©2014 VICE Media LLC

    The VICE Channels

      Hoe een baan als nachtportier in een hotel mij veranderde in een schizofrene alcoholist Hoe een baan als nachtportier in een hotel mij veranderde in een schizofrene alcoholist Hoe een baan als nachtportier in een hotel mij veranderde in een schizofrene alcoholist

      Hoe een baan als nachtportier in een hotel mij veranderde in een schizofrene alcoholist

      February 5, 2013

      Door VICE Redactie

      Het is 6.00 uur en mijn wekker gaat af. Ik lig op het harde tapijt van een donkere vergaderzaal. Door de ramen zie ik dat het al langzaam licht wordt. Ik sta op en loop naar de bar waar ik de glazen afspoel waaruit ik die nacht gedronken heb. Ik draai de dop op de fles whiskey en zet hem terug in de kast. Dan veeg ik de uitgetrapte sigaretten van de vloer en sluit ik het raam dat openstond om de rooklucht te verjagen. Nog vijftien minuten voor de ochtenddienst komt. In die vijftien minuten poets ik mijn tanden met een tandenborstel die eigenlijk bedoeld is voor de verkoop aan gasten en spuit ik me onder met de Airwick-spray die op het toilet staat. Zo moet de alcohollucht wel verdwenen zijn.
       
      Op de balie van de receptie liggen enkele sinaasappels, waar woorden op geschreven staan als ‘opruimen bar’ en ‘ wissen geschiedenis’. Ik gooi de sinaasappels weg en wis vervolgens de chat- en pornogeschiedenis van de computer op de balie. Mijn nachtdienst zit er weer op. Het is tijd om naar huis te gaan en verder te slapen.
       
      De afgelopen jaren voelde ik een steeds sterker wordende drang om een tijdje als kluizenaar te gaan leven. Om de drukke, stressvolle maatschappij achter me te laten en me terug te trekken in de natuur, en daar op zoek te gaan naar innerlijke rust en eenheid. Ik droomde er zelfs van hoe ik uiteindelijk, terwijl ik mediterend op een rots naast een waterval zat, verlicht zou raken.
       
      Het probleem was alleen dat ik geen geld had om weg te gaan. En daarnaast zou ik het geen dag in m'n eentje in de natuur overleven. Op de padvinderij werd ik als kind al gepest omdat ik nauwelijks een enkele knoop kon leggen. Gepest worden op de padvinderij is trouwens net zoiets als verstoten worden van een damvereniging omdat ze je een nerd vinden—dat hakt er diep in. Daarom bedacht ik iets anders en ging ik op zoek naar een fulltime baan als nachtportier.
       
      De bazin van het hotel waarschuwde me nog dat de baan best zwaar kan zijn, ook al hoefde ik eigenlijk niets te doen, op een klein halfuurtje administratie en het af en toe in- of uitchecken van een gast na. “Het kan zijn dat je soms nachtenlang niemand ziet en dat er helemaal niets gebeurt. Daar moet je wel tegen kunnen.” Voor mij klonk het als een droom die uitkwam.
       
      ’s Nachts, rond een uur of twaalf, zodra mijn laatste collega vertrokken was, trek ik me terug in de vergaderzaal. De rustigste plek van het hotel. Daar mediteer ik met gesloten ogen in kleermakerszit op de vloer. Soms lig ik alleen maar en staar ik met de lichten gedimd urenlang naar het plafond. Ik probeer mijn gevoelens uit te zetten, de bodem van mezelf te vinden, om met mezelf in het reine te komen.
       
       
      Ik doe ook actievere dingen. Zo printte ik negen E-books uit over mindfulness, meditatie en boeddhisme, die ik nachtenlang aandachtig bestudeer. Omdat innerlijke rust en eenheid vinden stapsgewijs moet gaan drink ik af en toe een biertje in de hotelbar, terwijl ik wat muziek draai om de stilte te doorbreken.
       
      Dit is verboden. Maar aangezien ik de enige wakkere persoon ben in het hele hotel heeft toch niemand het door. “Je kunt hier alles doen wat je wilt, zo lang niemand er achterkomt,” aldus de nachtportier die me inwerkte.
       
      Dus daar zorg ik voor. Op de balie staat een fruitschaal vol sinaasappels. Soms haal ik er één uit, die ik naast de schaal op de balie leg. De sinaasappel herinnert me eraan dat ik nog een spoor moet uitwissen voordat de ochtenddienst binnenkomt. Als het meer dan twee sporen zijn, schrijf ik steekwoorden op de sinaasappels, zodat ik weet waar ze me aan herinneren.
       
      Zo’n acht maanden later ben ik nog steeds geen stap vooruit gekomen. Onder elke bodem die ik bereik, blijkt een nog diepere bodem te schuilen die me vaak nog net een tikkeltje depressiever maakt dan ik van de vorige bodem al was. Ook de innerlijke rust blijft uit. Een boek getiteld Meditatie voor Dummies leert me dat ik mijn ogen open moet houden tijdens het mediteren, zodat de gedachten me minder snel afleiden.
       
      Het is rond deze tijd dat ik geesten begin te zien. Schimmen die zich voortbewegen in mijn ooghoeken terwijl ik steeds opnieuw tot tien aan het tellen ben en voor me uit staar in een donkere vergaderzaal. Ik probeer zo min mogelijk aandacht aan ze te besteden. Dat lijkt te werken, want na een tijdje verdwijnen ze. Hoewel dat me aanvankelijk blij maakt, besef ik al snel dat ik nu echt alleen ben. En de eenzaamheid die ik voorheen zo had aanbeden, begint me steeds meer tegen te staan.
       
      Omdat ’s nachts iedereen slaapt, behalve de geile mensen dan, zit ik steeds vaker op sekschatboxen. Niet omdat ik geil ben, maar omdat daar mensen zijn die wel wakker zijn en met wie ik kan praten.
       
      Verlichting bereiken lijkt onmogelijk. Net als ontsnappen aan de realiteit, aan de wereld dus.  Het lijkt daarom alsof mijn zoektocht al vanaf de eerste dag gedoemd was om te falen. Ik was alleen maar op de vlucht geweest. In het niks. Waar geen uitweg was.
       
      Hopeloos, verveeld en terneergeslagen ruil ik de vergaderzaal, die zo lang dienst had gedaan als mijn kluizenaarsgrot, steeds vaker in voor de hotelbar. Omdat je een baan zonder verantwoordelijkheden ook best dronken kunt doen, vergrijp ik me daar aan de flessen met whiskey. Als ik toch iets moet doen—een gast in- of uitchecken—en achter de receptie moet staan, giet ik de drank over in een mok zodat het niet opvalt dat ik drink. Waar ik voorheen op de vloer van de vergaderzaal lag om in contact te komen met mijn gevoel, slaap ik er tegenwoordig mijn katers uit. 
       
      Hoewel ik mijn sporen nog altijd zorgvuldig probeer uit te wissen merk ik dat ik onvoorzichtiger word. Ik vergeet bijvoorbeeld de dop terug te draaien op de whiskeyfles,of krijg de vraag van één van mijn collega’s waarom de balie in godsnaam vol lag met volgeschreven sinaasappels. Ik voel me een beetje als een seriemoordenaar die steeds slordiger wordt in zijn handelingen, omdat hij diep van binnen hoopt dat hij een keer gepakt  wordt. In mijn geval: ontslagen.
       
       
      Op een middag word ik wakker gebeld door de bazin van het hotel. “Er is iets waar ik met je over wil praten,” zegt ze. “En waarvan ik hoop dat het niet meer voorkomt.” Even lijkt het alsof de wereld om me heen bevriest. Misschien heeft ze ontdekt dat ik standaard mensen weiger die bellen voor een kamer, dat ik overal rook terwijl het een rookvrij hotel is, dat ik vaker lam dan nuchter ben of misschien wel dat ik me meer dan eens heb afgetrokken achter de balie—wat niet mijn schuld is, maar die van mijn chatvrienden, die over niets anders dan seks kunnen praten.
       
      “Ik heb klachten gekregen van gasten dat ze soms geschreeuw uit de vergaderzaal horen. En daar worden ze een beetje bang van,” zegt ze. Ik beloof haar dat het nooit meer voor zal komen, alhoewel ik totaal geen idee heb waar ze het over heeft. Maar dat het allemaal nog veel erger is, ontdek ik als ik een paar dagen later in de supermarkt sta, voor het schap met de Knorr-maaltijden, en hardop tegen mezelf zeg: “Wat zullen we vanavond eens voor iets lekkers gaan eten?” Eerst heb ik het niet door. Maar omdat er een oud vrouwtje naast me staat dat een beetje bang naar me kijkt, heb ik het ineens wel door. Niet alleen dat ik hardop tegen mezelf sta te praten. Het gaat nog veel verder: ik praat tegenwoordig in de wij-vorm tegen mezelf.
       
      In mijn zoektocht naar rust, verlichting en eenheid was het tegenovergestelde gebeurd. Mijn geest had zich ongemerkt in tweeën gesplitst enhad een maatje tegen de eenzaamheid gevonden. Ik was niet langer ik. Ik was tegenwoordig wij.
       
      Omdat de auteur van dit stuk nog altijd deze baan heeft, blijft hij anoniem. Al was dit misschien een goede manier geweest om toch eindelijk ontslagen te worden.

      -

      Thema's: Hotel, Drank, alcohol, schizofreen, nachtportier, doelloos, depressie

      Comments