Vijf dingen die ik heb geleerd van mijn eerste doodsbedreiging

door Sidney Vollmer

 
 
Toen ik zestien was kreeg ik eens een stomp op mijn achterhoofd. In de Scheveningse McDonald’s werden mijn Airwalks niet getolereerd door de gabbers die, eerlijk is eerlijk, in heerlijk glimmende bomberjacks waren gestoken. Vorige maand was ik weer die bedremmelde puber. Opnieuw kreeg ik een stomp. Ik droeg geen Airwalks. Ik droeg een boxershort. Dit keer was de loshandige een man van 77. Zijn naam is Vloet. Hier kun je meer over hem lezen. Of hier. Doe maar even. Te lui? De 77-jarige man smeerde in één van zijn huizen zijn eigen stront tegen de muren van de woonkamer. In een ander huis molesteerde hij een meisje.
 
Dit soort mannen bestaat dus. Zestig jaar terug zou hij een kampcommandant zijn geweest—mits het hem wat opleverde natuurlijk. Vandaag moet hij in de Utrechtse meervoudige politiekamer voorkomen voor mishandeling, bedreiging, huisvredebreuk en nog wat andere zaken. Mede dankzij de aangiftes van mij en mijn huisgenoot.
 
Aanleiding voor dit alles was een bericht van een advocaat van Stedin, het bedrijf dat je gas en stroom vervoert. Wij zouden afgesloten worden, net als al zijn huizen, omdat Vloet zijn rekeningen niet betaalde. Eén van mijn vijf huisgenoten schreef hem een briefje: “Kunt u ervoor zorgen dat we gas en elektra behouden?” Ook ik sprak hem erop aan. Met veel ge-‘u’ en ge-‘meneer’: dat werkte de afgelopen jaren het beste.
 
Hij hield zich van de domme, en begon weer met valse vleierij, over mijn roman. Ik vertelde over de naderende winter. De stemming sloeg om. Hij noemde me een leugenaar en zou zo wel even terugkomen met betaalbewijzen. “Dat hoeft niet,” zei ik, “ik wil hier gewoon wonen, zonder problemen, zonder kou.”
 
Een uur later. Ik sta op het punt te gaan douchen: ik was naakt, op mijn boxershort na. Hij klopt op de deur. Ik reageer niet. Hij duwt mijn kamerdeur open. Ik sla een handdoek om en probeer mijn deur weer dicht te duwen. “Blijf uit mijn kamer,” zeg ik. Hij duwt terug, worstelt zich naar binnen, duwt mij, wijst schreeuwend op de rekeningafschriften in zijn hand, stompt me op mijn neus. Ik was een leugenaar en hij zou me gaan omleggen, blafte hij. Dat had hij al bij meer mensen gedaan. Ik was de volgende. Begreep ik dat?
 
Nu weet ik wat je denkt. Een vent van 77 duw je toch even over zijn rollator? Maar ik was overrompeld; ik was een 16-jarige jochie van 29 en kon niets anders uitbrengen dan een verbaasd “Hij sláát mij!” tegenover het huisgenootje dat op zijn maniakale geschreeuw was afgekomen.
 
In vijf jaar huren heb ik Vloet natuurlijk te pas en te onpas ons huis binnen zien komen. Hij neemt weleens post mee. Hij heeft een vroegere huisgenote eens aangerand. Hij is de vader van een andere huisgenoot op gaan zoeken toen na opzegging van het huurcontract de sleutel van de jongen niet te vinden was. Stelselmatig weigerde hij reparaties uit te voeren. Maar soit, echte terreur bleef ons bespaard: bij ons geen stront aan de muren, niemand van de trap geduwd, geen rare klusjesmannen in huis. Noch is hij er zelf gaan wonen. Onze ervaringen vielen mee. Tot vorige maand, dus.
 
Een uur na mij te hebben geslagen en bedreigd kwam hij weer langs. Mijn huisgenootje was alleen thuis. Ze werd in de hoek van haar kamer gezet. Hij begon in haar gezicht te schreeuwen. Hij zou haar het raam uitgooien, haar spullen erachteraan. Ze was een minderwaardig mens, een gore slet.
 
Die avond sliep zij ergens anders. Ik ook. Wij besloten daar niet meer te willen wonen. Net als de andere huisgenoten. We hebben aangifte gedaan van mishandeling, bedreiging en huisvredebreuk. Het was een pittige maand.
 
Ik leerde deze vijf dingen:
 
1. Ik dacht dat het psychopathische van mensen mettertijd zou wegslijten. Dat je, de tachtig naderend, milder gestemd zou raken. Naïef van me, natuurlijk. Maar come on, de man heeft dertig panden. Hij is multimiljonair! Waarom dan nog de gierigheid, de rancune? Kennelijk is het nooit genoeg.
 
2. We klagen vaak over ‘het systeem’. Maar dit keer werkte het. De gemeente Utrecht en de SSH verdienen dikke pluimen voor de geboden raad en daad. Binnen enkele dagen na de confrontatie was er (tijdelijke) woonruimte voor ons. Bovendien heeft wethouder Isabella me verteld nog lang niet klaar te zijn met Vloet. Of met andere huisjesmelkers. +1 dus, voor hem en de zijnen.
 
3. Nog dezelfde dag had ik een andere (tijdelijke) woonplek. Eens te meer realiseerde ik me hoe belangrijk vrienden zijn. (Je weet wie je bent. DANK JE.)
 
4. In tegenstelling tot de gemeente was de houding van de politie niet ideaal. Prettig was dat ze Scrooge oppakten. Maar vlak na de aangifte werd eerdergenoemd huisgenootje tientallen keren per dag gebeld door een privénummer. Telefoonterreur van Oberstormbahnführer Vloet? Het bleek de politie te zijn. Ze waren de aangifte kwijtgeraakt. Had zij misschien nog een kopie?
 
5. Twee pagina’s in de Volkskrant, meerdere in AD/Utrechts Nieuwsblad, een item op WNL, dit stukje op VICE, eerder op GeenStijl: Scrooge maakt wat los. Misschien is jouw huisbaas minder extreem. Maar toch: tussen de boxershortconfrontatie & de zitting van vandaag zat ongeveer een maand. Mocht je dus net als wij last hebben van een hufterige huisbaas: durf die shit de fan te laten hitten. Ze zijn aan te pakken. Ook als je niet durft terug te slaan.
 
En Vloet? De man zal veroordeeld worden en na zo’n drie maanden weer worden vrijgelaten. Hij zal niet veranderen. Hij zal zo’n 119 worden. Het zij zo. Het is niet onopgemerkt gebleven. 
 

Reageer