©2014 VICE Media LLC

    The VICE Channels

      Een passage uit De Vergeting van Daan Heerma van Voss

      February 19, 2013

      Door VICE Redactie

      Illustratie door David Wasch.
       
      Precies een jaar geleden werd Daan Heerma van Voss wakker met een superheftige black-out, in medische termen ook wel Transient Global Amnesia (TGA) genoemd. Toen Daan ontwaakte wist hij niet meer wie of waar hij was. “Het was als een geboorte, maar zonder het goedmoedige en met het gevoel dat er iets vreselijk mis was.” Deze bizarre ervaring beschrijft hij in zijn derde roman De Vergeting, die op 22 februari verschijnt bij De Bezige Bij, met illustraties van David Wasch. Hieronder geven we je alvast een voorproefje.
       
      Hoofdstuk 41. Vergeet niet te tekenen!
       
      Twee mannen, een grijs, een blond, aan een tafel, onder een laag plafond.
      De grijze man: ‘Ik stel voor dat we elkaar tutoyeren. Wat vond je van onze advertentie?’
      De blonde man: ‘De advertentie was wat cryptisch, en weggestopt. Maar zodra je het bericht ziet denk je: hoe heb ik het kunnen missen.’
      ‘Uitstekend. Dat is precies waar wij als bedrijf voor gaan. De advertentie moet uitnodigend zijn, maar niet voor ieder­een weggelegd. De deal heeft alleen zin als het een exclusief goed betreft. Vraag en aanbod, begrijp je?’
      ‘Ik vind het toch wat ongemakkelijk, dit tutoyeren. Zal ik u anders met uw dokterstitel aanspreken?’
      ‘Ik heb hem per slot van rekening niet voor niets ver­diend.’
      ‘Dokter. Wat schrijft u op?’
      ‘Ik maak notities. Dat is wat doktoren doen: notities ma­ken.’
      ‘Dokters moeten toch genezen?’
      ‘Op den duur. Als het zinnig is. Het is bijzonder kwalijk iemand te genezen die het niet verdient.’
      ‘U spreekt over genezen alsof het om redden gaat.’
      ‘Er is geen verschil. Voor mij zijn het dezelfde woorden.’
      ‘Denkt u dat u mij kunt redden?’
      ‘Ja. Maar uiteindelijk redden mensen zichzelf. Ik kan ze daar alleen maar bij helpen.’
      ‘Wilt u trouwens koffie? Ik heb zo’n nespresso-ding. Ik drink wat George Clooney drinkt.’
      ‘Ik weet niet wie dat is.’
      ‘George Clooney.’
      ‘Ja, dat zei je net ook al. Ik weet niet wie dat is. Die naam is mij volkomen vreemd.’
      ‘Heeft u ooit overwogen uw naam te laten veranderen? Of is dat een impertinente vraag?’
      ‘Dat is het zeker. Een naam is het intiemste goed waarover een mens beschikt. En wat is er mis met mijn naam?’
      ‘Faust…’
      ‘Ja?’
      ‘Nou, het is wat beladen. En erg theatraal.’
      ‘Ik heb het weleens overwogen. Mensen zeggen weleens: namen zijn tijdloos, maar in mijn geval blijkt dat onzin. Mijn naam is gedateerd. Ik ben gedateerd. Mijn hele wezen, mijn functie, mijn doel, als een mens zulke gewichtige termen mag gebruiken, ze zijn in deze tijd van minimaal belang. Ie­dereen verpatst zijn ziel, maar beetje bij beetje, voorzichtig, niemand durft de stap aan het hele ding in één keer te ver­kopen. Het is een moeilijke tijd. Cijfers dalen, neergaande lijnen. Conjunctuur. Alles is te koop, maar niemand heeft geld. Maar dat is in jouw branche net zo. De boekenbran­che.’
      ‘Ja. Alles is te koop. Niemand heeft geld.’
      ‘En mijn naam staat mij goed, hij is me op het lijf geschre­ven. Bovendien: wat zou ik dan moeten, met Faust? Er Vuijs­je van maken?’
      ‘Misschien.’
      ‘Nee nee, daar geloof ik niet in. Ter zake nu. Je hebt aan­gegeven dat je overweegt je ziel te verkopen. Aan de duivel.’
      ‘Ja, daarover gesproken… Ik wil u niet beledigen, maar…’
      ‘Wat?’
      ‘Ik dacht dat hij zelf zou komen.’
      ‘Dat denken ze allemaal. Ik behartig zijn belangen.’
      ‘Hoe ziet hij eruit?’
      ‘Dat vragen ze zich allemaal af. Hoe denk je?’
      ‘Ik weet niet.’
      ‘Op wie denk je dat hij het meest lijkt, welk mens? Niet Hitler zeggen. Hitler is een cliché, een slogan, een South Park-figuur, een kleipoppetje, de eindbaas in een computer­spel. Het zijn nieuwe tijden, jongeman. Maar nog los daar­van, het zou een logistieke nachtmerrie betekenen. Denk je in: Hitler die de laatste metro probeert in te gaan, net te laat voor een vergadering met Shell. Nee, een bijzonder slechte keuze, Hitler. Gekkenwerk.’
      Ik zwijg.
      ‘Ik heb hem nooit gezien,’ zegt hij ten slotte. ‘We werken digitaal. Niemand uit de organisatie hoeft een ander ooit te zien. Het is het efficiëntst. Werkt het beste.’
      ‘Ik begrijp het.’
      ‘Mag ik je trouwens complimenteren met je keuze, jonge­man. Je ziet er wel stom uit, met je baard, maar…’
      ‘Ik heb nog niet gekozen.’
      ‘Nee, natuurlijk niet. Maar als je voornemens bent je ziel te verkopen, dan is de duivel een uitstekende keus. En, dat mag ik wel zeggen, hij is zeer geïnteresseerd.’
      ‘Zo raar is het toch niet, om te doen? Ik bedoel: meer men­sen doen het toch? Ik bedoel: in mijn vakgebied?’
      ‘Natuurlijk is het niet raar. Je doet wat je kan. Iedereen doet wat hij kan. En inderdaad, we hebben veel schrijvers in ons bestand.’
      ‘Heeft u namen?’
      ‘Dat druist in tegen de dokterseed, dat begrijp je wel.’
      ‘Zijn ze tevreden, die schrijvers?’
      ‘Het is een grote keuze, dan is spijt een logisch, maar al­tijd tijdelijk gevolg. Ik ben ervan overtuigd dat jij er goed aan zou doen.’
      ‘Maar u bent niet neutraal.’
      ‘Neutraal, neutraal. Wat een achterhaald woord. Niemand is neutraal. Jij bent ook niet neutraal.’
      ‘Nee. Dat is waar. Ik ben ook niet neutraal.’
      ‘Je hebt het beste met jezelf voor.’
      ‘Ja.’
      ‘Waarschijnlijk als een van de weinigen.’
      ‘Ja.’
      ‘Precies. Iemand moet toch voor jou zorgen, en als de an­deren het niet doen…’
      ‘Weet je wat het is? Het is zo pompeus. Als gebaar. Je ziel verkopen aan de duivel. Echt, in this day and age?’
      ‘Is dat wat je dwarszit? Je vindt de duivel niet subtiel ge­noeg? Niet hip genoeg? Niet ironisch genoeg?’
      ‘Zoiets.’
      ‘Je moet het allemaal niet zo serieus nemen. In mijn tijd was het veel gewichtiger dan nu. Sommige woorden zijn hun eigen satire geworden. De duivel, dat is satire.’
      ‘Wat schrijft u op, dokter?’
      ‘Ik leid je door de stappen heen. Het zijn vragen ontwor­pen om de mensen die gewoon wat op internet rondkijken en voor de lol op onze advertentie klikken eruit te halen. Voor de administratie. Belangrijkste vraag: waarom wil je je ziel juist aan ons bedrijf kwijt?’
      ‘Ik zei dat ik het overwoog.’
      ‘Precies. Waarom overweeg je het?’
      ‘Omdat dit is wat ik kan, denk ik soms. Dan vrees ik dat ik niet meer in me heb.’
      ‘Niet meer dan wat?’
      ‘Dan schrijven over mijzelf.’
      ‘Wat staat je dan tegen? Waarom teken je niet gewoon?’
      ‘Nou, het is toch een stap. Je ziel verkopen aan de duivel. Ik bedoel: hallo.’
      ‘Het is een stap, zeker, al zit het ook tussen de oren, zoals de mensen zeggen. Soms moet je gewoon iets beslissen. Kie­zen, intuïtief, actie, en dan bij die keuze blijven. Zo worden de grote beslissingen gemaakt, jongen. Overanalyse leidt tot paralyse, zeg ik altijd. Dan kunnen de academici later ein­deloos debatteren over voors en tegens, laat ze. Een man kent die luxe niet. Een man kiest zijn koers, en volgt die. Nu is het tijd voor actie. Iedereen gelooft in iets. Jij gelooft in woorden. Ik help je op weg, meer niet. Een boek schrijven doe je uiteindelijk zelf.’
      ‘Maar wat als ik mensen kwets?’
      ‘Wat je ook doet, er zullen altijd mensen gekwetst wor­den. Spijt is iets voor kleine kinderen die bang zijn voor nachtmerries.’
      ‘Maar die mensen hebben er ook niet om gevraagd dat ik over ze schrijf?’
      ‘Natuurlijk niet. Maar ze zijn wel met je bevriend geraakt.’
      ‘Dus?’
      ‘Die mensen zijn ook niet achterlijk. Dit was het risico. Dit is het risico, altijd geweest. Dat iemand als jij zou op­staan. Om vast te leggen wat niet vergeten mag worden.’
      ‘Kom nou. Ik ben toch geen boekhouder van de levens van anderen?’
      ‘Je bepaalt alleen jouw eigen koers. Je kunt er ook voor kiezen niet te tekenen. Dan schrijf je niets, of alleen ver­zinsels, wat natuurlijk hetzelfde is als niets, laten we eerlijk zijn, en is iedereen je zo weer vergeten. Geen boekhouder, dat is wat al te oneerbiedig. Ik zou zeggen: chroniqueur.’
      ‘Ik wil geen chroniqueur zijn. Mensen hoeven zich mij niet te herinneren.’
      ‘Dat is een leugen. Dat is het enige waar mensen echt bang voor zijn: vergeten worden. En jij zeker. Niet zozeer dat je begraven wordt, maar dat er over een jaar of wat niemand meer naar het graf komt. Dat ieder graf uiteindelijk geruimd zal worden. Daarom: als je de kans krijgt een rol te spelen in je eigen leven, dan kies je de hoofdrol! Als je de mogelijk­heid hebt iedereen van wie je houdt als stukken op de juiste plaatsen op het bord neer te zetten, om hun armen te voor­zien van flosdraad waarmee je ze laat dansen, ze kunt laten zijn wie ze kunnen zijn, dan neem je die toch!’
      ‘Maar de anderen dan?’
      ‘Er zijn geen anderen.’
      ‘Jawel. De anderen. Vrienden. Familie. Het meisje. Zij willen niet openbaar zijn. Wat privé is kan niet kosteloos publiek worden gemaakt.’
      ‘Schrijven is een zeldzame handeling: het is niet alleen een handeling maar ook een vertoning. Een vertoning die het verhandelde, alles waar over te schrijven valt, door het te vertonen onmiddellijk verdraait. Iets kan niet opgeschre­ven en waar zijn tegelijk. Je bent kortom een leugenaar, wat je ook doet, wat je ook kiest. Het enige waarover je eerlijk kunt zijn is het al dan niet toegeven van je leugenachtigheid, en het kiezen van wie je verraadt. Durf!’
      ‘Het is geen kwestie van durf.’
      ‘Alles is een kwestie van durf!’
      ‘Je vraagt me de waarheid te vertellen over weerloze men­sen die bovendien nog in leven zijn.’
      ‘Zou het uitmaken als ze dood waren? Dan zouden ze alleen nog maar weerlozer zijn. En: ik vraag je niet om de waarheid. Ik vraag je om te liegen, maar met overgave.’
      ‘Te liegen?’
      ‘Te manipuleren. Dat is toch wat je doet. Je selecteert, je kiest, je spaart jezelf.’
      ‘Ik wil mezelf niet sparen.’
      ‘Je maakt van jezelf een verteller.’
      ‘Ik ben ook een verteller. Ik vertel over mijn dag.’
      ‘Je blikt terug, springt vooruit in de tijd, je hebt het talent niet om je leven interessant te maken. Het leven van een dag is gewoon niet genoeg. Zonder trucs stel jij niets voor.’
      ‘Wat moet ik dan doen?’
      ‘Precies wat je nu doet. Van jezelf een verteller maken, je leven interpreteren en orkestreren, schrappen en toevoe­gen, het kunstmatig leven inblazen van je bestaan. En nu vraag je jezelf vast af of ze je wel vergeven, die zogenaamd weerloze mensen, is het niet?’
      ‘Misschien.’
      ‘Kijk, nu hebben we het ergens over. Je vraagt de duivel om absolutie.’
      ‘Kan hij daarvoor zorgen?’
      ‘In zekere zin. De enige wiens vergeving je iets zou moe­ten kunnen schelen ben jijzelf. Mijn meester biedt je precies die uitweg: teken en word degene die het meest kans maakt.’
      ‘Kans waarop?’
      ‘Om niet vergeten te worden.’
      ‘Maar hoe moet ik weten of dit echt de juiste keuze is?’
      ‘Omdat je voelt dat het de enige mogelijkheid is. Als je het echt wilt opnemen tegen de vergetelheid, dan is er maar één manier. Schrijven, en niet stoppen tot je hand zwart wordt van inkt en werklast, totdat hij neervalt op het papier.’
      Twee mannen, een grijs, een blond, aan een tafel, onder een laag plafond. De een schuift een papier naar de ander toe. De ander aarzelt. Er komt een pen tevoorschijn. Er wordt geschreven, de biologische champagne wordt ontkurkt.
       

      Comments