Een Catch-22 in het vluchtelingenkamp in Osdorp

door Wester van Gaal

 
Per 1 januari 2010 mogen gemeenten geen noodopvang meer bieden aan asielzoekers. De achterliggende gedachte was dat als er geen plek was, de vluchtelingen vanzelf zouden vertrekken. Sindsdien duiken er overal in Nederland geïmproviseerde vluchtelingenkampen op. In Ter Apel, Den Bosch, Den Haag, Zwolle en sinds eind september ook in Amsterdam-Osdorp. Ik had genoeg van dat eindeloze geduid van het asielbeleid in de media en de “Allemaal naar huis, haha!”-comments op internet, en besloot daarom met de vluchtelingen zelf te gaan praten.
 
Vergeleken met de rest van Osdorp ziet het kamp er van een afstandje erg gezellig uit. Het is een klein, ingesloten pleintje; kleurige en beschilderde doeken zijn door de spijlen van de hekken gevlochten. Bij de ingang staan drie ecotoiletten, met ernaast een grote tafel die fungeert als het centrale punt.
 
Rondom de tafel staan zo’n dertig donkere mannen gelaten met elkaar te converseren. Achter de tafel, in een modderig gazon, staat het tentenkamp, met in het midden een enorme berg van zakken met kleding. Het resultaat van twee maanden Hollandse compassie. Niemand schenkt ook maar een beetje aandacht aan me terwijl ik door het kamp loop en foto’s maak. 
 
 
Amsterdams als ik ben, moet ik denken aan Lowlands op maandagochtend. Op het vlondertje voor de grootste bungalow begint een blanke vrouw te schreeuwen. Ze foetert een vluchteling uit. Ik vraag haar wat er aan de hand is. Het blijkt Leila Galadi te zijn, een buurtbewoonster die sinds zeven weken de asielzoekers probeert te helpen. Door haar geschreeuw twijfel ik niet aan haar betrokkenheid, maar na enig doorvragen kom ik er ook niet achter wat ze hier nou precies doet. 
 
 
Deze tent staat vol met bedden waar mensen liggen te slapen. Het is er pikdonker, maar niet onaangenaam. Het grootste probleem is de kou. “Ze slapen vaak overdag omdat het ‘s nachts te koud is,” zegt Galadi, die alweer verwikkeld is in een ander schreeuwgesprek. Het duurt even tot ik gewend ben aan de duisternis, maar na een tijdje merk ik een jongen op. Hij zit doodstil in het hoekje weggekropen, met zijn jas helemaal dichtgeknoopt tot om zijn hoofd. Ik vraag hem hoe hij heet, en na enige aarzeling vertelt hij me in het Engels dat hij Andrew heet. Hij is 27 en komt uit Uganda. “Ik ben de enige hier die uit Uganda komt.”
 
Omdat het lijkt dat hij verder niets wil zeggen omdat er anderen bij zijn, vraag ik of hij eventjes mee naar buiten komt. Met een zachte stem zegt hij: “Niemand hier weet van elkaar waarom ze hier zijn. Niemand praat erover.”
 
Andrew (27) wil liever niet frontaal op de foto, uit angst herkend te worden.
 
Hij vertelt niet graag waarom hij gevlucht is uit Uganda. “Wat heeft het voor zin? Denk je dat er iets verandert als mensen mijn verhaal lezen?” Ik sta met mijn bek vol tanden en moet toegeven dat die kans erg klein is. Maar na enig aandringen vertelt hij me dat hij gevlucht is omdat hij homo is. Homoseksualiteit is bij wet verboden in Uganda, maar Andrew mag Nederland niet in omdat hij zonder paspoort niet kon bewijzen dat hij uit Uganda komt. Hij wisselt al vier maanden van kamp. Sinds vrijdag is hij op de Notweg.
 
Andrew:It is not safe for me. Als je buren weten dat je homo bent geven ze je aan en moet je de gevangenis in. Als je op straat loopt met je vriend word je opgepakt. Zo kon ik niet leven. [na een lange stilte] Je moet begrijpen dat deze situatie voor mij ook nieuw is. Ik heb het nog nooit zo slecht gehad als hier, snap je dat? Ik zit liever niet in de kou. Ik ben liever niet dakloos. In Kampala had ik vrienden, een baan en een huis met eigen land en een koe. Ik heb alles achtergelaten om hier in een kamp te zitten.
 
Neem je het de Nederlandse regering kwalijk?
Nee, maar ik dacht wel dat ik geholpen zou worden. Ik had nooit gedacht dat ik in deze situatie zou belanden. Echt nooit. Het is respectloos. Ik moest mijn vriendje bellen, maar ik kon hem niet bereiken. Ik weet niet welk nummer hij nu heeft of waar hij is. Of hij nog leeft. De situatie in Uganda gaat niet veranderen, dus ik kan nergens heen.
Ik wil hem geloven, maar het stemmetje in mijn hoofd blijft roepen: hij weet precies wat hij moet zeggen. Ik bedank hem, steek het veld over en schiet een andere bungalow in.
 
Ook hier is het aardedonker. Het ruikt er naar kruiden. “Wil je eten?”, vraagt een nasale stem. Twee grote gele ogen zweven boven een wit bord en vertellen me, in het Nederlands, dat een Turks restaurant uit Rotterdam net een bak eten heeft gebracht. Kasim, zo heet hij. Naast hem zit nog een man. Hij stelt zich voor als Bagissa Kebede Ayana. Overweldigd door de keizerlijke klank van zijn naam stel ik mezelf voor met mijn drie voornamen. Bagissa lijkt onder de indruk en knijpt mijn hand fijn.
Kasim en Bagissa komen uit een ander deel van Ethiopië, maar behoren allebei tot de Oromo-stam, een bevolkingsgroep die wordt onderdrukt door de regering. Hoewel ze beiden zo’n vier jaar in Nederland zijn, spreekt alleen Kasim Nederlands. Bagissa is ouder en spreekt in trage Engelse volzinnen. 
 
Bagissa en Kasim.
 
Een Turkse restauranteigenaar is uit Rotterdam overgekomen om eten te brengen.
 
Jullie komen allebei uit Ethiopië?
Bagissa:
Ja.
Kasim: Ik kom uit Bale; dat betekent regenland. Net als hier, maar dan warmer, haha.
Bagissa: Bale is een rijk gebied.
Kasim: Ik woonde bij een berg, Gara Suuffii. Wat betekent dat?
Bagissa: Dat is die grote gele bloem die altijd naar de zon kijkt.
 
De zonnebloem.
Bagissa:
Ja! De zonnebloem. [hij doet een zonnebloem na, die naar de zon kijkt]
Kasim: Daar ligt mijn familie begraven. Overheidstroepen nemen mensen—onze mensen, de Oromo—mee naar die heuvels om ze te vermoorden.
Bagissa: Als je wilt werken moet je lid worden van de overheid. Door lid te worden, geef je aan dat je hun beleid van onderdrukking goedkeurt. Het is niet zoals hier; Ethiopië is een dictatuur. Als je lid bent hebben ze je in hun macht. Je keurt alle corruptie goed, en als ze zeggen dat je moet doden, moet je doden. Er zijn dertig miljoen Oromo—we zijn de grootste minderheid, maar we hebben geen recht op de grondstoffen van ons land. Ik heb een prachtig stuk land van mijn familie geërfd, met eucalyptusbomen en koeien, dat ik misschien nooit meer zal zien.
Kasim: Zoek het maar op internet. Oromo. Dan zie je wat er aan de hand is. In Europa kennen ze alleen de staten, niet de stammen.
 
Wat vinden jullie van dit kamp?
Kasim:
Ik zit al vier jaar in Nederland. Er is hier iemand die al zeventien jaar in Nederland is. Mijn immigratieaanvraag is drie keer afgewezen omdat ik geen papieren heb. Ik heb een jaar in een asielzoekerscentrum gewoond, en ik heb in de gevangenis gezeten. Ik heb bij de ambassade gezeten en ik heb onder een brug geslapen. Dit is beter. Maar ik kan nergens heen. Ik mag hier niet blijven, maar ik kan ook niet terug naar huis. De meesten hier zijn jong, net als jij, en willen iets doen.
Aan Kasim merk je niets terwijl hij praat. Hij is serieus, maar praat opgewekt en met veel handgebaren. Hij vraagt steeds of ik snap wat hij bedoelt. Bagissa neemt langzaam een beetje afstand. Sinds hij over zijn landgoed heeft verteld, zegt hij niets meer.
 
Wat hopen jullie dat er gebeurt?
Bagissa:
Er gaat niets gebeuren.
Kasim: Als we naar een ander land gaan, bijvoorbeeld naar Duitsland, en ze zien dat we uit Nederland komen, worden we teruggestuurd naar Nederland. We moeten wachten tot we hier naar binnen mogen, of tot de situatie in Ethiopië verbetert. Weet je wat grappig is? In Bale, waar ik vandaan kom, wonen veel Nederlandse boeren. Ze verbouwen aardappels, suiker en bloemen. Zij mogen wel daarheen, maar ik mag niet Nederland in.
 

Reageer