©2014 VICE Media LLC

    The VICE Channels

      Ik werd er op de middelbare school van verdacht een schietpartij te beramen (deel 2 van 2) Ik werd er op de middelbare school van verdacht een schietpartij te beramen (deel 2 van 2) Ik werd er op de middelbare school van verdacht een schietpartij te beramen (deel 2 van 2)

      Ik werd er op de middelbare school van verdacht een schietpartij te beramen (deel 2 van 2)

      January 11, 2013

      Door Gina Tron

      Vervolg van deel 1:

      Er werd mij verteld dat ik emotionele problemen had en dat ik twee keer per week op bezoek moest bij de schooltherapeut. Maar ik haatte hem; hij was een neerbuigende vleier, en toen ik hem vertelde dat ik het getreiter zat was zei hij dat pesten normaal is; de pesters willen gewoon stoom afblazen. Hij zei ook dat mensen waarschijnlijk echt niet zo de pik op me hebben als ik dacht. Toen ik zijn kantoor uitliep noemden twee mensen me recht voor z’n neus een psychopaat.
       
      M’n ouders stuurden me uiteindelijk naar een psychiater in een naburig dorpje, maar dit was niet echt een verbetering. Zij wilde helemaal niks horen over mijn ervaringen en het enige dat ze te zeggen had over de hele situatie was dat ze erover op het nieuws had gehoord. Ze struinde altijd een beetje door haar kamer wanneer ik er was, en het enige waar ze over wilde praten was het feit dat ik duidelijk depressief was. Ze schreef me Luvox voor, wat hetzelfde medicijn is dat Eric Harris gebruikte toen hij wapens aan het verzamelen was voor de schietpartij op Columbine. Ik vertelde haar dat ik niet dacht dat ik depressief was, maar dat ik van nature juist een optimistisch persoon was. Kijkend naar mijn zwarte nagellak verzekerde ze me dat het een depressie was.
       
      Ik reageerde slecht op Luvox; ik kon er niet van slapen. Wanneer ik wel kon slapen, hallucineerde ik vijf minuten lang als ik wakker werd. Toen gaven ze me Prozac, wat ik vervolgens weer inwisselde voor Zoloft, aangezien de reacties hetzelfde waren. Ik denk nu nog steeds niet dat ik depressief was. Ik zou best een soort angstaandoening kunnen hebben gehad, maar de medicijnen maakten het in elk geval alleen maar erger. Ik piekerde overal over, en had minder controle over mezelf.
       
      Uit mijn dagboek, geschreven op 17 oktober 1999:
       
      “Ik ben vandaag van school gevlucht. Ik heb geen flauw idee wat er gebeurd is. Ik werd duizelig en het voelde alsof ik moest kotsen. Ik ging in m’n auto zitten en begon te rijden maar moest stoppen om over te geven. Toen ben ik terug naar school gegaan en was ik opeens vergeten dat dit gebeurd was. Ik heb het idee dat ik niet normaal meer kan nadenken.”
       
      Het probleem was dat mijn leven heel intens was geworden, en dat ik hier echt met niemand over kon praten. Ik was er zeker van dat iedereen het heerlijk vond om over me en niet met me te praten. Ik raakte steeds meer geïsoleerd. Mijn laatste schooljaar begon en ik kwam sommige lessen niet in omdat de docenten of leerlingen bang voor me waren. Dat waren zo ongeveer alle lessen. Vooral de docente maatschappijleer walgde van me: ik mocht haar les volgen maar ze weigerde met me te praten. Ze had aan een aantal van mijn klasgenoten en docenten verteld dat ik nergens in de maatschappij terecht kon, dat ik hier nooit zou functioneren en dat ik waarschijnlijk al dood zou zijn voordat ik kon gaan studeren. Vroeger noemde ze me nog ‘begaafd’, maar nu was ik een monster. Ik stopte met haar vak en schreef me in voor een ander.
       
      Uit mijn dagboek, geschreven op 3 november:
      “Ik ben zo boos. Vandaag heeft een docent aan mijn ouders verteld dat sommige leraren kwaadspreken over mij. Toen ik had geprobeerd om me voor zijn vak in te schrijven vertelden ze hem dat hij niet wist waar hij aan begon en dat ik geestelijk gestoord was. De leraren zijn geen haar beter dan de leerlingen. Deze docent luisterde gelukkig niet naar ze. Hij zei dat ik de beste leerling van de klas was, wat op zich logisch was, aangezien niemand anders zich ervoor interesseerde. Ik wil dit jaar gewoon doorkomen zonder gezeik, maar ik wil ook wraak nemen.”
       
      M’n ouders zeiden dat ik van school mocht, maar dat wilde ik niet. Dat zou voelen als een schuldbekentenis. Ook voelde ik me vreemd genoeg nog verbonden met de school en met de mensen met wie ik opgroeide; ik wilde niet helemaal opnieuw beginnen. Daarbij: waarom zou ik opnieuw beginnen terwijl ik ook met mijn nieuwe reputatie van potentieel moordlustige maniak kan spelen? Het was op een krankzinnige manier bevrijdend; ik kon doen wat ik wilde, er was niks meer wat ik kon doen om een nog slechter imago te krijgen.
       
      En dus begon ik me steeds vreemder te kleden en raarder te gedragen. Ik had het idee dat het verhogen van de inzet de enige oplossing was met de kaarten die ik uitgedeeld had gekregen. Ik wilde een overdreven en gemenere versie van mezelf worden. Ik was het zat om steeds maar te proberen de schade te beperken, dus ik dacht dat ik ze dan net zo goed zou kunnen geven wat ze wilden. Alles wat ik deed veroorzaakte een schandaal; ik hoefde me alleen maar te laten zien op schoolactiviteiten en mensen waren zichtbaar geschokt. Ik was een keer ’n kwartiertje aanwezig op een formeel dansfeest, gekleed in ’n zilveren minirokje, en dat zorgde weer voor wekenlange roddels. Ik voelde me een beroemdheid. Op een ouderavond werd er zelfs overwogen om mij te verbieden op buitenschoolse activiteiten aanwezig te zijn.
       
      Ik zocht de grenzen op van wat ik kon maken en ging van het negeren van mensen door op het afscheuren van posters als een poging tot intimidatie. Soms achtervolgde ik weleens mensen, en ze renden altijd weg. Dat was grappig. Als jullie een psychopaat willen dan kunnen jullie die krijgen ook. Dat was mijn manier van denken, en het werd een soort spel voor me.
       
      Ik begon steeds haatdragender te worden en me emotioneel slecht te voelen. Ik droomde dat Columbine-schutter Dylen Klebold me opbelde, en ook over een dodelijke onweersbui in de gymzaal.
       
      Uit mijn dagboek, geschreven op 19 november:
      “Vannacht had ik weer een droom over mensen die doodgingen door de bliksem, maar het was nu op school in plaats van op het eindfeest. Ik hoorde mensen schreeuwen toen ze doodgingen, maar er was ook een vreselijk lawaai dat klonk als de raptors in Jurassic Park.”
       
      Ik kon me in geen enkel personage in films of op tv meer inleven, omdat ik ervan uitging dat ze me allemaal zouden verafschuwen wanneer ze me tegen zouden komen. Ik begon me te identificeren met andere schoolschutters: niet omdat ik mensen wilde vermoorden, maar omdat ik dacht dat hun levens de enige levens waren die ik met het mijne kon vergelijken. Ik voelde me als Carrie, van de film. Voordat ze iedereen op het feest had vermoord, had ze het idee dat de hele menigte haar uitlachte. Maar er waren eigenlijk maar een paar mensen die haar pestten, en de anderen vonden dat ook vreselijk. Haar hele wereld en manier van kijken waren verstoord, net zoals die van mij. Ik was getransformeerd van een gemartelde in een soort martelaar, en begon ook echt gek te worden. Ik had zelfs “Ik ben god” op m’n afstudeerhoed geschreven.
       
      Ik begon me pas geaccepteerd te voelen toen ik begon met studeren (ik denk dat meer ‘vreemde’ mensen dit wel herkennen). De meeste mensen die ik vroeger kende vinden het nu moeilijk om met me te praten over dit hele gebeuren. Ik begon er laatst over tegen een aantal oud-klasgenoten en het was vreselijk. “Dat weet ik niet meer,” zei een meisje, om na een paar biertjes toe te geven dat ze het allemaal nog wist. “Hoe kan iemand nou zoiets vergeten?”, zei ze. “Ik wilde je gewoon niet kwetsen.”
       
      Dit vreselijke jaar van mijn leven voelde alsof ik emotioneel gezien ergens terecht was gekomen waar geen ontsnappen aan mogelijk was. Zoals een junk zich aanpast aan de drugs, was ik verslaafd geraakt aan aandacht en ik had daar nu te veel van nodig om me normaal te voelen. En ik koesterde een diep verlangen naar wraak. Geen schietpartijachtige vorm van wraak, maar ik had de drang om iets te bewijzen, ik wist alleen niet wat en aan wie.
       
      Ik had door deze ervaring een tipje van de sluier gekregen van het beruchte imago dat iemand krijgt wanneer zij iets slechts doen, en nog beangstigender: ik had misschien zelfs een idee gekregen van wat de echte schutters motiveerde. Wanneer je vastzit in een wanhopige routine, klinkt de rol van superschurk verleidelijk, vreemd genoeg.
       
      Gina Tron schrijft voor Ladygunn Magazine, is creatief directeur van het Williamsburg Fashion Weekend en hoofdredacteur van het bijbehorende magazine. Ze tekent graag morbide stripverhalen en heeft een aantal van haar korte verhalen gepubliceerd. Ze is momenteel een nieuw boek aan het afronden.

      Comments