We kwamen in Syrië een elfjarige kindsoldaat tegen

door Glen Johnson

Mohammed Afar is niet veel langer dan de AK-47 die hij bij zich draagt.

Over z’n verwassen gele jasje draagt hij een vest van het Vrije Syrische Leger. In de zakken zitten drie extra magazijnen—elk gevuld met dertig patronen—en een walkietalkie. Op de rechterkant van zijn borst is een badge van het Vrije Syrische Leger genaaid; op de linkerkant staat in Arabische letters de tekst van de islamitische sjahada.
 
“Ik wil blijven vechten tot Bashar dood is,” zegt de elfjarige Mohammed Afar over de Syrische president Bashar al-Assad. Hij zegt dat hij school niet mist, en niet thuis wil blijven bij zijn moeder en twee zussen. De strijders die om hem heen staan (en zeggen van de Liwa al-Tawhid-militie te zijn) overhandigen hem hun scherpschuttergeweer en bieden aan ons naar de frontlinie te brengen, zodat hij z’n schietkunsten aan me kan vertonen. “Hij is een goede schutter,” zegt z’n vader Mohammed Saleh Afar. “Hij is mijn kleine leeuw.”
 
De kinderen van Syrië lijden zwaar onder het conflict tussen de regering en de gewapende opstandelingen, dat al 21 maanden duurt. Naast de gevaren van dagelijkse bombardementen, luchtaanvallen en sluipschutters, lopen Syrische kinderen ook een groot risico op willekeurige arrestatie, marteling en verkrachting. Dit berichtte de VN-onderzoekscommissie voor Syrië in augustus, in een rapport dat ook meldde dat kinderen onder de achttien jaar “vechten met en ondersteunende taken uitvoeren voor gewapende anti-regeringsmilities”.
 
De Verdragen van Genève en het VN-verdrag inzake de rechten van het kind bevatten beide regels tegen het inzetten van soldaten van jonger dan vijftien. Volgens het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof is dit officieel een oorlogsmisdaad.
 
Mohammed koppelt razendsnel het magazijn los, laat het zien, en plaatst het daarna vakkundig terug in het geweer zonder de eerste ronde te laden. De oudere strijders—sommigen niet veel ouder dan Mohammed—prijzen z’n snelheid en beamen dat hij een goede schutter is.
 
Mohammed is een groot bewonderaar van de Jabhat al-Nusra-militie: een groep strikte islamieten die de takfiristroming aanhangen en door de VS bestempeld wordt als terroristische organisatie. Al-Nusra heeft de afgelopen maanden bewezen een effectieve strijdgroep te zijn, wat hen veel aanhangers heeft opgeleverd.
 
Een groot deel van de al-Nusra-strijders verdienden hun strepen aan andere fronten van de wereldwijde jihad, zoals Irak en Afghanistan, maar ook in Centraal-Azië en het Midden-Oosten.  
De opkomst van al-Nusra heeft de oppositie een onmiskenbaar islamitisch kleurtje gegeven, en  draagt bij aan de groeiende angst voor een uitbraak van sektarisch geweld zodra het regime van Assad valt. In Syrië wonen soennieten, alevieten, druzen, christenen en jezieden. 
 
“[Jabhat al-Nusra] kent de islam en sharia. Zij weten wat het betekent om moslim te zijn,” zegt Mohammed. Mohammed staat in een kronkelend steegje in het oude gedeelte van Aleppo. Over de knallen van scherpschuttergeweren heen klinkt het spookachtige gehuil van een overvliegend gevechtsvliegtuig van Assad.
 
De verwoesting in het gebied is groot. Nadat de rebellen in juli Aleppo binnendrongen, zette Assad de tactiek van de verschroeide aarde in. Hierdoor werd hij steeds meer afhankelijk van gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters, waarmee hij een vaak blinde oorlog vanuit de lucht voert.
De straten zijn uitgestorven, op een paar zwerfkatten na, die tussen de hopen rottend afval zoeken naar iets eetbaars.
 
Veel gebouwen missen een hele gevel. Uitgebrande schoolbussen blokkeren de straten en bieden dekking tegen sluipschutters. Ver van waar Mohammed staat, in de gemengde Koerdisch-Arabische buurt Bustan Basha, vinden zware gevechten plaats.
 
“Als m’n vader naar de frontlinie gaat, ga ik mee,” zegt Mohammed. “Hij zegt dat ik voorzichtig moet zijn, en we zoeken een veilige plaats vanwaar we kunnen schieten.”
Volgens het rapport van de Human Rights Watch dat in november verscheen, gebruiken sommige van de oppositiegroepen die in Syrië vechten kinderen voor “gevechten en andere militaire doelen”.
 
“Zelfs als kinderen vrijwillig aanbieden om mee te vechten, hebben commandanten de verantwoordelijkheid ze te beschermen door ze te weigeren,” stelt kinderspecialist Priyanka Motaparthy in het rapport.
 
“Kinderen kunnen makkelijk beïnvloed worden door oudere familieleden en vrienden, maar als ze deelnemen aan een gewapende strijd lopen ze het gevaar gedood, blijvend verminkt of zwaar getraumatiseerd te worden.”
 
Maar Mohammeds vader—met een lange, grijze baard, in de stijl die geliefd is bij conservatieve salafisten—vindt dat er niets mis is met de deelname van zijn zoon aan de strijd. “Ik vertrouw op God,” zegt hij.
 
De andere leden van de groep zijn het met hem eens. Volgens hen loopt de elfjarige geen gevaar, en wordt hij nooit meegenomen naar frontlinies die te gevaarlijk zijn. “Andere jongens vechten ook mee,” zegt Mohammed. “Een paar, maar niet zo veel.”
Hij laat een beetje onhandig het geweer zien dat hij van z’n vader heeft gekregen. Daarna neemt hij een meer zelfverzekerde pose aan, houdt hij het wapen op heuphoogte, en doet hij alsof hij schiet.

Reageer