gezondheid

De hel waar je doorheen gaat als je (bijna) niets lust

Moeilijk eten wordt sinds kort als eetstoornis erkend en ARFID genoemd.

door Anya Jaremko-Greenwold; illustraties door Na Yon Cho
21 februari 2019, 8:15am

In mijn jongere jaren bestond mijn avondeten bijna iedere dag uit niets anders dan spaghetti uit blik. Nu ik dit typ, loopt het water me alweer in de mond. Hoewel ik diep vanbinnen ook wel weet dat dit spul niet zo gezond is, verlang ik vaak nog terug naar die papperige pastaslierten, zoute gehaktballen en onnatuurlijke ketchupsaus die me in mijn jeugd zo vaak hebben getroost.


Mis nooit meer iets van VICE: schrijf je in voor onze wekelijkse newsletter.


Mijn moeder probeerde me weleens voor de gek te houden, door stiekem echte gehaktballen aan de spaghettisaus toe te voegen. Maar ik had haar altijd door. Ondanks haar wanhopige pogingen om me iets anders te laten eten, pikten mijn neus en smaakpapillen meteen de kleine verschillen eruit die het gerecht van mijn moeder zoveel minder lekker maakten dan de blikversie. Naast spaghetti uit blik, hield ik ook van kant-en-klare noedelsoep en hotdogs (maar dan wel zonder dat kleffe witte broodje). Fruit en groenten kreeg je daarentegen op geen enkele manier bij me naar binnen. En dat was niet het enige.

Ik was een Moeilijke Eter. Dat ben ik eigenlijk nog steeds – hoewel ik er wel wat op vooruit ben gegaan. Ik ben er in ieder geval nooit zo slecht aan toe geweest als die arme gevallen in Freaky Eaters, een Brits tv-programma over mensen die verslaafd zijn aan ahornsiroop of niets anders eten dan rauw vlees.

Vroeger kon ik best een pizza wegkrijgen, maar alleen als er geen toppings op zaten. En ik hield van kaas, maar dan enkel van de zachte boerenkaas die mijn moeder speciaal voor mij moest bestellen. Ik was ook dol op brood, maar dan wel op een speciale soort die je hier niet zomaar kon kopen. Ik ontdekte dat brood tijdens een familie-uitje in Florida, waarna mijn opa en oma eens in de paar maanden de benodigde rogge onze kant opstuurden.

Het enige ‘gezonde’ voedsel dat ik lekker vond, waren geschilde appels en maïskolven. Alles met zaden, noten of andere mysterieuze ingrediënten was per definitie uitgesloten. Alles waar pitten in zitten die je moet uitspugen (zoals kersen) en de slijmerige, sappige textuur van het meeste fruit was een hel voor mijn gevoelige zintuigen. Druiven waren in mijn ogen het grootste kwaad op aarde. Die glibberige binnenkant, de ranken waar ze in trossen aan bungelen en het feit dat ze spontaan op de grond kunnen rollen om door een schoen geplet te worden – het was me allemaal te walgelijk voor woorden.

Er is veel onderzoek gedaan naar moeilijk etende kinderen. Iedereen weet dat de meeste kinderen weigeren hun broccoli op te eten, maar we gaan ervan uit dat ze daar uiteindelijk wel overheen groeien. Wanneer je als volwassene een moeilijke eter bent, is de kans daarentegen een stuk groter dat je als klein kind wordt gezien, of te horen krijgt dat je je niet zo moet aanstellen.

Toch is het echt niet zo dat we niet avontuurlijk zijn aangelegd (zoals zelfingenomen fijnproevers meestal denken). Het probleem is dat veel voedingsmiddelen voor ons zo onsmakelijk ruiken, smaken of eruitzien, dat het ons er vaak van weerhoudt om buiten onze comfortzones te treden. Gelukkig wordt er sinds een aantal jaar openlijker gesproken over hoe het is om als volwassene een kieskeurige eter te zijn. Inmiddels staat deze aandoening bekend als ARFID, wat staat voor Avoidant/Restrictive Food Intake Disorder, en wordt het zelfs formeel erkend als eetstoornis. De stoornis kan uiteenlopende oorzaken hebben, van obsessief-compulsieve neigingen tot een sterke gevoeligheid voor bepaalde smaken en prikkels. Het lijkt ook erkend te worden door restaurants, die steeds vaker bereid zijn om aan onze voorkeuren tegemoet te komen.

Desondanks kunnen programma’s zoals Parts Unknown van Anthony Bourdain je het idee geven dat je pas een werelds persoon bent wanneer je de meest exotische smaken hebt geproefd. Ik zou zelfs durven zeggen dat veel kieskeurige eters zich nu meer schamen dan ooit tevoren, aangezien we nooit eerder zo bewust met ons voedsel om zijn gegaan. Als je net als ik niets lust, is het verstandiger om daar maar gewoon je mond over te houden. Niemand heeft er namelijk zin in om uitgemaakt te worden voor moeilijk, koppig of lui.

We stellen al vaak genoeg onze vrienden teleur als we zeggen dat we liever niet bij die ene fantastische Vietnamese tent willen eten, of als we weer eens smoesjes verzinnen om maar niet voor ze te hoeven koken. Want nee, koken is absoluut geen hobby van me. Ik vind het walgelijk om rauw voedsel aan te raken en word ook niet bepaald enthousiast van het idee dat ik loop te zwoegen voor iets dat ik uiteindelijk toch wel vies ga vinden. Vandaar dat ik dezelfde paar gerechten die ik nog wél net te doen vind, keer op keer voor mezelf bereid. Ze zeggen dat de liefde van de man door de maag gaat, maar bij mij zul je toch echt wat anders moeten verzinnen.

1510953307116-PickyEater2_clr

Dr. Nancy Zucker, oprichter en directeur van het Duke Centre for Eating Disorders, spreekt regelmatig over moeilijke eters. Zo vertelde ze aan The New York Times dat mensen zoals ik een aangeboren verhoogde gevoeligheid hebben, een “zintuiglijke ervaring” die vooral intensief is “op het gebied van smaken, texturen en visuele prikkels.” Dat zette me aan het denken. Ik was een gevoelig, enig kind wiens ouders niet goed met elkaar overweg konden, waardoor eten met het gezin eigenlijk nooit gezellig was. Daarom vroeg ik Zucker of ruzies en spanningen thuis tot vermijdende eetpatronen kunnen leiden, die op latere leeftijd nog steeds een probleem blijven.

“De manier waarop we eten is enorm ingewikkeld en heeft met allerlei dingen te maken,” legt Zucker uit. “We leren door te associëren. Ik kan me dus goed voorstellen dat kinderen die hun rolmodellen in een vredige omgeving zien eten, voedsel met positieve dingen zullen associëren.”

Zucker waarschuwt ouders daarom ook dat ze hun kinderen geen schuldgevoel moeten aanpraten of ze verplichten hun bord leeg te eten. Kinderen dwingen om te eten, kan dingen namelijk alleen nog maar erger maken. Mijn ouders lieten me gelukkig eten wat ik wilde, al was het wel duidelijk dat ze moeite hadden met mijn kieskeurige eetgedrag.

Stephanie Lucianovic schreef het boek Suffering Succotash: A Picky Eater's Quest to Understand Why We Hate the Foods We Hate. Zij vertelt me over haar jeugd, die aan elkaar hing van ruzies rond de eettafel.

“Ik wist heel goed hoe ik mijn moeilijke eetgedrag kon verbergen,” zegt ze. “Ik wilde niet dat mensen het wisten, omdat ik het zo kinderachtig vond. Als kind boeide het me niet als ik iets niet lustte, maar als volwassene wil je niet iemands kookkunst belachelijk maken. Daardoor moest ik er wel goed in worden om dingen te eten die ik eigenlijk niet lekker vond.”

Lucianovic herinnert zich dat ze als kind eens een weekend bij een vriendin was. Haar moeder, die ze niet kende, dwong haar om net zolang in de koude eetkamer te blijven zitten tot ze haar bord leeg had, terwijl de rest van de mensen hun gepureerde pompoen allang hadden opgegeten. “Ik voelde me verschrikkelijk,” vertelt Lucianovic. “Het was zo gemeen, zo ongelofelijk gevoelloos.” Het doet een beetje denken aan die afgrijselijke scène uit Matilda, de film naar het boek van Roald Dahl, waarin Bram Bokkepoot een hele chocoladetaart naar binnen werkt om juffrouw Bulstronk haar zin te geven.

Lucianovic vertelt in Suffering Succotash dat ze een koksopleiding volgde, en zo van een kieskeurige eter in een schrijver van voedselboeken veranderde. Door te leren koken, kreeg ze eindelijk controle over de dingen die ze at. Ze zag in dat er meerdere manieren waren om één bepaald gerecht te bereiden. Dat ze de groente van haar ouders nooit lekker vond, kwam doordat ze het stoomden. Maar nu ze leerde hoe moest sauteren, ging er een wereld open. Alsof ze een gevangene was die wist te ontsnappen uit de grot van Plato.

Bij films moet ik altijd een andere kant op kijken bij een ‘sexy’ scène waarin iemand chocolade van andermans lichaam aflikt.

Sinds kort leg ik mijn aandoening uit door het te vergelijken met het eten van aangereden wild. Voor mij zien de dingen die mensen op hun bord hebben liggen er namelijk niet anders uit dan een bebloede wasbeer die op tafel is gesmeten en wordt aangevallen door hongerige monden. Bij films moet ik altijd een andere kant op kijken als er een voedselgevechten te zien is, of een ‘sexy’ scène waarin iemand chocolade van andermans lichaam aflikt. Maar als ik Zucker mag geloven, kun je die walging die ik daarbij ervaar ook zien als iets goeds.

“Wij mensen walgen van dingen om onszelf te beschermen tegen ziekteverwekkers en andere dingen die ons kunnen besmetten,” legt ze uit. “We walgen van uitwerpselen, urine en braaksel omdat het ons ziek zou kunnen maken. Walging helpt je dus om dat gevaar te herkennen. Daarom vermijden we bijvoorbeeld veel slijmerige dingen, of bepaalde geuren en visuele kenmerken. Kieskeurige eters hebben dus eigenlijk een zeer dikke beschermingslaag. Misschien heb je in een vorig leven wel voedsel voor de koning geproefd, om te voorkomen dat hij vergiftigd werd.”

Zucker zegt dat we onze walging constant moeten beheersen. Het verschonen van een luier is bijvoorbeeld ook noodzakelijk, en dat we proberen niet mooier te maken dan het is – we doen het gewoon. “Het gaat om de manier waarop je dingen aanpakt,” legt Zucker uit. “Je moet niet proberen om het leuk of lekker te vinden. Je moet leren eten vanwege een hoger doel. Bijvoorbeeld omdat je gezellig met je partner uit eten wil gaan, avonturen wil beleven of fysiek sterker wil worden. Er kunnen allerlei diepere redenen achter liggen.”


Bekijk ook: Wat je nu moet weten over eetstoornissen:


Mijn moeilijkste periode hield ongeveer stand tot het einde van de middelbare school. Vanaf toen begon ik stukje bij beetje wat meer te eten. Toen ik voor het eerst een hamburger at, werd ik op slag verliefd. En dat gebeurde opnieuw met kip (wat een gezondere liefde bleek te zijn, met minder verzadigde vetten). Ook ontdekte ik een salade waar ik intens van genoot, die bijna overal te vinden is: de caesarsalade. Ik stuitte zelfs op groenten die ik lekker vond, en maakte smoothies van bevroren fruit om hun ranzige, sappige textuur te omzeilen.

Het afgelopen jaar heb ik ook ei leren waarderen (oké, roerei dan). Zeevruchten, tofu en avocado staan nog op de lijst van dingen die ik moet proberen. Er zijn nog ontelbaar veel andere producten die ik nooit in mijn mond zal stoppen, maar hoe ouder ik word, hoe makkelijker ik met eten omga. Ieder jaar voeg ik wel iets nieuws toe aan het menu.

Ik schaam me er in ieder geval niet langer voor en leg mijn voorkeuren graag aan je uit. En het beste van alles is dat anderen nu ook bereid zijn daarnaar te luisteren.

Volg VICE België razendsnel op Instagram.

Dit artikel verscheen eerder op Munchies US.