De Deserteur

By J. Malcolm Garcia

Hij stapt door de versplinterde voordeur van een appartementencomplex naar buiten, leunt met één schouder tegen de zwartgeblakerde muur. Twintig jaar oud. Smeren van stoppels op z’n ingevallen wangen, scherpe kin. Een trui die te groot is voor z’n smalle borst. Spijkerbroek, sneakers. Bruin haar dat wild omhoog staat. Lege ogen die niet knipperen.

Hij tuurt naar de grijze lucht, laat z’n hoofd naar beneden zakken. Achter hem, een paar straten verder, klinken schoten. Regeringssoldaat. Hij herkent het scherpe gekraak van het sluipschuttersgeweer, dat anders klinkt dan de brul van de Kalasjnikov die hij bij zich draagt.
 
De frontlinie tussen Syrische rebellenlegers en regeringstroepen snijdt dwars door deze buurt in het noorden van Aleppo, verdeelt de straten en steegjes in een verwrongen doolhof van betwiste grond die van de ene naar de andere kant verschuift. Gespleten gebouwen. Verlaten huizen. Lege straten. Vuilnis, puin, aan flarden gescheurde kleren, kinderspeelgoed. Hij luistert weer naar het sluipschuttersvuur. Hij hoort het zonder het echt te horen. Zoals de wind. Zoals het geknisper van brandend afval. Zoals de stemmen van de rebellen die langs hem lopen. Het geluid is wel en niet anders dan elk ander geluid. Het is onderdeel geworden van een gewoonte van geluid, deel van een geheel dat gedomineerd wordt door een overweldigende stilte, die van geluid gefluister maakt en zelfs geweerschoten opslokt in een bodemloze leegte.
 
Hij is nergens bang voor.
 
Hij tikt met een sigaret tegen de palm van z’n hand. Hij is minder dan een uur wakker. Zijn matras op een woonkamerkleed, naar beneden getrokken van een slaapkamer op de tweede verdieping. Hij sliep naast een entertainmentset. Een tv, dvd-speler. Een paar discs. Het slechte postuur van ingezakte gordijnen, hangend aan verbogen roedes. Ingelijste schilderijen van mannen op paarden aan de muur. Geen stroom. Hij werd wakker en staarde naar een kandelaar boven hem; zijn adem was een dunne stroom, die langzaam opsteeg in de koude winterlucht.
 
Buiten verplaatst hij z’n gewicht. Gebroken glas knarst onder z’n voet. Sigarettenrook kronkelt langs z’n neus naar boven en hij knijpt z’n ogen tot spleetjes. Hij kijkt naar beneden, z’n armen bungelend langs z’n zij. Vieze vingers gebald in halve vuisten. Hij was scheikundeleraar voor de revolutie. Toen werd hij opgeroepen voor de twee jaar militaire dienst die voor alle Syrische mannen verplicht is. Hij zag dat het leger weinig materieel had en nog minder technologie. Alle vliegtuigen kwamen uit de jaren zestig. Het kon hem niet schelen, niet echt. Hij zag zichzelf niet als een soldaat.

Toen de revolutie begon, kreeg hij te horen dat hij nog een extra jaar in het leger moest blijven. Hij verdiende 80 dollar per maand. Hij gaf z’n salaris aan z’n bevelvoerende officier om de man mild te stemmen. Hij serveerde de officier ook koffie en thee, tot hij benoemd werd tot schietinstructeur bij een legerschool op het platteland van Damascus. Sommige instructeurs vertelden hem dat ze het bevel hadden gekregen op demonstranten te schieten. Als we niet schieten, zullen we beschoten worden. Ze schoten in de lucht en hoopten dat hun officiers het niet zouden merken. Andere instructeurs gaven toe demonstranten gedood te hebben. Ze huilden en wilden verder niet praten over wat ze hadden gedaan.
 
Zes maanden geleden, toen de scheikundeleraar zelf naar een demonstratie werd gestuurd, deserteerde hij. Het was niet moeilijk. Z’n officier vertrouwde hem. Hij vroeg verlof aan om z’n familie te bezoeken en keerde niet meer terug. Hij reisde naar Aleppo. De rebellen zaten daar midden in een heftige aanvalsbeweging. Hij had z’n eigen geweer. Hij werd gestationeerd op één van de meer dan twaalf frontlinies in de stad.
 
Hij vocht voor het eerst in augustus, toen hij en honderd andere rebellen een legerbasis buiten Aleppo aanvielen. Z’n hart bonkte. Hij had altijd alleen maar op schietschijven geschoten, niet op mensen. De regeringstroepen vuurden raketten af en de rebellenaanval mislukte. De rebellen trokken zich terug, hergroepeerden zich en vielen de volgende dag en vele dagen daarna weer aan. Nu, zegt hij, is de basis bevrijd. Hij is nergens bang voor.
 
Als hij tijdens een militaire operatie tegen de regeringstroepen een officier tegenkwam die hij in het leger had gekend en die hij beschouwde als een goede man, dan doodde hij hem niet. In plaats daarvan schoot hij hem in het been. Maar als de officier een slechte man was geweest, schoot hij hem in het hoofd. Hij deed dit graag.
 
De rebellen namen een keer een officier gevangen, een man die de scheikundeleraar ooit had beschouwd als vriend. Hij was verdrietig toen hij hem zag. Maar het is een revolutie en er is geen plaats voor emoties. Als hij alleen is denkt hij na over wat hij heeft gezien. Dode vrienden. Dode baby’s. Een maand geleden kreeg hij een auto-ongeluk. Hij zat met twee andere deserteurs in de auto toen een vliegtuig de weg onder vuur nam. De auto rolde om en één van de deserteurs brak z’n nek en stierf.
 
Hij heeft nog een vriend verloren. Ze aten en sliepen samen. Zijn vriend zat naast hem toen een scherpschutterskogel hem doodde. Twee dagen lang kon de scheikundeleraar niet eten, slapen. Hij kende de familie van zijn vriend niet. Wist alleen dat hij een goede man was.
 
Het moment dat de rebellen overwinnen, zal hij zijn vrienden en alle dode martelaars herdenken. Als hij het overleeft. Hij wil sterven voor de islam, voor zijn land. Hij denkt aan z’n tijd als scheikundeleraar zoals hij af en toe denkt aan een oom die stierf toen hij klein was en wiens gezicht hij zich alleen herinnert op een vaag soort van verlangende manier. Hij wil in het paradijs zijn met zijn god. Sterven. Dag na dag. Het is normaal. Hij stelt zich z’n eigen dood voor en hoe hij herinnerd zal worden. Hij is nergens bang voor. 
 
Foto door Reynaldo Leal

Comments