Wijbe Abma begon een liefdadigheidsinstelling in Aleppo

door Emma Beals

 


Wijbe Abma

“Mensen hebben het vertrouwen in grote organisaties verloren, maar niet in de kleine. Dus wil ik het goed doen.”

Het Turkse grensdorpje Kilis is momenteel het verblijf van Wijbe Abma, een 21-jarige hulpverlener. Hij leidt Don’t Forget Syria, een idee dat klein begon en is uitgegroeid tot proporties waar de oprichter niet geheel blij mee is. Het is een eenmansoperatie die directe hulp biedt aan burgers in de door oorlog verscheurde Syrische stad Aleppo. Als eerste actie deelde hij honderd dekens uit, maar de pers kreeg lucht van zijn idee, waardoor donaties binnenstroomden en hij nu een ongeduldige 12.900 euro op zijn PayPal-account heeft staan, een logistieke chaos op te lossen heeft en te maken heeft met het Vrije Syrische Leger, dat hem bloem probeert te verkopen.

Een paar maanden terug was Wijbe nog een normale student, die in Antakya (Zuid-Turkije) terechtkwam na een jaar lesgeven, shochu drinken en karaoke knallen in Zuid-Korea. In Antakya wonen nu duizenden Syriërs, en een Syrische man uit Aleppo vertelde Wijbe over zijn zoon die om was gekomen tijdens een bombardement door het regime. Ze praatten over z’n problemen en over wat er van de stad over was. Zoals zo veel Syriërs, boos en verward vanwege het gebrek aan internationale bijstand, vroeg hij zich af waarom er niemand komt helpen. Wijbe besloot om te stoppen met feesten en hier iets aan te gaan doen.

Wijbe kiest dekens uit.

“Het begon allemaal heel klein,” zegt hij. “Ik besloot om zelf te gaan doen waar alle NGO’s het over hadden, maar niet deden.” Het idee was simpel: hij zou bij Kilis de grens oversteken naar de noodkampen in Syrië, met een paar dekens in zijn rugzak om uit te delen, om vervolgens verder te reizen.

Bij aankomst kwam hij erachter dat het probleem groter was dan hij oorspronkelijk dacht. Het kamp wees hem af en Wijbe voelde zich machteloos toen duidelijk werd dat niemand hem toestond om te helpen, omdat hij autonoom handelde. Maar deze autonomie is juist iets wat Wijbe erg serieus neemt.

Gemotiveerd vertrok hij en richtte hij zijn eigen hulpproject op, waarbij hij 690 euro van zijn eigen spaargeld gebruikte voor de eerste honderd dekens. Een Syrische vriend vertelt me dat Wijbe er in eerste instantie eentje had gekocht om ermeeonder een brug te slapen, bij wijze van test. Hij was hierna een week verkouden, dus gooide hij hem weg en ging hij op zoek naar dikkere en warmere dekens. Deze zoektocht was niet zonder succes en hij bracht de nieuw aangeschafte dekens met behulp van Syrische burgers rond in Aleppo. Hij had iedere deken voorzien van een briefje, waarin in het Arabisch stond dat het een gift was van iemand met de drang om te helpen en te laten zien dat er iemand was die zich zorgen maakte. Op de terugweg kreeg hun auto als ‘dank’ een vuursalvo van een nabijgelegen legerbasis voor haar kiezen.

Gedreven door het succes van de trip, vertrok Wijbe naar Nederland om geld in te zamelen. Daar werd hij een aantal keer op televisie geïnterviewd, en deze publiciteit resulteerde in veel donaties. De nacht dat hij terugkeerde naar Kilis nam hij het moeilijke besluit om de donaties stop te zetten toen ze de 12.900 euro hadden bereikt. Waarom? “Omdat het budget nu twintig keer zo groot is als dat ik in eerste instantie had, wat me eigenlijk een beetje nerveus maakt. Ik wil zeker weten dat het geld naar de juiste personen gaat.”

Hij lijkt zich belast te voelen door deze hoeveelheid. Een man schreef hem dat hij niet veel heeft, maar dat de belofte om de hulp direct te verschaffen hem toch tot een donatie aanzette. “Hoeveel anderen hebben dat gevoel gehad, maar hebben me niet geschreven?”, vraagt hij zich af. “Ze zagen iemand die ze vertrouwden en dus doneerden ze. Mensen hebben het vertrouwen in grote organisaties verloren, maar niet in de kleine. Dus wil ik het goed doen.”

Geconfronteerd met het verspreiden van 12.900 euro aan hulp, wat genoeg is om heel Aleppo onder dekens te begraven, is hij het project aan het verbreden en de mogelijkheid tot het verstrekken van bloem aan het bekijken. Toen hij in het dorp arriveerde, wilden een aantal leiders van het Vrije Syrische Leger praten over het kopen van bloem. “Het probleem met een grote hoeveelheid geld is dat iedereen dit weet en er een deel van wil hebben,” stelt hij peinzend. 

Een gedeelte van het bloedbad na een luchtaanval op Syrische burgers.

Brood is een probleem in Syrië. De prijs van bloem is gestegen en de rijen bij de bakkerijen zijn lang, waardoor de burgers een makkelijk doelwit zijn terwijl ze wachten op hun eten. De dood van honderden mensen door twee luchtaanvallen in de week voor kerst zit nog vers in Wijbe’s geheugen—hij heeft een foto van het slagveld op z’n telefoon staan.

Ik heb onlangs in Kilis wat tijd doorgebracht met Wijbe. We gingen lunchen met een vriend van hem, die een aantal leiders van het Vrije Syrische Leger zou gaan spreken, maar Wijbe probeerde ze te vermijden. Hij is niet tegen ze, maar hij is ook geen aanhanger; in dit conflict waarin iedereen een kant heeft gekozen, weigert hij hetzelfde te doen. Ondanks z’n pogingen om een conversatie te ontwijken, werden we al snel opgeroepen. “Wat willen jullie drinken? Orders van de Kolonel.” Wijbe spartelde tegen, maar uiteindelijk dronken we shisha en thee met ze, en ging het gesprek over bloem.

Ons werd verteld dat er een fabriek in de stad is waar bloem voor een goede prijs verkocht wordt. Wijbe vroeg aan mij: “Wat is een goede prijs voor bloem? Als ik het daar koop, kan het de eigenaars van de fabriek helpen. Maar als ik het niet koop zouden ze het voor minder moeten verkopen aan de mensen die het nodig hebben.” Ik zei dat ik niks wist over de prijs van bloem, en we lachten om de belachelijke situatie.

Als 21-jarige zonder formele training of ervaring is Wijbe jong en roekeloos en begrijpt hij de gevaren niet, stellen enkele veteranen van het conflict. Wanneer je hem aan het werk ziet is het echter duidelijk dat hij zich bewust is van de gevolgen van waar hij mee bezig is. Iedere keuze wordt overwogen. Hij denkt hardop: “Als ik bloem heb, hebben zij dan wel water en zout om brood te maken? Kunnen ze het bakken?” Hij is zich bewust van de risico’s, maar ze zijn voor hem een non-issue: “Ik ben niet bang voor bommen, mortieren en artillerie,” zegt hij. Niet omdat hij onverwoestbaar is, maar omdat hij niet zou zijn teruggegaan als hij echt onvoorbereid of bang was.

Tijdens de drie dagen die ik met hem doorbracht, ging ieder gesprek over wat hij met het geld moest doen. Kilis wordt overspoeld door hulpverleners en die hebben allemaal een eigen idee: breng regelmatig voedsel, maar laat het niet verrotten. Schoenen zijn nodig. Dokters hebben lampen en medicijnen nodig in de veldziekenhuizen. Steun lokale organisaties. Kinderen hebben speelgoed en boeken nodig. Bouw een school.

Vaak ziet Wijbe er verontrust uit als hij piekert over die opties, terwijl hij zichzelf eraan herinnert dat hij het niet allemaal zelf op kan lossen. “Hou het makkelijk en geconcentreerd,” zegt hij. Je begrijpt hoe makkelijk NGO’s verstrikt raken in verstikkende lagen van administratie als je ziet hoe snel een simpel idee—dekens naar Aleppo brengen—problematisch kan worden, en er zelfs een complete stilstand kan worden overwogen wanneer de situatie niet goed geregeld is. Wijbe is ervan overtuigd dat dit niet zal gebeuren: “Mijn verhaal zal niet eindigen in het doneren van geld aan een of andere bureaucratie.”

Het enige waar iedereen in Kilis het over eens is, is dat de Syrische burgers veel hulp nodig hebben. Verder zegt Wijbe: “Ik ben gewoon een willekeurig persoon uit een willekeurig land die wat hulp levert. Ik wil gewoon de indruk geven dat men ze niet vergeten is.”

 

Reageer