Een stiekem kijkje in de ijsjeszaak van de Berghain
Alle illustraties door Adam Waito

Een stiekem kijkje in de ijsjeszaak van de Berghain

Het chocolade-ijs in de hedonistische Berlijnse club is verrassend goed.
illustraties door Adam Waito
03 augustus 2018, 2:53pm

Er waren witte porseleinen kopjes voor espresso en roze papieren bekertjes voor ijs. Mineraalwater, vruchtensapjes en energiedrank stonden in nette rijen in de koelkast. Op de verchroomde bar stonden plastic bakken en potjes met dé klassieke ijsdips: spikkels en witte en pure chocolade. De barista was pezig en bleek, met een ruige baard, een knotje en een legergroen t-shirt met armsgaten tot aan zijn middel. Ik vond hem een beetje op een kleinere versie van Thor lijken of misschien gewoon op een stereotiepe hipstermedewerker van een hippe koffiezaak. Waarschijnlijk een Australiër.

In elk ander café/ijssalon in de grotendeels gegentrificeerde wijk Friedrichshain in Berlijn zou dat alles onopvallend zijn geweest – op het banale af. Maar ik was niet in een willekeurig café. Ik was in het verborgen ijssalon van de waarschijnlijk beroemdste en zeker meest mythische nachtclub ter wereld: Berghain.

Ondanks het fantastische geluid en een line-up met de bekendste namen uit zowel de populaire als de avant-garde techno- en housescene, is de reputatie van Berghain niet zozeer op de muziek gericht, maar op de hedonistische sfeer waar alles kan. De club huist in een enorme voormalige elektriciteitscentrale, waarvan de machinekamer vol gigantische betonnen pilaren als danszaal fungeert. Het stinkt er voortdurend naar een mengsel van bier, peuken, wiet, zweet, urine, stront en sperma. Als er een parfum van die geur gemaakt zou worden, zou het ongetwijfeld ‘Sin’ heten. Wat er in de Berghain gebeurt, blijft ook echt in de Berghain, door het verbod op foto’s maken en het even beruchte als ondoorgrondelijke deurbeleid. Tenminste, totdat de bleke, verwilderde feestvierders bezweet en met een vermoeide grijns op maandagochtend naar buiten strompelen. Met hun ogen die niet meer opengaan door het felle licht sluipen ze langs de rijen mensen die eruitzien als hun vroegere zelf. Het zijn mensen die ze aangapen vol opwinding. Ze staren naar ze en fluisteren: “O mijn god, zo zijn wij straks ook.”

Twee topless mannen in visnetrokken deelden een cupje chocolade-ijs, terwijl ze elkaar zo strak omhelsden als de metalen kettingen om hun nek.

De Berghain is een tegenstrijdige plek. Het is tegelijk grotachtig en een doolhof, maar het is ook intiem. Het is berucht om zijn darkrooms, maar toch zijn er pulserende stroboscopen. Het lage gedonder van het Funktion One-geluidssysteem is op een halve kilometer afstand nog hoorbaar, maar midden op de dansvloer van de grote zaal kun je een gesprek voeren zonder te schreeuwen.

Aan de zijkant van die dansvloer, langs de schommel ter grootte van een eettafel en een smalle trap op, vond ik het tegenstrijdigste deel van de Berghain: een ijswinkeltje. Zelfs met het beukende geluidssysteem en de kolkende zee van mensen er vlak onder, danste niemand er. Afgezien van het tikkende voetje of het ritmisch bewegende handje, was iedereen zo… normaal. Alsof dit een willekeurige hippe koffiezaak was. Mensen droegen outfits die gecensureerd zouden worden op televisie, maar aten het eten dat geserveerd wordt op het verjaardagsfeestje van een tandeloze peuter.

Het leek of iedereen op een date in omgekeerde volgorde was: seks in het toilethokje, daarna drugs in een donker hoekje, daarna een mokka-ijsje bij kaarslicht.

Een vrouw in een nauwsluitend zwartleren bodysuit, met piercings tussen haar wenkbrauwen, leunde tegen een muur, trok aan haar sigaret en nam een slokjes van haar sinaasappelsap. Twee topless mannen in visnetrokken deelden een cupje chocolade-ijs, terwijl ze elkaar zo strak omhelsden als de metalen kettingen om hun nek. Een vrouw in een felblauwe beha was zo hard aan het zweten dat ze leek op een van de smeltende klokken van Dalí. De man die vlak achter haar zat, hield haar met één hand vast en probeerde met de andere zijn ijsje op zijn dij te balanceren. Een grijze man met een strakke leren broek en een dikke zwarte bril, dronk zijn cappuccino op, bestelde een groen, radioactief uitziend shotje, dronk het op en liep kalm terug naar beneden. Er waren mannen in korte, sportieve, witte broekjes met keiharde erecties die appelsap dronken, vrouwen met laarzen met stalen neuzen en hakken van 15 centimeter die kleine sandwiches aten, en mensen met schedels vol tatoeages die lachten, terwijl ze hun chocolademuffins en bananen aten. Het leek of iedereen op een date in omgekeerde volgorde was: seks in het toilethokje, daarna drugs in een donker hoekje, daarna een mokka-ijsje bij kaarslicht.

Ik bestudeerde het ijs achter het glas, wees naar een bak chocolade waar een het neonlicht een stralenkrans op wierp en hield twee vingers omhoog naar de barista. Hij opende de vriezer, waar condens uit opsteeg die ronddanste in warme, plakkerige lucht. Hij was niet zuinig met z’n bolletjes – zeker voor een prijs van 2,40 euro. Ik nam een hap en voelde meteen een klamme duizeligheid, die ik niet meer had gevoeld sinds ik die ochtend na twee uur wachten de club was binnengekomen. Dit was het beste chocolade-ijs dat ik ooit had gegeten. De smaak was zacht, romig, niet te zoet en niet chemisch. Ik bood mijn vriendin een flinke hap aan en haar gezicht begon te stralen zoals dat het ook doet als we samen een bak Ben & Jerry’s op m’n zetel eten. “Holy fuck,” zei ze.

IJs is een manier om geestelijk en fysiek te ontsnappen aan de volwassenheid en alle verantwoordelijkheden die daarbij horen.

Ik hunker niet zoveel meer naar donuts, marshmallows en chocoladetaart als vroeger, maar mijn obsessie met ijs is niet veranderd. Nu ik 26 ben eet ik net zoveel ijs als toen ik klein was – als het niet meer is. Een softijsje met chocoladesaus op een zonovergoten bankje in het park, een fruitmilkshake op het strand, wat choco-muntijs midden in de nacht in m’n keuken of zelfs een klein bakje chocolade-ijs tussen mensen gehuld in leer en kettingen in een Berlijnse nachtclub – het voelt allemaal als een jeugdige daad van puur genot. IJs is een manier om geestelijk en fysiek te ontsnappen aan de volwassenheid en alle verantwoordelijkheden die daarbij horen. Ik voel me er weer een kind door.

Datzelfde gevoel krijg van ik van keihard raven. Het is onontkomelijk om op de dansvloer van Berghain niet gehypnotiseerd te raken door de repetitieve, duistere en kale techno waar de club zo beroemd om is. Ik krijg een natuurlijke high van het van voet naar voet springen, m’n handen die op de maat van de bas op m’n dijen kletsen, m’n romp strak bewegend, m’n hoofd dat heen en weer rolt alsof een dronken poppenspeler er controle over heeft. Sommige mensen mediteren of gaan joggen om hetzelfde gevoel te krijgen. Ik heb eens gehoord dat de aanmaak van endorfine daardoor wordt gestimuleerd, de eigen pijnstiller van het lichaam waardoor mensen zich euforisch gaan voelen.

Ik begrijp goed waarom ze ijs verkopen in de Berghain. En waarom het er altijd wemelt van de mensen – content, verzadigd, ontspannen – als ik de donkere trap oploop. Waarom ik me veel minder geplaagd door negatieve gedachten voel als ik mijn laatste beetje vloeibaar geworden ijs uit mijn bakje schraap. De weg van genot kent veel bochten, maar het is goed om af en toe te stoppen op de plek waar ijs en Berghain elkaar kruisen.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op VICE US.