Kalasjnikovs, oud brood en kindertekeningen van schietende helikopters

door Lennart Hofman

Mannen met zwarte vlaggen en Kalasjnikovs hangen verveeld rond gammele checkpoints. Pick-ups met enorme wapens erop halen ons zigzaggend in. We zijn op weg naar een door het Vrije Syrische Leger opgezet vluchtelingenkamp in de buurt van Atima, een dorpje ten westen van brandhaard Aleppo. Door het raam zie ik de eerste bomkraters en kapotgeschoten grenskantoortjes. 

Een maand eerder had ik aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam mijn diploma journalistiek behaald. Vanaf dat moment wilde ik nog maar één ding: naar Syrië. Via een kennis kreeg ik een telefoonnummer van iemand in Turkije die me de Turks-Syrische grens over kon smok- kelen. Daarna zou hij me naar een vluchtelingenkamp in bevrijd Syrisch gebied brengen. Ik strikte een vriend die fotograaf was om mee te gaan en kocht een goedkoop ticket naar de Turkse badplaats Antalya. Van daaruit namen we de bus naar Antakya, waar we in een hotel ons contact zouden ontmoeten. 

In de lobby van het hotel zat een jong meisje met een hoofddoek om met haar iPhone te spelen. Toen ze me zag stak ze haar hand uit en zei ze: “Ik ben Noma.” Ze keek me met twinkelende ogen aan. “Ga jij ons naar Syrië brengen?”, vroeg ik ongelovig. Ze lachte, en zei zo zelfverzekerd mogelijk: “Ja, wie anders?” Het bleef even stil. Daarna begon ze weer te praten. Voor de oorlog was ze lerares Engels op een basisschool in Syrië, nu loodste ze dagelijks journalisten de oorlog in. Ik hoefde niet bang te zijn, want de grens was sinds kort weer gewoon open. 

De volgende dag stonden we voor een gesloten grenspost en vroeg Noma lachend: “You want to go the illegal way?” We hadden geen andere keus, dus reden we honderd meter terug en stapten we uit bij een olijfboomgaard. Vanaf daar zouden we over de berg rennen die ons nu nog scheidde van onze eerste oorlog. Een jongetje van een jaar of twaalf liep voor ons uit en riep na honderd meter: “Now you run sir! Run!” Als de grenswachten ons zouden zien zouden ze ons neerschieten. Misschien lagen er landmijnen. Ik rende sneller dan ooit. Als ik boven op de berg stond, zou ik Syrië zien. 

We werden opgewacht door een groepje strijders van het Vrije Syrische Leger, die ons lachend op onze bezwete schouders sloegen. Ze duwden ons een oude ziekenwagen in en we reden vol gas naar het kamp, waar we nu zijn aangekomen. 

Het eerste wat ik zie is een enorme berg oud brood, omgeven door honderden vliegen. Daarachter rennen tientallen kinderen rond een oude tent. Onder een olijf- boom zit een oude man op een plastic tapijt. Hij kijkt ons verbaasd aan. Het is stoffig en heet. 

De tenten in het kamp worden bewoond door een kleine vijfduizend vluchtelingen uit kapotgeschoten steden als Homs, Hama en Idlib, legt Noma uit. Internationale hulp is afwezig en er is een constante angst voor luchtaanvallen door het Syrische leger. Met uitzondering van een paar jongens met Kalasjnikovs is er niets te zien van enige organisatie. Overal rennen kinderen die constant peacetekens maken met hun vingers en roepen: “Hello mister, how arrrrr you?” 

Ik ga naast de oude man op het tapijt zitten. In het Arabisch somt hij zijn zorgen op. Er is een gebrek aan voed- sel en water. De tenten zijn niet bestand tegen regen en kou. Brandstof en winterkleding zijn er niet. Een groep vrouwen in gekleurde gewaden maakt gebaren en geluiden die op ontploffingen lijken. Hun huizen zijn vernietigd en enkele familieleden zijn dood. Er wordt een ziek kind binnenge- bracht, net als een baby in een klein bedje. We knikken, filmen en fotograferen, en ik schrijf zo veel mogelijk op. 

Na een half uur lopen we verder het kamp in. Ik ga met Noma op zoek naar jongeren. De fotograaf gaat zijn eigen weg. Omringd door kinderen verdwijnt hij tussen de olijfbomen. De jongeren die ik spreek missen allemaal hun vrienden. Een enkeling heeft een familielid verloren. Onder een olijfboom staat een jonge vrouw, omringd door een groep kinderen. Ze laat hen tekenen wat ze hebben meegemaakt. Op iedere kindertekening staat wel een tank, een brandend huis of een schietende helikopter. De kinderen die opkijken van hun werk heb- ben een doffe blik in hun ogen. Voor het eerst voel ik een vreemd gevoel van angst door mijn lichaam gaan. 

Niet veel later trekt de fotograaf aan mijn arm en zegt hij hijgend: “We moeten weg.” Twee jongens met een Kalasjnikov dwongen hem een auto in. Hij denkt dat ze hem wilden gijzelen. De twee daders kijken me schaapachtig aan. Ze zijn amper zestien jaar oud. Ik wil ze interviewen, maar zij willen niet. Onze chauffeur stelt voor dat we hem gaan interviewen in zijn huis. Hij is immers ook een strijder. We doen alsof dit ons een goed idee lijkt en stappen de ziekenwagen weer in. 

Er worden talloze peacetekenvingertjes tegen de ramen gedrukt. De kinderen vragen nog steeds in hun gebrekkige Engels hoe het met me gaat. Een paar minuten later rijden we een asfaltweg op en zijn zij en het kamp uit het zicht verdwenen. De jongeren lopen waarschijnlijk weer doelloos door het stoffige kamp, net als de rest van de dag. Maar het kladblok met hun verhalen zit veilig in mijn broekzak. 

KHALED MOHAMMAD HALAF (23)

Khaled ontvluchtte in september zijn dorp Kafr Zita, een half uur rijden van de zwaar getroffen stad Hama. De bombarde- menten en beschietingen in zijn dorp maakten het te gevaarlijk om te blijven. Nu woont hij in het kamp en droomt hij over zijn vermoorde vriend.

“In de herfst van 2011 werd het huis van mijn vriend getroffen door een vat met explosieven die de Syrische luchtmacht op zijn huis had gegooid. We droegen de lichamen van de slachtoffers naar buiten, maar ik zag niet goed wie het waren. Mijn vriend had lang haar, de lichamen die we droegen hadden dat niet.

Toen ik goed keek herkende ik hem ineens. Het was mijn vriend, maar zijn lichaam was zo zwaar verminkt dat ik hem eerst niet herkende. Ik heb daar nog steeds nachtmerries van.

Het liefst zou ik willen dat deze ellende nooit was begonnen. Ik studeerde hard om netwerkbeheerder te worden en was bijna klaar, maar door de oorlog moest ik een jaar geleden gedwongen stoppen. Mijn grote hobby was koken. Ik mis mijn huis, mijn vrienden en mijn studie. Ik wil terug naar die tijd, maar ik weet dat die nooit meer terugkomt. Het leven dat ik had is voor altijd over.

Nu woon ik in een tent. Overdag ben ik alleen maar bezig met het zeker stellen van dagelijkse noodzakelijkheden voor mijn familie, zoals brandhout en water. Dat ben ik helemaal zat. Ik wil hier zo snel mogelijk weg om mee te vechten tegen het leger van Assad. Ik heb me al aangemeld bij het Vrije Syrische Leger, maar ik heb nog niet gevochten. Mijn naam staat wel al op de lijst.” 

AHMED AL SHAIK (19)

Ahmed en zijn familie vluchtten weg uit de stad Idlib toen het huis waar ze woonden werd aangevallen door de Syrische luchtmacht. Nu woont hij in het kamp en wacht hij tot hij oud genoeg is om mee te mogen vechten met het Vrije Syrische Leger.

“Precies 55 dagen geleden verliet ik mijn geboortestad Idlib. Het huis waar ik woonde werd gebombardeerd door vliegtui- gen van het leger. Veel mensen uit mijn stad stierven. Het was simpelweg te gevaarlijk om te blijven. Daarom leef ik nu in dit kamp, maar ik verveel me. Ik kan hier niets doen, dus hang ik maar wat rond. Om de tijd te doden luister ik naar muziek van Qashoush. Dat is revolutionaire muziek.

Het is saai hier, maar het is tenminste veilig. Mijn vrienden leven gelukkig nog, maar ze zijn allemaal vertrokken uit Idlib. De ene helft woont in Turkije, de andere helft is nog in Syrië. Toen ik nog in Idlib woonde, voetbalden we vaak samen en deden we kaartspelletjes. Dat leven mis ik iedere dag. Ik wil naar huis, maar kan nog niet terug. Dat wil ik eigenlijk ook niet. Waar ik vandaan kom is het nu dus echt absoluut niet veilig meer.

Over een paar maanden zal ik meevechten met het Vrije Syrische Leger. Ik ben al bij ze langsgegaan om me aan te bieden, maar ze vertelden me dat ik moet wachten tot ik twintig ben. Dat duurt nog een klein half jaar. Maar ik weet zeker dat ik een goede strijder zal zijn.Bang om te vechten ben ik niet en ik weet hoe een geweer werkt. Op een dag hoop ik martelaar te worden.” 

SAFA FAKI (23)

Safa komt uit Aleppo, waar ze aan de kleinkunstacademie studeerde. In juli vluchtte ze met haar familie naar hun zomerhuisje in het dorp naast het kamp. Ze bezoekt het kamp om de dag, om de vijfhonderd kinderen die daar leven te laten tekenen en schilderen. Van haar eigen geld kocht ze verf, stiften en papier.

“Het is belangrijk dat de kinderen hun emoties uiten en hun gevoel voor kunst niet kwijtraken. Daarom laat ik ze tekenen wat ze meegemaakt hebben. Mijn vrienden lachen om mij omdat ze denken dat ik er niets mee uithaal en omdat ik er geen geld voor krijg. Maar ik geloof in de taal van zelfexpressie. Ik wil niets liever dan de kinderen op deze manier helpen. Daarom blijf ik in Syrië, ook al ben ik altijd bang om hier te sterven. Door de winter hebben de mensen in het kamp het nog moeilijker dan het al was. Daar maak ik me zorgen om. Er zijn te weinig dekens, er is een gebrek aan voedsel en brandstof en de tenten zijn koud. Ik geef niets om politieke ideeën, en over wat er nu aan de hand is in Syrië weet ik ook niet alles, maar wat ik wel weet is dat Syrië hulp nodig heeft. De wereld moet helpen, zo snel mogelijk. Anders wordt het nog erger.

De meesten van mijn vrienden en familieleden hebben hun huizen in Aleppo verlaten. Ook ik kan niet terug naar huis. Dat doet me pijn. Ik mis mijn kamer, mijn herinneringen, mijn schilderijen en mijn studie. Thuis tekende ik altijd en genoot ik van kunst. Het liefst sprak ik af met mijn vrienden en ontmoette ik nieuwe mensen. Nu vechten mijn vrienden in het Vrije Syrische Leger. Ik mis ze en ben bang dat ze iets overkomt.” 

AHMED HOSHAN (15)

Ahmed komt uit Kafr Zita, een dorpje in de buurt van de stad Hama. De Syrische luchtmacht bombardeerde het dorp met vaten explosieven en dwong hem en zijn familie te vluchten naar het kamp. Daar verveelt hij zich, en doet hij klusjes om nog een beetje van nut te kunnen zijn. Hij is bang dat hij zijn toekomst verliest. Hij wil dat de oorlog stopt, zodat alles weer wordt als vroeger.

“Ik zat op school toen ik nog in Kafr Zita woonde. Overdag voetbalde ik met vrienden of hing ik met hen rond op straat. Toen de oorlog begon werd ons dorp al geregeld onder vuur genomen door het leger, maar in september werd dit erger. Er kwamen steeds vliegtuigen overvliegen die vaten explosieven op de huizen gooiden en alles vernietigden. Veel mensen gingen dood, ook kleine kinderen.

Mijn familie besloot te vluchten. Het was te gevaarlijk om te blijven, zeiden ze. We reden vijf uur met de auto tot we bij het kamp waren. Nu leven we met z’n twaalven in een tent. ’s Nachts is het heel erg koud. Een week geleden regende het zelfs zo hard dat veel mensen weggingen. Ik ben bang voor de modder en de kou, en wil weer naar huis.

Het leven in het kamp is niet leuk. Ik kan er niets doen en verveel me. De hele dag zoek ik brandhout voor mijn familie, zodat ze kunnen koken. Vechten wil ik niet. Mijn familie wil dat ook niet. Het enige wat ik wil is dat de oorlog over is zodat ik kan terugkeren naar mijn dorp en mijn vrienden. Ik ben bang dat ik hier mijn toekomst verlies.” 

Reageer