©2014 VICE Media LLC

    The VICE Channels

      Wapensmokkel op z'n Syrisch

      January 8, 2013

      Door Anna Therese Day


      Leden van een brigade van het Vrije Syrische Leger stoppen even met vechten om te poseren voor een groepsfoto. 

      Geblinddoekt en zenuwachtig zat ik achterin een auto zonder kenteken, samengeperst tussen een wapensmokkelaar en een jonge soldaat van het Vrije Syrische Leger. Het was al zeker een uur geleden dat we het Turkse grensstadje Kilis hadden verlaten en we gingen nu van de weg af, de Syrisch-Turkse grens over. Een van de topkolonels van de FSA zat voorin, de achterbak zat stampvol munitie en kleine wapens. De mannen zongen anti-Assad-liedjes en maakten grapjes over dat ik hun ‘gijzelaar’ was.

      Toen we eindelijk op onze bestemming aankwamen deden ze mijn blinddoek af. De kolonel (die me uiteraard verzocht om zijn naam niet te noemen), een aardige, oude man, lachte en verwelkomde me in ‘Vrij Syrië’. We waren aangekomen in het bevrijde grensstadje Azaz, eigenlijk recht tegenover Kilis. De bevrijding van Azaz was niet zonder slag of stoot gegaan: huizen, scholen, moskeeën en ziekenhuizen lagen in puin en de wegen zaten vol diepe gaten. Kinderen speelden tussen het puin en gebruikten oude tanks als speeltoestellen.

      De laatste maanden had Assads leger tientallen verwoestende bombardementen uitgevoerd op door het Vrije Syrische Leger bezette stadjes, met de bedoeling hun democratische experimenten plat te gooien. Scholen, postbedrijven, allerlei werkverschaffingsprojecten: alles was gebombardeerd. De laatste weken was de munitievoorraad van het Vrije Syrische Leger opgeraakt. Oppositieleiders waren naar Turkije gegaan, en naar soennitische leveranciers in de Perzische Golf, in de hoop anti-vliegtuigraketten te scoren om Assads straaljagers neer te kunnen knallen, maar ze kwamen met lege handen terug. Geruchten dat er ladingen zware wapens vanuit Libië en Frankrijk werden verscheept bleken bovendien ook niet waar te zijn.

      Ondertussen beweerden de VS bang te zijn voor een steeds groter wordende groep jihadisten binnen het Vrije Syrische Leger en riepen Golfstaten op om de rebellen te steunen door wapens te sturen. Saoedi-Arabië haalde z’n schouders op, net als Qatar, en beide landen verklaarden officieel dat allerlei privéleveranciers geld en wapens doorsluisden naar Salafisten en buitenlandse legers. Ze waarschuwden dat als er niet snel en hard zou worden ingegrepen, dit alles zou kunnen resulteren in een gevaarlijke ‘populaire jihad’.

      Sinds de opstand, die vorig jaar begon, is het Turkse stadje Kilis getransformeerd tot een stoffig grensplaatsje voor hoeren, spionnen en wapenhandelaren. In een verscholen barretje in Kilis ontmoette ik Hassan, voormalig handelaar in gebruikte auto’s, nu een wapensmokkelaar voor het Vrije Syrische Leger. Hij bood me aan om met hem mee te gaan naar Syrië. “Ik verkoop liever auto’s dan gesmokkelde wapens, maar het regime heeft mijn garage platgebombardeerd,” zei hij. “Wat moet ik anders?” Een jaar geleden verwoestte het regime het dorpje waar zijn vrouw woonde, en dus had Hassan, vader van acht kinderen, besloten om een lokale militie te organiseren.

      Veel van Hassans buren hebben hun land verkocht om wapens te kunnen kopen van legerofficieren van een nabijgelegen vliegbasis. Naarmate de gevechten in Aleppo heviger werden stroomden er via soennieten in de Golf steeds meer wapens en centen binnen. Als ongelovige Syriër wilde Hassan het duidelijke Syrische karakter van zijn militie behouden; hij weigerde om met buitenlandse jihadisten samen te werken. “Ze zijn niet zoals wij,” vertelde hij me. “Zij halen hun genoegdoening uit sterven voor de jihad. Ik kan daar met mijn hoofd echt niet bij. Een vriend van me probeerde laatst in hun bijzijn een sigaret aan te steken en toen zeiden ze hem dat dat haram [verboden] was. De fuck?! Het is oorlog!”

      Hassan was bang dat er rijke gasten waren die buitenlandse soldaten zo veel geld gaven dat ze veel te veel invloed konden uitoefenen. Het feit dat er onder hun medestrijders mogelijk jihadisten zaten, zorgde bij sommige leden van het Vrije Syrische Leger voor angst, en tegelijkertijd voor diep respect. De jihadisten staan bekend als felle, onvermoeibare machines die in de frontlinies vaak alle aandacht opeisen, ten koste van de jongens van het Vrije Syrische Leger. Hassan moet niks hebben van dit soort religieuze extremisten, maar erkent hun expertise als het gaat om strijd leveren.

      Veel van de leden van het Vrije Syrische Leger die ik heb geïnterviewd zeiden dat ze liever hulp van westerlingen krijgen dan van jihadisten, maar dat ze op dit moment blij moeten zijn met alle hulp die ze krijgen. Spanningen tussen het Vrije Syrische Leger en de jihadisten worden ook steeds minder—naar het schijnt is er één jonge Salafist geëxecuteerd omdat hij een kolonel van het Vrije Syrische Leger niet had gehoorzaamd. Terwijl hij een slok nam van zijn haram biertje zei Hassan: “Ik ben bang dat we in Syrië twee revoluties nodig gaan hebben. De eerste tegen Assad, de tweede tegen de jihadisten.”




      Jongens op 
een tank van 
het Syrische leger, naast
 een verwoeste
 moskee
 in Azaz.

      We lieten Hassan en de andere strijders achter in het kleine stadje al-Bab, en de kolonel en ik gingen verder naar Aleppo, waar hij wapens moest afleveren en brigades moest inspecteren. Zoals zo veel officieren van het Vrije Syrische Leger was de kolonel overgelopen van Assads leger. Hij kwam uit een militaire familie, en hoewel hij een man van middelbare leeftijd was had hij een doorleefde gezichtsuitdrukking. Zijn vader was kolonel van al-Bab geweest onder het regime van Assad. Voordat de oorlog uitbrak hadden ze een goed leven: officieren in het noorden waren relatief autonoom ten opzichte van hoofdstad Damascus, met als gevolg een comfortabel leven buiten het apparaat van de staatsbeveiliging. Toen de oproer begon kregen de officieren plotseling het bevel om naar Aleppo te gaan, hun eigen gemeenschap. “Dat was het punt waarop alles veranderde,” zei hij.

      De kolonel volgde zijn bevelen op, terwijl hij in het geheim de rebellen ondersteunde door ze wapens van luchtmachtbasis al-Mashaab te verkopen. “Mijn familie was woedend op me dat ik niet overliep, maar ik kon ze niet de waarheid vertellen.” Hij zuchtte. Toen het goede moment daar was hielp hij samen met een paar contacten om zijn familie naar een nieuwe plek te verhuizen en voegde hij zichzelf bij de gewapende oppositie. “Het overlopen verliep soepel, maar anderen, een hele hoop anderen, hadden minder geluk.”

      Toen de kolonel ontdekte dat ik mee zou gaan op een van Hassans wekelijkse smokkeltripjes, stond hij erop dat hij mee zou gaan. Hij gaf me de bijnaam ‘Ayoosh’ en zei dat als ik eenmaal had gezien hoe barbaars het regime was, ik binnen 24 uur met een hidjab aan in de frontlinies “Allahoe akbar!” zou staan te schreeuwen.

      Er cirkelden vliegtuigen over onze hoofden terwijl de kolonel en ik over de verwoeste snelweg naar Aleppo reden. Het gezoem van hun motors werd steeds harder, tot er opeens één vliegtuig recht boven ons verscheen en boven ons bleef vliegen. Onze chauffeur gaf plankgas en trapte daarna ineens keihard op de rem, waardoor de auto in de schaduw van een verlaten landhuisje slipte. Ik greep mijn kogelvrije vest en trok trillend mijn helm over mijn hoofd. “Ben je bang?”, vroeg de kolonel kalm. Hij droeg niks qua beschermende kleding, alleen een plaatje om zijn nek dat hij van zijn vader had geërfd, met daarop een gebedje. Deze gebedsplaatjes, die soms voor wel honderden Syrische ponden worden gekocht en verkocht, zouden hun eigenaar tegen ieder fysiek gevaar beschermen. De kolonel noemde het zijn ‘speciale kogelvrije vest’ en stond erop dat ik hem neerschoot om het te testen, terwijl een cameraman die we eerder hadden ontmoet het filmde voor CNN.

      We wachtten in de schaduw van het landhuisje, totdat het gebrul van het vliegtuig zachter werd. Toen reden we via een omweg over slingerweggetjes het wijdse, antieke stadje Aleppo in. Aleppo is ongeveer het oudste stadje in de wereld, dat altijd bewoond is geweest en bovendien de plek waar het geld Syrië binnenstroomde. Althans, voordat het eerder dit jaar aan puin werd geschoten door het regime.

      De kolonel nam ons mee naar Tariq al-Bab, een buurt in het centrum van Aleppo, om zijn zoon Ahmad te ontmoeten. Ahmad was de leider van een lokale militie. Hij was een jong, opgewonden mannetje dat meteen begon te vertellen over zijn laatste bijna-doodervaring, nadat Assads scherpschutters hem bijna door zijn hoofd hadden geschoten. Terwijl hij praatte staarde de kolonel bezorgd in de verte. Die avond, tijdens een diner van mezze (een soort tapas) en hoemoes, stelden Ahmeds mannen aan één stuk door vragen aan de kolonel over zijn trip naar Turkije, over hun familieleden die in vluchtelingenkampen zaten en over het laatste nieuws uit Istanbul. De conversatie leidde onvermijdelijk naar de status van de luchtafweerraketten, waar iedereen erg op hoopte. “Ik zou willen dat de verslagen over buitenlandse wapens waar waren,” zuchtte de kolonel. “Maar we gebruiken hier nog steeds wapens uit Rusland.”

      Een van Ahmads medesoldaten leunde naar me toe en zei: “Je hebt vast gehoord dat we vorige week een vliegbasis hebben ingenomen?” Ik had erover gehoord, alleen had ik vernomen dat het Jabhat al-Nusra was geweest die de basis had veroverd: een fundamentalistische sekte met banden met terroristische organisaties, die meevocht aan de kant van het Vrije Syrische Leger. De jihadistische paramilitaire groep, die vrij vertaald het Front voor de Bescherming van een Groter Syrië heet, heeft de verantwoordelijkheid opgeëist voor zowel alle grote bombarde- menten op officieren en generaals van het regime in Damascus, Al-Miden en Aleppo, als voor een aanval op een van Assads televisiestations in het stadje Drousha, afgelopen zomer.

      Volgens recente verslagen zijn strijders van Hamas en van Al Qaida-groeperingen uit Irak naar Syrië gekomen om zich bij deze groep aan te sluiten. Hoewel strijders van het Vrije Syrische Leger zichzelf als conservatieve moslims beschouwen, distantiëren ze zichzelf over het algemeen van Jabhat al-Nusra’s bloederige droom het soennitische islamitische kalifaat weer te herstellen. Toen ik tijdens het diner over deze groep begon zei een strijder tegen me: “Jabhat al-Nusra is ontzettend goed in wat ze doen en ze hebben zowel wapens als ervaring, die onze mannen niet hebben.” Een andere strijder bemoeide zich ermee: “We hebben zeker drie jaren van strijd nodig voordat we een beetje in de buurt komen van wat zij doen.”
       
       

      Een soldaat van het Vrije Syrische
Leger laat
zijn tatoeage zien. “Waarom is liefde zo rampzalig?”, staat er.

      De meeste soldaten van het Vrije Syrische Leger vechten voor een pluralistisch Syrië, waarin politieke en religieuze vrijheid beschermd is. De strijders van Jabhat al-Nusra vechten voor islamitische overheersing en soennitische wetgeving. De kolonel legde uit dat het gebrek aan westerse hulp de originele, pluralistische leiders van het Vrije Syrische Leger heeft ondermijnd. “We kunnen gewoon lang niet zo veel doen als wat Jabhat al-Nusra doet, zolang we geen zinvolle ondersteuning krijgen,” zei hij.

      Met iedere lege belofte en mislukte wapensmokkel kwamen de kolonel en andere leiders van het Vrije Syrische Leger in een kwetsbaardere positie terecht. “Jabhat al-Nusra is nu nog klein, maar als er mannen komen die mee willen vechten en wij heb- ben geen wapens voor ze, gaan ze al snel naar die groep toe,” zei hij. “Ik ben bang dat er ooit een punt gaat komen waarop ze me vragen of ik misschien iets voor ze kan doen, en dat ik dan geen nee kan zeggen.”

      De volgende ochtend reden Hassan en ik Aleppo uit richting het platteland, om munitie te leveren aan de strijders daar. De hele weg zat hij met zijn telefoon aan zijn oor om zijn distributie te organiseren. “Ik heb een fantastische baan, want iedereen is altijd blij om me te zien,” grapte hij. Toen we op het platteland waren bracht Hassan ons naar plekken die hij ‘snoepfabrieken’ noemde: geheime werkplaatsen waar Syrische rebellen geïmproviseerde explosieven en primitieve wapens maken. Hassan chillde met ijzersmeden, boeren en ingenieurs.

      Even later gingen we naar een snoepfabriek die gebouwd was in een grot. Terwijl we naar binnen liepen en mijn ogen aan het donker begonnen te wennen, zag ik vier mannen om een generator heen staan, ijverig aan het werk met allerlei elektrisch gereedschap. “Zie je nou hoe ver het is gekomen?”, klaagde Hassan. “We lopen hier bommen in grotten te maken om tegen helikopters te vechten. Wat is dit, Afghanistan?” Hij vervolgde door te beschrijven hoe ongeorganiseerd het Vrije Syrische Leger is. “De generaals waren laatst even in Turkije en het enige waar ze mee terugkwamen waren kogels! Ondertussen is Jabhat al-Nusra onze revolutie aan het kapen.”


      Foto's door Andrew Stanbridge
       

      -

      Thema's: Syrië

      Comments