heel even moet ik wennen aan het niveau waarop ons gesprek zich bevindt—niet eerder heb ik iemand ontmoet die zich vanaf het begin zo kwetsbaar opstelt—om hem dan maar te zeggen dat ik erg onder de indruk ben van de vier nieuwe nummers die ze vanavond speelden. Hij vertelt me dat de nummers tijdens deze tournee zijn ontstaan en dat het waarschijnlijk een nieuwe EP gaat opleveren. Wanneer ik hem feliciteer met dit nieuws en zeg dat ik uitkijk naar het resultaat, valt het me ineens op dat we gedurende het hele gesprek nog geen moment oogcontact hebben gemaakt, alsof we het voortdurend tegen onszelf hebben gehad. En dat is misschien niet eens geheel onwaar.
 
 
Even twijfel ik of het misschien nodig is om vanuit mijn persoonlijke interesse nog te vragen naar wat de beste man inspireert. En wat er door hem heen gaat wanneer er honderden mensen applaudiseren voor een nummer waarvan hij wellicht nooit had gedacht dat ook maar iemand het zou horen. Maar ik doe het allemaal niet. Niet omdat het gesprek met Miles me ook maar op enig moment verveelt, maar meer om een reden die zich maar moeilijk in woorden laat vangen.
 
Het voelt alsof Miles stilstaat, terwijl de wereld om hem heen constant in beweging is, en iedereen doet geloven dat juist hij degene is die de beweging veroorzaakt. Maar iedereen die zich langer dan drie seconden in zijn buurt ophoudt en de moeite zou nemen om niet in de rol van fan te schieten, zal onmiddellijk het tegendeel beweren. Miles wil door verlaten parken struinen, op de veranda van zijn huis in Los Angeles op zijn gitaar tokkelen en scherpzinnige teksten schrijven over zijn stukgelopen romances. Miles wil niet—onder geen beding—in een Nijmeegse kroeg speciaalbier drinken en uiteindelijk alsnog door de met sneeuw bedekte straten alleen naar huis gaan, ook al zal hij het nooit expliciet toegeven. Maar ironisch genoeg kun je in dit soort gevallen altijd het best eindigen met (en zelf je conclusies trekken uit) de woorden die de persoon in kwestie zelf al meermaals heeft gebruikt: “Here I am in silence / Looking round without a clue.”
 
Wanneer ik weg wil lopen vraagt hij me hoe ik heet; we schudden elkaar de hand en ik zeg hem mijn naam. Ik beweeg me in de richting van de rookruimte als ik plots een hand op mijn schouder voel: “...it was really, really nice meeting you,” en ik knik. Zijn rechteroog traant. Even later bedenk ik me, terwijl ik mijn sigaret aansteek, dat het leek alsof hij al enige tijd op dezelfde zij in een eenpersoonsbed gelegen moet hebben, denkend aan zon, zee en het leven.
 

Comments