GEVLUCHT! (DEEL 2)
In deel 2 van onze serie verhalen over vluchtelingen uit Noord-Korea vertelt Kyung Hi Lee over de martelingen die ze onderging toen ze voor de eerste keer het land probeerde te vluchten. Ze zat met tien vrouwen opgesloten in een cel van 3 bij 2,5 meter. Zitten was onmogelijk, slapen ook.
KYUNG HI LEE
Mijn vader werd geboren in Noord-Korea en mijn moeder in Zuid-Korea. Maar tijdens de Oorlog van 25 Juli [de Koreaanse Oorlog], melde mijn moeder zich vrijwillig als Noord-Koreaanse legerofficier. Ik werd geboren in Pyongyang, en had daar een heel mooi leventje. De Noord-Koreaanse overheid rantsoeneert voedsel, maar in Pyongyang krijgen alle mensen rijst, ongeacht hun sociale status.
Pyongyang is een prachtige stad, ze is zelfs mooier dan Seoel. De stad is heel proper en de opera is prachtig en alles ziet er heel goed uit. Maar wanneer je ergens binnengaat is er geen elektriciteit, dus kan je de lift niet gebruiken. Als je naar de top van een gebouw wil, moet je de trap nemen, hoe hoog het ook is. Er is geen water in de gebouwen als de elektriciteit is afgesneden, dus meestal komt er dan ook geen water uit de kraan. Water moet je met de hand pompen en naar boven dragen. Omdat er geen elektriciteit is, is er ook geen verwarming, dus is het koud en moet je altijd warme kleren dragen. Het is een beetje een grappige situatie.
Toen ik 14 was besloot de overheid dat, hoewel ze tijdens de oorlog aan hun kant had gestreden, mijn moeder toch uit het Zuiden kwam en ze niet volledig te betrouwen was. Onze familie werd buiten Pyongyang geplaatst. Het eerste jaar woonden we in On-sung, in een huis dat gedeeld werd door meerdere families met een gelijkaardige situatie. Na het eerste jaar verliet onze familie het huis en vonden we een heel klein huisje in een landelijk gebied. Mijn ouders waren dokters geweest in Pyongyang, maar na de uitwijzing moesten ze handarbeid verrichten op bouwwerven en in mijnen. Omdat werken in de mijnen een straf was, waren mijn ouders ook nooit gelukkig. Toch waren ze al blij dat ze niet in de gevangenis zaten. Ze hadden nog een beetje vrijheid en dus waren ze tevreden. Voor mij was het net zo. Ik had geen kwade gevoelens ten opzichte van Kim Il-sung, omdat ik jong was en ze jonge mensen altijd leren dat hij de grote vader is van het Noord-Koreaanse volk. Ik dacht dat hij een goed persoon was en dat hij mij van zijn rijst te eten gaf. Hij gaf ons voedsel en kleren. Ik voelde mij heel dankbaar ten opzichte van hem.
In de jaren 90 stierven veel mensen de hongersdood en begon ik eraan te denken om over te lopen. On-sung maakt deel uit van het grensgebied, dichtbij de Noordelijke Provincie van China. Ik zag veel mensen uit China komen met rijst en geld. Ik dacht dat als ik in On-sung zou blijven ik van honger zou sterven.Maar ik besefte dat als ik als overloper gesnapt werd, ik gedood zou worden door de grenswachters. Ik besloot dat ik mijns kans moest wagen want in Noor-Korea blijven stond gelijk aan sterven.
Van in On-sung ligt China aan de overkant van de rivier, dus moest ik alleen de rivier oversteken. Omdat ik in het stadje was opgegroeid kende ik alle bewakers en de uren van hun komen en gaan.
Mijn man kon niet meekomen omdat hij veel broers en zussen heeft in Noord-Korea, en als hij overliep zou dat hun leven beïnvloeden. We hadden twee dochters, een van tien en een van vijf jaar oud. Toen ik de rivier overstak, nam ik mijnoudste dochter mee. Ik ontdekte dat China een fijne plek was om te leven want er was overal rijst. Mensen gooiden hun rijst gewoon weg wanneer ze genoeg gegeten hadden. Het verwonderde mij om zoveel mensen te zien leven zonder een spoor van hongersnood. Ik vond dat ik mijn jongste dochter ook had moeten meenemen en keerde terug om haar te halen. Ik liep bij het vallen van de avond langs de rivier om mijn dochter te gaan halen toen de Noord-Koreaanse bewakers mij te pakken kregen. Ze bestookten mij met vragen: “Waar kom je vandaan? Waarom loop je langs de rivier? Probeer je de rivier over te steken?” Ik zei, “Oh nee, mijn huis ligt net ginder en ik ga terug naar huis.” Maar ik had Chinees parfum op, en in On-sung had niemand parfum. Ik had ook mooie Chinese kleding aan – een katoenen jas en een katoenen broek. De Noord-Koreanen wisten gewoon dat ik vanuit China kwam, dus namen ze me mee en sloten ze me op voor vier maanden. Er waren ongeveer tien vrouwen in een kamer van 3 bij 2,5 meter. De enige manier om tien vrouwen in zo’n kamer te leggen is als sardienen naast elkaar. Er was één waterkraan in de kamer en één toilet. Aan het plafond hing een buis waar voortdurend water uitliep. Ik moest altijd rechtop zitten, behalve als we sliepen, en kon niet bewegen. Iedereen moest rechtop zitten en we mochten slechts om de twee uur vijf minuten bewegen. Dat was onze straf— stil zitten. ‘s Nachts toen de mensen sliepen, konden we rechtstaan en wat rond bewegen.
Er was een vrouw die was bevallen van een baby, een maand voor ik toekwam, en haar lichaam was nog altijd niet hersteld. Ze kon niet bewegen. Van haar plek kon ze niet naar het toilet lopen, dus moesten we haar dragen. Ze begon te huilen en te roepen dat ze niet kon stappen, dus lieten ze haar na tien dagen gaan en stuurden haar terug naar huis.
Ik werd door de bewakers geslagen. Ik bloedde. Ik werd gemarteld in de gevangenis. Ze schopten en sloegen me tot ik flauw viel. Ik was 20 uur buiten bewustzijn. Ik lag in mijn eigen bloed, in de kamer met de andere negen vrouwen. Ze probeerden me op te knappen en me te helpen, maar er waren geen medicijnen of geen dokter in de gevangenis. Ongeveer tien dagen nadat ik wakker werd was er een uitbraak van tyfus en was ik besmet. Door de hoge koorts begint je lichaam te beven. Drie of vier vrouwen kregen toen ook tyfus. Wanneer wij hersteld waren, waren de anderen besmet en zo ging het heen en weer. De ziekte verspreidde zich langs de gang over de andere cellen en ’s nachts, toen het stil was, konden we de andere vrouwen horen kreunen. Ondertussen zat mijn tienjarige dochter in China bij een koppel dat medelijden had met haar en met mij. Nadat ik vrij kwam, kon ik opnieuw vluchten, en betaalde ik een Chinese makelaar om mij en mijn dochters naar Seoel te brengen. In totaal kostte dat ongeveer $7,000, hetgeen ik kon betalen dankzij het geld dat ik bij mijn aankomst ontving van de Zuid-Koreaanse overheid zoadat ik mij hier opnieuw kon vestigen.
On-sung is een landelijk stadje, als het regent draagt iedereen regenlaarzen. Toen ik aankwam in Zuid-Korea ging ik onmiddellijk naar een winkel om regenlaarzen te kopen voor mijn kinderen. De man in de winkel vroeg waarom ik regenlaarzen wilde kopen in Seoel en ik zei, “Regent het hier dan niet? Ik wil niet dat mijn kinderen vuile voeten krijgen.” Dat vond hij heel grappig.
Reageer