reizen

Guerrilla's in de mist: zeven dagen met FARC in Colombia

We wachtten de hele dag, sliepen in een goedkoop hotel, en bleven ook de volgende ochtend wachten. Uiteindelijk kwam er een vrouw op een motor aanrijden met een zwarte pet op, een strak blauw shirt aan en groene parkiet op haar schouder.

door Juan Camilo Maldonado Tovar, foto's door Carlos Vi
11 januari 2016, 6:00am

Dit artikel verscheen eerder in het decemberissue van ons magazine.

Een commandant had ons verteld dat iemand ons voor het poolcentrum zou oppikken, maar daar kwamen we twee uur te laat aan. Of ze er nog steeds zouden zijn wisten we dus niet. We wachtten de hele middag, de hele avond, sliepen in een goedkoop hotel, en bleven ook de volgende ochtend wachten. Uiteindelijk kwam er een vrouw op een motor aanrijden met een zwarte pet op, een strak blauw shirt aan en groene parkiet op haar schouder. Ze stopte voor het winkeltje waarvoor we zaten te wachten. Ze inspecteerde ons kritisch en vertrok vervolgens zonder een woord te zeggen.

We hoopten enorm dat zij – of een van de boeren of een winkelbediende of wie dan ook – een signaal zou geven dat ze ons kwamen ophalen. Dat hadden we namelijk afgesproken met de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia, oftewel FARC, de oudste communistische guerrillaorganisatie van het land. De organisatie voert al sinds 1964 oorlog tegen de federale overheid. Zeker 218.000 mensen zijn door het conflict om het leven gekomen. Vanuit dit kleine dorpje aan de rand van een groot FARC-territorium, zo hadden ze ons beloofd, zouden ze ons meenemen naar hun schuilplaats, diep in de jungle.

De dag ervoor waren we vertrokken vanuit Bogotá, de hoofdstad van Colombia. Het was een route over glooiende heuvels die gehuld waren in mist en in elke hoek leek wel een slang of een brulaap te zitten. De FARC heeft tegenwoordig zo'n achtduizend leden en bezit dit gebied al meer dan dertig jaar. De reis naar het hoofdkwartier van de FARC lijkt soms op een reis door de Colombiaanse geschiedenis. De krakkemikkige dorpjes zijn een voorbeeld van de enorme ongelijkheid tussen het centrum van het land en de periferie. De tweebaansnelweg verandert langzaam in een modderige, verlaten weg. Hoe verder je van Bogotá komt, hoe slechter de infrastructuur wordt. Tegen het einde van de rit, vlak voordat je in het FARC-territorium bent, zie je guerrillagraffiti op overheidsgebouwen.

"Zijn jullie hier ongewapend naartoe gereisd?" vroeg een soldaat van het Nationale Leger verbaasd. Hij bemande de Brigada Móvil-controlepost op de top van een berg in de Andes, vlak voordat de wegen langzaam naar beneden leiden richting Caquetá. In het gebied aan de rand van het FARC-territorium zijn veel controleposten van het Nationale Leger – het is ten slotte de frontlinie van de burgeroorlog. Toen de soldaat zag dat we statieven en camera's bij ons hadden, ontspande hij enigszins.

"Jullie moeten teruggaan," zei hij. "Als je verder gaat, kom je in aanraking met El Paisa, een guerrillacommandant. Heb je over hem gehoord? Hij is een bloeddorstige man die absoluut geen zin heeft in vredesonderhandelingen. Ga alsjeblieft niet die kant op."

Uiteindelijk liet hij ons er toch door en twee uur later reden we in het donker over de modderige weg. Opeens werden we verblind door een stel koplampen. Er stond een man midden op de weg die de loop van zijn geweer op ons richtte. "Doe je lichten uit en stap uit de wagen!" schreeuwde hij. De man was een jonge guerrilla in burgerkleding. Naast hem stonden nog twee mannen. "Waar komen jullie vandaan?" schreeuwde een van hen. Blijkbaar waren we al in het FARC-territorium. "Weten jullie niet dat het verboden is om hier na zes uur 's avonds nog te rijden?"

Guerrillasoldaten van het Combatientes del Yarí-bataljon van de FARC, een dag voor de wapenstilstand

We legden uit dat we uit Bogotá kwamen om een documentaire te maken, maar zeiden er niet bij dat we toestemming hadden van een FARC-commandant om hier te zijn. We wisten niet zeker of de mannen van dit FARC-bataljon bevriend waren met de commandant die wij hadden gesproken.

Uit welke richting komen jullie?" vroeg een van de guerrilla's. "Bogotá, Girardot, Neiva..." antwoordde onze fixer. "Is dat alles?" "Ja, en langs een controlepost van het leger, daarboven..." Toen viel er een stilte. Hij was ons aan het testen. Als we niet hadden toegegeven dat we met een soldaat hadden gepraat, waren we in de problemen gekomen. "Jullie moeten vertrekken," zei hij. "Jullie kunnen hier niet blijven, dan word je neergeschoten of opgeblazen. Ga terug en onthoud dat je hier 's nachts niet mag rijden."

We keerden om. Na een korte rit kwamen we bij een andere controlepost van het leger in San Vicente del Caguán. In een tent daar vlakbij verlichtte een gloeilamp een poster met daarop de gezichten van 32 FARC-leden die gezocht werden door de overheid. Bovenaan de poster stond een foto van El Paisa, op wiens hoofd een beloning van vijf miljoen dollar stond. "Vertel ons waar hij is en ontvang deze prijs," stond er op de poster. "Dan krijgen wij allemaal de vrede die we willen."

Er wordt geschat dat zo'n 40 procent van de FARC-leden vrouw is. Tot voor kort was het niet toegestaan om kinderen te krijgen. Sommige voormalige guerrilla's zeggen dat ze werden gedwongen om een abortus te nemen.

Maar we waren niet alleen in Llanos del Yarí om alleen de belangrijkste guerrillasoldaten te ontmoeten. We waren daar omdat na twee jaar overleg in Havana in Cuba, de FARC en de overheid van president Juan Manuel Santos de laatste fase van een historisch vredesproces ingingen. Op 20 juli 2015 hadden FARC-leiders een algehele wapenstilstand uitgeroepen. Dit hadden ze al vier keer geprobeerd sinds het overleg was begonnen, maar elke keer ging het mis. In april kwam er een einde aan een wapenstilstand van vier maanden, toen FARC-soldaten een slapend legerpeloton bestormden en 11 soldaten doodden. Een maand later kwamen overheidssoldaten met een antwoord: ze doodden 26 guerrilla's. Zou het dit keer anders aflopen? Dat wilden we uitzoeken.

We sliepen die avond in een primitief hotel, een paar straten naast de controlepost van het leger. De volgende ochtend, toen het licht werd, reden we over de modderige, slingerende weg richting Llanos de Yarí en de FARC.

In de gebieden die ze beheersen, stellen de guerrilla's avondklokken in.

Dus daar zaten we dan, voor een poolcentrum, wachtend op de FARC. Het dorp bestond uit niet meer dan een tiental bouwvallige huisjes, een groentekraampje, een school en een bierwinkeltje. Een FARC-commandant had beloofd ons daar op te halen, maar op een paar boeren en vrouw met een vogel op haar schouder na was er nog steeds niemand.

Na 24 uur stonden we op het punt om het op te geven, toen er een man in burgerkleding van een motor afstapte en ons riep. Hij had een lach op zijn gezicht en vroeg ons hem te volgen. Hij nam ons mee over de Yarí-vlakten en leidde ons naar een paar huisjes aan de voet van een heuvel. Ik keek naar een groep FARC-soldaten, en opeens zag ik een bekend gezicht – de vrouw met de parkiet. Ik realiseerde me dat leden van de FARC ons waarschijnlijk de hele tijd stiekem in de gaten hadden gehouden terwijl we op hen zaten te wachten.

Ze zwaaide en glimlachte. Ze liep op ons af en nam ons mee naar een groot huis in een vallei. Voor de rode houten hacienda stonden minstens twintig mannen in uniform, waarvan een aantal een machinegeweer vasthield. Ze waren lid van Frente 63's Combatientes del Yarí, het oostelijke front van de FARC. Aan een paal aan de zijkant van het huis wapperde de vlag van de organisatie – twee geweren in een kruis voor de nationale kleuren van Colombia: geel, blauw en rood. Aan de andere kant van het huis wapperde een witte vlag, vanwege de wapenstilstand.

Een paar dagen na het bezoek van VICE voegde FARC-soldaat Antonia Simón Nariño zich bij een vredesdelegatie op weg naar Havana in Cuba.

Een ietwat mollige vrouw die er vriendelijk uitzag, liep het huis uit en begroette ons. Ze droeg een groen uniform en legerlaarzen. Alles ging heel snel. Het was niet duidelijk op welk moment we precies van burgers naar guerrilla's waren gegaan, maar we stonden nu zonder enige twijfel in het hart van de FARC-territorium.

De vriendelijke guerrillavrouw klom op een motor en gidste onze auto door verborgen weggetjes; drie uur later kwamen we aan een in een verlaten savanne zonder hekken, vee, huizen of wegen. Overal om ons heen was jungle en zagen we paadjes die richting de Putumayo-rivier en de bergen in liepen. Aan het einde van al die paden waren meer en meer guerrilla's, wachtend op wat er zou komen: oorlog of vrede.

Het was 21 juli – een dag nadat de FARC voor de zesde keer sinds het begin van het vredesoverleg in 2012 een wapenstilstand had afgekondigd. In Havana hadden Noorwegen en Cuba als bemiddelaars gediend tussen de FARC en de Colombiaanse overheid. De FARC had als onderdeel van de onderhandelingen meerdere malen vrede beloofd, maar elke keer bleven ze toch vechten. In eerdere onderhandelingen in de jaren tachtig en aan het begin van deze eeuw had de FARC misbruik gemaakt van de wapenstilstanden om hun eigen militaire posities te versterken. Dit keer zou de overheid dat niet laten gebeuren. De regels waren duidelijk: terwijl beide kanten verder praatten over vrede, gingen de gevechten gewoon door.

Omdat het Nationale Leger de FARC tijdens de wapenstilstand bleef aanvallen, raadden de guerrilla's ons aan om bij een boerenfamilie te verblijven. Bij hen hadden we minder kans dat we door de overheid zouden worden aangevallen. Daar, in een houten hutje zonder stroom of lopend water, brachten we de volgende paar dagen door.

Een oudere vrouw, Oma Laura, verwelkomde ons in haar huis. Ze had een bochel, een fragiel postuur en liep langzaam. Ze deelde haar huis met haar man, Cruz, hun zoon en dochter, hun stiefdochter en drie kleinkinderen. Terwijl we met haar praatten renden de kinderen met houten speelgoedpistolen door het huis.

De kinderen gingen dit jaar niet naar school. Hun moeder legde uit dat de dichtstbijzijnde school geen leraren meer had. Ze konden het ook niet betalen om ze naar de andere school te sturen – een kostschool van de katholieke kerk – dus hielpen de kinderen hun oma met het werk op de hacienda en speelden ze in hun vrije tijd guerrillasoldaatje.

Laura was ziek. Ze had diabetes en had last van chronische duizeligheid en misselijkheid, maar er was geen dokter in de buurt. Een reis naar het ziekenhuis in San Vicente de Caguán zou haar zo'n honderd dollar kosten – ongeveer de helft van haar maandinkomen. Daarom kocht Laura haar medicijnen bij een bus die eens in de twee weken langskwam. Soms moest ze de bus laten passeren omdat ze niet genoeg geld had.

Net als de meeste boeren in de regio leefden Laura en haar familie onder de regels van de FARC. "Het is beter zo – als iemand steelt of iemand anders vermoordt, moet diegene zich verantwoorden bij de FARC," vertelde een andere boer me. "We moeten ze natuurlijk een soort belasting betalen. Alles wat we verkopen of slachten heeft zijn prijs," legde hij uit. Net als in de rest van het land zijn er lokale juntas (groepjes burgers) die verantwoordelijk zijn voor het oplossen van dagelijkse problemen, op het gebied van huisvesting, publieke diensten en het benaderen van lokale overheidsmedewerkers. De belastingen maakten het leven niet makkelijker voor de arme boeren, maar de meeste mensen die ik sprak geloofden dat de wetten van de FARC net zo eerlijk waren als die van de overheid. Voor de burgers zijn er gemeenschapsvergaderingen, wat mensen de kans geeft om mee te denken en mee te besturen – alhoewel iedereen weet dat de guerrilla's hier het laatste woord hebben.

Chepe, een grote, verlegen man, werd vergezeld door zo'n dertig guerrilla's toen ik hem interviewde. We waren in een tijdelijk FARC-kamp dat was gemaakt van boomstammen en enorme groene bladeren, een paar kilometer van Oma Laura's huis. Hij sprak zachtjes maar ik kon aan zijn accent horen dat hij uit een rijke familie in Bogotá kwam. Chepe was in de jungle van Caquetá geboren, maar hij was in de Colombiaanse hoofdstad opgegroeid. Hij heette vroeger Jorge Suárez. Hij had zijn achternaam van zijn vader – FARC-commandant Víctor Julio Suaréz Rojas, die op 22 september 2010 om het leven kwam toen er zeven ton aan overheidsexplosieven op zijn kamp terechtkwam.

"De kameraden wilden dat ik in de stad ging studeren en daarna terug zou komen om te helpen met de revolutie," vertelde hij me. "Toen ik in de negende klas zat (in Nederland de derde van de middelbare school), begon de overheid druk op me uit te oefenen en waren er soldaten die ons wilden laten verdwijnen. Dus stopte ik met school en ging ik terug naar de jungle met mijn vader. Ik bracht elf jaar met hem door."

"Ik denk nog wel eens aan mijn vrienden van toen," zei hij. "Wat zouden ze denken als ze wisten dat ik hier zit? Het zijn waarschijnlijk dokters, politici of bouwkundigen geworden. Ik heb niet de kans gehad om te gaan studeren – ik heb alleen de revolutie bestudeerd."

Zijn vader was een beroemd man – of eigenlijk eerder berucht. Hij was ook wel bekend als Mono Jojoy en Jorge Briceño. Hij leidde het Oostelijk Blok van de FARC, dat in de jaren 90 en begin 2000 rijke mensen ontvoerde voor flinke sommen geld. Meer dan tien jaar lang was kidnappen een van de belangrijkste vormen van inkomsten voor de FARC. Een hoop mensen kwamen in die jaren om in gevangenschap. Wat zou er zijn gebeurd als de klasgenootjes van Chepe als secuestrados (ontvoeringslachtoffers) waren geëindigd?

Chepe zei dat hij altijd al wist dat hij op school zat om zijn klasgenoten te bestuderen – "mijn vijanden, de zonen van de bourgeoisie." Hij wist dat hij moest vechten voor het "algemeen belang. Hun idealen hadden geen invloed op ons," zei hij. "Wij waren al lang gevormd."

Tegenover Chepe luisterden guerrillasoldaten mee vanaf hun strandstoeltjes. Chepe opende zijn laptop en startte de vergadering waarmee alle guerrilla-eenheden hun dagelijkse routine begonnen. Ze zongen gebroederlijk en vastberaden de Internationale (een klassiek revolutionair nummer dat ongeveer net zo oud is als Karl Marx) en daarna las Chepe voor uit Al Filo de la Navaja, een column geschreven in Havana door commandant Carlos Antonio Lozada. Het stuk ging over de afgelopen zes maanden, waarin een wapenstilstand werd verbroken toen er een militaire patrouille hun territorium betrad. Volgens Lozada, een lid van de FARC-delegatie in Havana, was het belangrijk dat het Nationale Leger minder vaak zou aanvallen, om een daadwerkelijke wapenstilstand mogelijk te maken.

Toen Chepe klaar was met voorlezen, stonden de guerrilla's op om een nummer te zingen over Manuel Marulanda Vélez, een van de mannen die in 1964 met een groep communistische boeren de FARC oprichtte:

Ik zing voor Manuel, die goede oude vriend.
Manuel, die het lef had om te durven dromen.
Manuel, van wie de kwade tongen zeggen dat hij een bandiet en een duivel is.
Alle liefde in zijn wezen zal opbloeien.
Net als Fidel zal de geschiedenis je opnemen, Manuel.

Daarna staken acht guerrilla's hun hand op om te reageren op de column uit Havana. Ze hadden allemaal exact dezelfde mening en visie. Volgens hen waren Colombiaanse oligarchie en het Amerikaanse imperialisme de schuldigen achter dit conflict. Ze benadrukten wel hoe erg ze hun commandanten in Havana vertrouwden en zeiden dat ze bereid waren om hun wapens neer te leggen om de revolutie via verkiezingen te laten plaatsvinden. Het enige verschil tussen hun commentaren was hun woordkeuze.

"Het is zo prachtig," zei Luisa Monserrat, een jonge guerrilla uit Bogotá, terwijl ze spiritueel glimlachte alsof ze zojuist God had gezien. "Het is zo mooi om de eigenaar van de echte waarheid te zijn."

Alle guerrillasoldaten zijn lid van zowel een militaire (FARC) als een politieke partij (Partido Comunista Clandestino Colombiano, of PC3). Ze wisten dat op het moment dat ze zich aanmeldden, de revolutie hun verdere leven zou bepalen. Volgens de officiële statuten van de FARC moeten degenen die zich aanmelden voor een onbepaalde tijd dienen. Met andere woorden, ze dienen toegewijde revolutionairen te zijn totdat de revolutie heeft plaatsgevonden. Deserteren is een overtreding die soms met de dood wordt bestraft.

Om de solidariteit en collectieve identiteit te beschermen, houden de guerrilla's elke dag dit soort vergaderingen. Het leesmateriaal verschilt – van de principes van het leninisme, tot het Cartagena Manifesto van Simón Bolívar of klassieke Russische en Colombiaanse romans.

Een van de vrouwen bij de vergadering heette Antonia Simón Nariño. Ze groeide net als Chepe op in Bogotá, en ging naar de Nationale Pedagogische Universiteit. Ze begon ongeveer tien jaar geleden met het lezen van de politieke teksten van de guerrilla's en werd kort daarna opgenomen door de Movimiento Bolivariano. Het was een eerste stap voor alle jonge studenten die interesse hadden om bij de FARC te gaan. Haar vriend zat bij de militie. Drie jaar lang glipte ze stiekem weg uit het huis van haar ouders om trainingssessies in kampen in Caquetá bij te wonen. Ze zei tegen haar familie dat ze lesgaf in de Sierra Nevada. Op een dag ging haar vader naar haar universiteit om te vragen hoe het met de jonge leraren in de Sierra Nevada ging en ontdekte hij de leugens van zijn dochter. Ze had nooit de moed gehad om het hem te vertellen, dus ze zei dat ze bij de Communistische Partij zat, een partij die legaal is in Colombia. Kort daarna vertrok ze naar de jungle. Ze vroeg haar vriendje om haar familie de waarheid te vertellen.

Ze eindigde haar trieste verhaal met het lied Todo Cambia van Mercedes Sosa:

Mijn liefde verandert niet,
het maakt niet uit hoe ver ik weg ben.
Dat geldt ook voor de gedachten
en de pijn van mijn volk.

Elke dag wassen guerrilla's zich samen, zowel mannen als vrouwen. Er zijn tussen mannen en vrouwen geen verschillen in rang.

Het kamp doet niet echt denken aan een oorlogszone. De guerrilla's brachten de dag door met Amerikaanse televisieseries en video's van Katy Perry op de MacBook van Chepe. Andere groeven loopgraven of kookten cancharina, een gefrituurd pasteitje van maïsmeel.

De FARC is al meer dan vijftig jaar in dit conflict verwikkeld. Eerst was het een gevecht tussen de communistische boeren en de door Amerika gesteunde rijke elite die de macht had. In de jaren tachtig raakte de FARC betrokken in de drugshandel om zo de oorlog te kunnen betalen, waardoor er een hoop nieuwe gevechten ontstonden tussen groeperingen die drugsgebieden wilden overnemen. De gevechten namen toe in de jaren negentig: de FARC begon met het ontvoeren en opblazen van burgers, guerrilla's moordden hele dorpen uit en de leden van het Nationale Leger vermoorden honderden onschuldige jonge Colombianen waarvan ze zeiden dat het guerrilla's waren, zodat het leek alsof ze de oorlog aan het winnen waren.

De feiten zijn gruwelijk. Volgens het National Center for Historic Memory was van de 218.000 doden die door het conflict zijn gevallen 80 procent geen soldaat of guerrilla. De VN berekende dat in de afgelopen tien jaar 4716 onschuldige burgers werden gedood door soldaten van het Nationale Leger. Volgens denktank Cifras y Conceptos hebben de guerrilla's zo'n 9447 mensen ontvoerd. De vele paramilitaire groeperingen die naast de FARC vochten, werden tussen 2004 en 2005 aangepakt door president Álvaro Uribeand. Hoewel een aantal paramilitairen toen nieuwe groeperingen vormden, is hun invloed sindsdien sterk afgenomen.

Toch was het conflict op zo'n negen kilometer van ons kamp nog steeds aan de gang. In een grote vallei stonden eenheden van de FARC klaar om de troepen van het Nationale Leger, die net dichtbij geland waren, te stoppen. Chepe gaf ons toestemming om vrij door het kamp te lopen. We zagen guerrilla's die aan het sporten waren met hun wapens over hun schouder. Rond het middaguur gingen we lunchen, daarna namen we een bad in de rivier waar een aantal guerrilla's zich in hun onderbroek stonden te wassen. De meesten sliepen met hun "bedgenoten" of geliefden in hutjes die ze zelf hadden gebouwd met takken en bladeren (40 procent van de FARC-leden zijn vrouwen en de meeste guerrilla's hebben een geliefde).

"De jungle is ons huis," zei Jineth, een 26-jarige vrouw die een zelfgemaakt notitieblok vasthield waarin ze haar marxistische gedachten en gedichten voor de oprichters van de FARC met een kinderlijk handschrift in schreef. Toen ze negen was zag Jineth een man haar moeder voor haar ogen vermoorden, voor haar moeders winkeltje in de stad Villavicencio. "Toen moest ik naar een therapeut," zei ze.

Jineth werd opgevoed door haar oom. Toen ze opgroeide kwam ze erachter dat haar neef een guerrilla was en ze vroeg hem of zij dat ook kon worden. Hij zei dat dat kon.

"Waar zou je heengaan als de oorlog voorbij zou zijn?" vroeg ik haar. "Mijn thuis draag ik op mijn rug," antwoordde ze, terwijl ze wees naar de 45-kilo wegende rugzak die ze altijd bij zich droeg.

Wat zou er gebeuren met het gebied als er een vredesverdrag zou worden getekend? Wat zou er gebeuren met de boeren, de lokale militie en de guerrilla's? Jineth, Antonia, Chepe en Luisa waren het er allemaal over eens dat ze hun leven zouden wijden aan hun politieke partij. Hun doel zou nooit eindigen en ze zouden zoeken naar andere vormen van revolutie. Chepe en Jineth wilden gaan studeren, Antonia zei dat ze les zou geven. Ze leken allemaal moe te zijn van de oorlog, maar ze kenden niet echt een andere manier van leven.

"Ik kan me momenteel niet eens voorstellen om te stoppen met vechten," zei Chepe. "In dit gebied komen gewone burgers naar ons toe met hun problemen, zoals een gestolen koe of een gevecht dat ze met een buurman hadden. Wij zijn een gewapende organisatie. Als we onze wapens neerleggen zijn we nog steeds een organisatie en zullen we onze politieke strijd voortzetten."

"En hoe wil je een nieuwe slachting van je volk voorkomen?" vroeg ik. "Hoe kun je vermijden dat de drugshandelaars en de paramilitaire groeperingen terugkomen?

"Dat hangt allemaal van de overheid af," zei hij. "Er moeten bepaalde garanties komen die ervoor zorgen dat het vredesverdrag wordt gevolgd. Daarom moeten er zoveel landen bij betrokken zijn."

Om vijf uur 's middags tijdens onze laatste dag in het gebied van de FARC stonden we op het punt om terug te keren naar het huis van Laura, toen een van onze fixers ons benaderde. "Jullie moeten nu vertrekken," zei hij. "Jullie hebben de verkeerde vragen gesteld."

Iemand had de commandant verteld dat ik de guerrilla's en burgers had gevraagd of ze ontvoerde mensen verstopten in hun huis. Hij had toen een bevel gegeven dat we die avond nog moesten vertrekken. Het was een misverstand. Het zoveelste misverstand in vijftig jaar aan misverstanden.

Mijn vermeende overtreding had twee dagen eerder plaatsgevonden, toen we met Laura en haar familie zaten te praten aan hun eettafel. Het was avond en we zaten bij een raam waar we de sterren konden zien. Een kaars verlichtte onze gezichten en projecteerde schaduwen op de houten muren. Naast me zat een vrouw die leek op een gewone boerin die een heerlijke maaltijd aan het eten was. Ze vertelde me dat ze een guerrillasoldaat was. Dat was ze al jaren. Ze zei niet veel, maar ik stelde haar dezelfde vraag die ik aan Chepe had gesteld.

"Heb je ooit ontvoerde mensen in je huis gehad? Ik veronderstel dat ze in boerenhuisjes als deze zouden hebben gezeten. Heb je er nooit een hier gehad?" "Nee, nooit," antwoordde ze.

Het gesprek ging verder over Laura en haar kinderen, en ik vroeg er verder niks over. Laura vertelde over haar gezondheid, over een bepaald kruid waar ze minder duizelig van werd en over haar familie in Huila. We waren nog steeds aan het praten toen het gesprek werd onderbroken.

"Kijk, ze hebben de camera weer aangezet," zei Laura's zoon. Hij wees naar een licht dat ver weg in de donkere hemel te zien was. Het leek op een satelliet of een telefoontoren. Plotseling verdween het weer.

"Een camera?" vroeg ik.

"Ja, dat is het leger. Ze kijken naar ons," zei hij.

"Natuurlijk bekijken ze ons," zei Laura met een gebroken stem. "Het leger is hier ooit eens bij ons huis geweest. Een van de soldaten dacht dat ik hem niet zag. Hij verstopte een apparaat boven onze deur. Een paar dagen later heeft hij het stilletjes weer weggehaald."

Het was een warme avond. Laura sprong van verhaal naar verhaal. Ik vroeg of ze vrede in Colombia als een mogelijkheid zag.

"Ja," antwoordde ze zonder enige twijfel.

"Waarom ben je daar zo zeker van?"

"Omdat de Bijbel het zegt. Daarin staat duidelijk dat communisme ooit in onze wereld zal verschijnen, ook al is het maar voor een dag."

Laura stond op in het donker en pakte haar bijbel. Terwijl ze daar stond, klein en trillend, richtte ze een zaklamp op een passage uit Openbaring 18-19 over de val van Babylon.

Twee maanden later, lang nadat ik Laura, Chepe en de anderen had verlaten en midden in de nacht Llanos del Yarí verliet, verbrak de FARC haar eigen wapenstilstand zes keer. Het leger viel ze nog eens 76 keer aan. Een guerrillasoldaat uit de Daniel Aldana-colonne die aan de kust van de Stille Oceaan opereert, vermoordde de Afro-Colombiaanse politicus Genaro García, een vreedzame man die in zijn arme gemeenschap opkwam tegen de FARC.

Vandaag gaan de onderhandelingen over een wapenstilstand nog altijd door, net als de oorlog.

Tagged:
COLOMBIA
Magazine
FARC
Vice Blog
wapenstilstand
V10N4
rebellengebied
guerrilla's
decemberissue