Oorlog en Wall Street: de groeiende industrie van de moderne huurling

Internationale conflicten worden tegenwoordig uitgevochten door huurlingen die voor privébedrijven werken en betaald krijgen om te moorden.

|
jan. 20 2015, 6:00am

Illustraties door Matt Rota

In 2004 bevond ik me in een eigenaardige situatie. Ik was in het kleine Afrikaanse land Burundi, nippend aan een colaatje in het gezelschap van de Burundische president, de Amerikaanse ambassadeur, een vrouw van wie ik sterke vermoedens had dat ze van de CIA was, en de achtjarige dochter van de president. Het was rond negen uur 's avonds en in de woonkamer van het presidentiële paleis keken we zonder een woord met elkaar te wisselen naar het lokale nieuws op televisie. Het leven van de president was in gevaar. De Verenigde Staten hadden me erbij gehaald om hem in leven te houden, maar ik wist niet precies hoe.

Tien jaar eerder had de Rwandese genocide het land verscheurd. Nu dachten de Amerikaanse inlichtingendiensten dat er in Burundi nog meer bloedvergieten aan zat te komen. Ik moest de president in leven houden terwijl niemand – inclusief de Amerikaanse ambassade – erachter mocht komen dat dit een Amerikaanse missie was. Dat is me ook gelukt. Ik was zelf vreemd genoeg niet van de CIA, het leger of op een andere manier werkzaam voor de Amerikaanse regering. Ik kwam uit de private sector – een 'aannemer' voor velen, een 'huurling' voor sommigen – en werkte voor een groot privaat militair bedrijf (PMC).

Zulk soort buitenlands beleid wordt tegenwoordig steeds vaker toegepast, met behulp van bedrijven. Wereldmachten als de Verenigde Staten kunnen oorlogen niet winnen of in stand houden zonder dit soort aannemers, bijvoorbeeld op plekken als Irak en Afghanistan. Taken die ooit alleen de CIA of het leger uitvoerden, worden nu routineus uitbesteed aan beursgenoteerde bedrijven. Het verontrustendste aan deze trend is het besluit om dodelijk geweld uit te besteden: paramilitaire gewapende burgers patrouilleren door de straten van Bagdad en Kaboel voor hun werkgever, de Verenigde Staten. Deze kleine privélegers – de beruchtste heet Blackwater USA – werken net als multinationals, alleen is hun handelswaar conflict en geweld. Sinds de aanslagen van 11 september heeft het zich van een miljoenen- naar een miljardenindustrie ontwikkeld.

Toen Dwight Eisenhower de wereld in zijn presidentiële afscheidsspeech waarschuwde voor het militair-industrieelcomplex, had hij niet kunnen voorzien dat deze industrie ooit Amerikaanse oorlogen van huurlingen zou voorzien. Sinds de tijd van Eisenhower zijn de Verenigde Staten militair gezien steeds afhankelijker van Wall Street geworden. Wanneer we aan het militair-industrieel complex denken, schieten vaak bedrijven als Lockheed Martin en Raytheon te binnen die straaljagers, satellieten en schepen bouwen. Nu biedt die industrie ook diensten, aannemers en paramilitairen aan. PMC's verschillen van andere multinationals om het feit dat ze moorden of anderen trainen om te moorden.

Firma's als Blackwater, Triple Canopy and DynCorp International verstrekken gewapende burgers voor in gevechtsgebieden en zorgen voor goede beveiliging van hun cliënten. Dit zijn geen beveiligingsmannetjes die je voor een winkel ziet staan, maar voormalig soldaten uit legers van over de hele wereld.

In tegenstelling tot andere, vergelijkbare private bedrijven zijn de PMC's van Wall Street sterk beïnvloed door de normen van de internationale financiële wereld. Ze worden bijvoorbeeld net als bedrijven gekocht en verkocht, zijn meestal beursgenoteerd en hun aandeelhouders en investeerders verwachten elk kwartaal winst te zien. DynCorp International biedt een breed assortiment aan diensten. In 2013 boekte het bedrijf naar eigen zeggen een winst van drie miljard dollar en in het afgelopen decennium werd het met al zijn dochterondernemingen opgekocht door Computer Sciences Corporation (CSC) en vervolgens weer opgedeeld en verkocht aan Veritas Capital Fund, een private-equityfonds.

Het bedrijf ging in 2006 in New York de beurs op onder de afkorting DCP en vier jaar later werd het voor 1,5 miljard dollar opgekocht door een andere private-equityfirma, Cerberus Capital Management.

Dit soort deals komen geregeld voor in de private militaire industrie. Na de beschietingen in Bagdad in 2007 veranderde Blackwater zijn naam in Xe en later in Academi. Eerder dit jaar werd het bedrijf gekocht door Constellis Group, een ander groot private-equitybedrijf. Het Britse ArmorGroup International ging in 2008 de Londense beurs op en al snel nam G4S, een van 's werelds grootste beveiligingsfirma's en actief in 120 landen, het bedrijf over. Deze firma's gedragen zich net als elk ander beursgenoteerd bedrijf, behalve dat ze meevechten in oorlogen. De rol van bedrijven in oorlogen is gedurende de afgelopen decennia toegenomen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren dit soort bedrijven goed voor tien procent van het militaire personeel. Tijdens de Golfoorlog was dat al vijftig procent – tegenover elke militair stond een huurling.

De afgelopen tijd heeft het aantal militaire aannemers in operaties in Irak en Afghanistan historische hoogtes bereikt. In 2010 hebben de Verenigde Staten 175.000 soldaten en 207.000 aannemers ingezet in oorlogsgebieden. De laatste tien jaar legden procentueel gezien meer aannemers het loodje: ruim een kwart van alle Amerikaanse doden. In 2003 was dat nog maar 4 procent. Dat steeg tussen 2004 en 2007 tot 27 procent en vier jaar later was het al 40 procent. 2012 was het eerste jaar in de geschiedenis van de Verenigde Staten dat er in oorlogsgebieden meer aannemers dan militairen overleden.

Binnen tien jaar ging de omzet van de industrie van miljoenen naar miljarden, al blijft het precieze bedrag onbekend – schattingen van experts variëren van tien tot honderd miljard dollar per jaar. Het enige wat bekend is, is dat de contractuele verplichtingen van het Amerikaanse ministerie van Defensie tussen 1999 en 2008 – voor zowel beveiligings- als niet-beveiligingsfuncties – van 165 miljard naar 414 miljard dollar ging.

In 2010 gaf Amerika 366 miljard dollar uit aan contracten met militaire bedrijven (54 procent van het budget). Dat is zeven keer de hele defensiebegroting van het Verenigd Koninkrijk. De werkelijke uitgaven van de Verenigde Staten voor dit soort contracten blijft onbekend. De rol van oorlogsaannemers blijft ook veranderen. De grote meerderheid van aannemers in Irak en op andere plekken is onbewapend en levert niet-dodelijke logistieke hulp, zoals diensten in de bouw, onderhoud en administratie.

Logistiek wordt al van oudsher uitbesteed aan aannemers in het slagveld, en de grootste contracten zijn nog altijd logistiek van aard, zoals het Logistics Civil Augmentation Program van het Amerikaanse leger met een maximale waarde van 150 miljard dollar.

De aanwezigheid van gewapende aannemers is een nieuw en controversieel fenomeen. Het besluit om werk uit te besteden aan gewapende burgers die, wanneer het nodig is, van hun werkgever mogen doden, doet denken aan het inschakelen van huurmoordenaars. In 2010 was 12 procent (11,610 personen) van alle gecontracteerde aannemers in Irak en 13 procent (14,439 personen) in Afghanistan bewapend. Ondanks dat ze een kleine minderheid ten opzichte van hun onbewapende collega's vormen, resoneren hun daden – het doden van mensen – gezien de aard ervan veel harder door. Toen een ploeg van Blackwater op 16 september 2006 zeventien onschuldige burgers vermoordde op het Nisourplein in Bagdad, werd er een vloedgolf aan anti-Amerikaans sentiment gecreëerd. Het genereerde zoveel internationaal kwaad bloed dat de minister van Buitenlandse Zaken, Condoleezza Rice, de daden openlijk aankaartte en een officieel onderzoek startte.

Ondanks alle heisa wisten de betrokken aannemers van Blackwater straf te ontlopen, omdat zij dankzij de Amerikaanse wet immuun zijn voor de Iraakse wet. Veel mensen waren onthutst, waaronder de Iraakse minister-president Nouri al Maliki die boos reageerde: "We kunnen niet accepteren dat een beveiligingsfirma mensen doodt. Dit brengt de soevereiniteit van Irak ernstig in de problemen."

Het laat goed zien hoe de Verenigde Staten op het gebied van oorlogsvoering steeds afhankelijker worden van commerciële bedrijven. Alleen als ze hun militaire acties in het buitenland terugdringen of de dienstplicht weer invoeren, zal het privatiseren van oorlogen minder worden. De meeste PMC's hebben hun hoofdkwartier in de Verenigde Staten en het senior management bestaat vooral uit Amerikaanse burgers. Maar zoals de meeste multinationals hebben ze over de hele wereld kantoren. Als de Amerikaanse of de Britse regeringen hun regels zouden aanscherpen, kunnen ze altijd nog naar het buitenland vertrekken. Dubai is het ideale alternatief voor deze sector, gezien de ligging en bedrijfsvriendelijke wetgeving.

Net als groepen huurlingen in de Middeleeuwen zijn de mensen die voor private militaire bedrijven werken van veel verschillende nationaliteiten. In Irak was in 2010 slechts 26 procent van de werknemers Amerikaans en in Afghanistan was dat maar 14 procent.

Met andere woorden: de meeste mensen die voor deze Amerikaanse bedrijven werken in door Amerikanen gevoerde oorlogen, zijn niet eens Amerikaans. Waar moeten deze niet-Amerikanen naartoe als de bedrijven Afghanistan verlaten? Veel van hen zullen in eigen land kleinere PMC's opzetten of bedrijven in andere oorlogsgebieden opzoeken. Nu ontstaan er in Rusland, Oeganda en op andere plekken PMC's, en zij zijn minder kieskeurig in voor wie en hoe ze te werk gaan.

De moderne huurling is het gevolg van het besluit van de Verenigde Staten om meer te leunen op de private militaire sector – en Wall Street als verlengstuk daarvan – om oorlog te voeren. De helft van de Amerikaanse militaire macht in Irak en Afghanistan bestond uit huurlingen, en zonder hen was het onwaarschijnlijk dat de wereldmacht tegelijkertijd twee meerjarige oorlogen had kunnen voeren. Het was in deze tijd een handige politieke oplossing van de leiders, gezien een vroegtijdige terugtrekking op verlies zou lijken en de dienstplicht herinvoeren ondenkbaar was.

Toch moest voor deze oplossing een prijs betaald worden. De wereldmacht stelde een nieuwe norm in de internationale betrekkingen: het legitieme gebruik van private militaire krachten. Dit gebruik van huurlingen zorgde voor een nieuw type oorlogsvoering, waarin elk land dat zich een oorlog financieel kan veroorloven zich gewoon inkoopt. En huurlingen creëren ook oorlog: ze kunnen door middel van afpersing en plundering vraag voor hun eigen aanbod creëren. Dit scenario ontvouwt zich op dit moment langzaam maar zeker. Een wereld met private oorlog betekent dus meer oorlog.

Het valt te betwijfelen of iemand deze industrie kan reguleren. Toen Obama nog senator was stelde hij een wetgeving voor om dit te bewerkstelligen, om er als president vervolgens niet meer op terug te komen. Het blijft een feit dat deze bedrijven, zowel financieel als politiek, minder kosten dan alternatieven uit de publieke sector.

Het Witte Huis kan aannemers inzetten tegen IS in Irak, omdat ze niet als soldaten worden gezien. Elke poging tot het reguleren van deze firma's zal er alleen maar voor zorgen dat ze naar het buitenland vertrekken. Daar zullen ze dan, net als nu, vanuit een schimmig gebied in de wet opereren.

De toekomst van de private militaire industrie is rooskleurig. Er zijn vier trends die elkaar versterken: veerkracht, globalisering, localisatie en tweesplitsing. De industrie zal de Amerikaanse terugtrekking uit Afghanistan overleven door nieuwe cliënten te vinden. In feite gebeurt dat al, doordat nieuwe klanten en bedrijven dankzij globalisering op het wereldtoneel verschijnen. En terwijl de industrie de hele wereld over gaat, past het zich aan aan de plekken waar het op dat moment opereert. Warlords en andere autoriteiten hebben het private militaire model overgenomen om geld te verdienen en internationale cliënten, zoals de Verenigde Staten, kopen in. Tot slot splitst de industrie zich in tweeën met aan de ene kant de gereguleerde markt met militaire ondernemers, en aan de andere kant een vrije markt met huurlingen. Welke van die twee de overhand gaat krijgen in moderne oorlogsvoering is voor de komende jaren van essentieel belang. Het bepaalt namelijk de toekomst van oorlog en vrede op onze planeet.

Sean McFate is auteur van het nieuwe boek The Modern Mercenary: Private Armies and What They Mean for World Order (Oxford University Press), waaruit delen van dit stuk zijn overgenomen.

Meer VICE
VICE-kanalen