DE RETORISCHE OPVOEDTACTIEKJES VAN MIJN MOEDER

retorische-opvoedtactieken

Voor zover ik me kan herinneren heeft m’n moeder me nooit zonder eten naar bed gestuurd, geslagen, zeep laten eten, of in het kolenhok gestopt. Toch is het haar met woorden en boos kijken redelijk gelukt om me onder de duim te houden, waardoor ik uiteindelijk niet naar het ZMOK-schooltje met de puntige hekken hoefde.

Wel droomde ik er kleuter vaak van mijn moeder verbaal de baas te kunnen zijn. Dat lukte pas in m’n pubertijd, maar toen vond ik dingen als ‘praten met je ouders’ inmiddels een overgewaardeerd begrip. Nu ik 23 ben heb ik geen enkele reden meer om mijn moeder verbaal de baas te wìllen zijn, dus ook deze kleuterdroom is uiteindelijk uiteen gespat. Die gedachte stemt me eigenlijk best wel droevig, dus als pleistertje op mijn wonden zijn hier wat analyses van een paar standaardopmerkingen die me tot halverwege mijn pubertijd mak als een lammetje hebben gehouden.

“Mam, weet je waar m´n schoenen zijn?”
“OP ZE PLEK!”

Dit was in feite een pleidooi voor het conditioneren van mezelf om dingen een vaste plaats in het huis te geven. Met ‘OP ZE PLEK’ zei mijn moeder eigenlijk: “Ik weet waar het ligt, en als jij een beetje minder onverschillig zou zijn geweest over het opruimen van dingen op plekken waar ze horen had jij het ook geweten. Je ziet, nu heb je jezelf ermee. Je kunt nu verder zoeken, of je meerdere erkennen in mij en mijn opvattingen door te smeken of ik het wil vertellen.”

“Mam, mag ik nog een pepermuntje?”
“Nog één en dan stoppen we.”

Dit is een veelgebruikte tactiek binnen de saleswereld. Door een kleine tegemoetkoming, in dit geval in de vorm van ‘nog één’, is het afwijzen van de deal voor mij nagenoeg onmogelijk. Meer dan ‘nog één’ eisen zou te ver gaan en zelfs riskant zijn, daar ik al een zwakke onderhandelingspositie heb. Dit gezien het feit dat ik de enige actor in de deal ben die profijt uit de situatie kan halen.

“Mam, ik wil niet naar de tandarts!”
“Ach man, we zijn over een uurtje al terug.”
“Waarom moet ik zo vroeg al thuis zijn?!”
“Wat zeur je nou, je hebt nog een heel uur!”

Ik constateerde dit doorzichtige staaltje retoriek al op vrij vroege leeftijd, maar het protesterend onder woorden brengen kon ik nog niet echt. Bovendien kwam ik er achter dat volwassenen dit soort zachte woordleugens om de haverklap toepasten. Dat je woorden op z'n manier kon kiezen dat je er een punt mee kon maken. Toen ik met m’n vader een keer kikkervisjes ging vangen vertelde hij thuis aan m’n moeder dat het poeltje dat we hadden ontdekt zwart zag van de kikkervisjes. Terwijl dat helemaal niet zo was, op sommige plekken kon ik duidelijk de bodem nog zien.

retorische-opvoedtactieken21

Tijdens dagjes uit naar een kinderboerderij, het bos of een speeltuin:
-Zo. Ik ga. Wie gaat er mee?
-Moeten er nog mensen plassen?
-Zo. WIE? Wil er een pakje.

Deze hoor ik nog wel eens in de tram, als er een provinciaals gezinnetje achter me zit. Het is volgens mij dan ook een algemeen moederding om pietluttige zaken belachelijk officieel aan te kondigen. Alsof het om een troonrede van de koningin gaat. “Leden van de Staten-Generaal. Wie wil er een pakje?” Ik moest en moet er altijd heel erg om lachen, maar waarom moeders dit precies doen heb ik nooit begrepen. Waarschijnlijk om elke verantwoordelijkheid er volledig mee af te kopen en om later alsnog om pakjes of liga's drammende kinderen geen poot om op te staan te gunnen. Maar ik weet het niet hoor, ik weet het niet.

Op het moment dat ik net trots m'n zojuist vervolmaakte tekening oid wilde laten zien:
“Willen jullie -de DOPPEN- op de TUBES doen?”

Die streepjes heb ik even neergezet ter verduidelijking van de pauze die vooraf object één werd ingelast om het steviger aan te kunnen zetten. Hier is sprake van het overdrijven van feiten, waardoor er onterecht een tendens wordt gesuggereerd. Eén dopje dat naast een open tubetje verf lag leidde steevast tot de  opmerking ‘Willen jullie, de DOPPEN…’ etc. De overdrijving opmerken werkt echter averechts, omdat je, om je punt te maken, onverschillig moet doen over het feit dat het slechts om één dopje gaat. En onverschillig doen over een zonde maakt dingen nog veel erger.
Andere voorbeelden zijn: “Willen jullie -de DEUREN- dichthouden als jullie naar buiten gaan? En de meest voorkomende (elke dag): Willen jullie -jullie BORDEN- naar de keuken brengen? (Uitzonderingen daargelaten had iedereen meestal één bord tot zijn beschikking voor zowel het vlees als de aardappelen en groenten.)

-

Mam, ik heb je helemaal door hoor! Ik kan alle dingen die je altijd tegen me zei compleet beargumenteren. Nouja, bijna alles. Ik snap tot op de dag van vandaag niet waarom je altijd als we in Artis van de zeehonden naar de tapirs liepen tot in de eeuwigheid lachend moest blijven herhalen dat ik zo erg op die tapir leek. Maar misschien kunnen we daar een keer een goed gesprek over hebben. Ik lijk toch niet echt zo erg op een tapir mam?

EWOUT LOWIE
ILLUSTRATIES DOOR CHARLOTTE APERS

Reageer