Drugs

Hoe het is om in een psychotische depressie te belanden

Toen ik twintig jaar oud was, werd ik psychotisch in Berlijn. Ik zwierf dagenlang door de stad met een hoofd vol duistere en paranoïde gedachten, angsten en hallucinaties – tot ik een zelfmoordpoging deed.

door Sophie de Vries
01 februari 2017, 4:44pm

Alle illustraties door Cilinder2d

Ik had van jongs af aan al een bijna romantische fascinatie voor de dood. Andere kinderen hadden een poster van Idols aan de muur; ik schreef in mijn dagboek dat ik dood wilde. Waar die doodswens vandaan kwam, weet ik niet. Ik had geen traumatische dingen meegemaakt, ik had een fijne jeugd, en ouders die van me hielden. Naarmate de jaren verstreken, werden de depressieve gevoelens erger. Op mijn vijftiende deed ik mijn eerste zelfmoordpoging.

Mede doordat ik regelmatig depressieve periodes had (en daar geen behandeling voor kreeg) heb ik geen middelbare school afgemaakt. Toen ik een jaar of negentien was, besloot ik weer aan een opleiding te beginnen. Ik deed een praktijkgerichte opleiding Hotelmanagement, waarbij ik één dag per week naar school ging en vier dagen werkte. In de maanden voor mijn psychose werkte ik vijftig uur per week als duty manager bij een hotel. Ik had het gevoel dat ik de hele wereld aankon: ik werkte veel, ging veel uit, had veel seksuele relaties. Ook sliep ik weinig.

Ik werd daadwerkelijk psychotisch rond oud en nieuw. Op oudejaarsavond was ik met goede vrienden op een huisfeestje, waar we hebben afgeteld en daarna nog lang hebben gezeten, om in de ochtend van nieuwjaarsdag naar een club te gaan. Na dat feest, om een uur of vijf 's middags, ging ik naar een after bij een vriend thuis om nog een beetje te hangen en de laatste dingen in te pakken voor Berlijn. Ik zou later die avond opgehaald worden met de auto, om samen met een vriendin en een groep mensen naar Berlijn te gaan.

In Berlijn belandde ik in een draaikolk van nog meer drugs en feesten. We struinden een paar dagen clubs af, dwaalden overdag wat rond en gebruikten allerlei soorten drugs; we sliepen nauwelijks. Ik gedroeg me toen blijkbaar al vreemd, hoorde ik achteraf, maar de vriendin waarmee ik was voelde zich ook niet bepaald top en de rest van de groep durfde er niets van te zeggen – blijkbaar ging ik wel hard, en bovendien kende ik ze eigenlijk alleen van uitgaan. Toen een groepje Berlijnse meisjes een nare opmerking maakte in een club, ging mijn psychose over van 'vreemde dingen uitkramen' in een psychotische depressie. Ik kon de uitgang van de club niet vinden, en rende angstig heen en weer. Ook dacht ik dat mijn vriendin zich tegen me had gekeerd, dus toen ik eindelijk de uitgang had gevonden, spurtte ik in mijn eentje naar het hostel.

Na een tijdje kwam mijn vriendin ook naar het hostel. Blijkbaar heb ik een halve dag met haar gepraat: over hoe slecht en giftig ik was, dat de hele wereld nep was, dat soort dingen. Ze probeerde mij ervan te overtuigen dat dit niet zo was, maar dat haalde niets uit, zo vertelde ze me later. In mijn herinnering heeft dit allemaal vijf minuten geduurd. Ik pakte mijn spullen en vertrok.

Ik ging linea recta naar Berlin Hauptbahnhof. Ik was helemaal verward en het lukte me niet om het juiste perron te vinden om terug naar huis te gaan. Toen ik verwilderd iemand om hulp vroeg, werd ik afgevoerd naar een Berlijns ziekenhuis. Het was een vreemde ervaring. Ik had wel enigszins door dat ik niet helemaal honderd was, en belde mijn ouders op dat ze me moesten komen halen, wat helaas niet kon – ze hebben allebei geen auto, en ze dachten dat het wel meeviel en ik het wel zou redden naar het station.

Enkele uren later zakte ik verder weg in de psychose, en dacht ik dat ze me opsloten. Ik bonkte in paniek tegen de deuren bij de uitgangen, huilde zachtjes, beschadigde mezelf en probeerde een analyse te maken van alle complotten die op dat moment op zijn plaats vielen. Ik vertelde niets hierover tegen de arts. Omdat ik mijn ouders had gesproken en herhaaldelijk had gevraagd of ze de deur open wilden doen, mocht ik weg.

Hoe langer ik nadacht hoe groter en dieper de complotten werden; zo dacht ik dat ik het wandelende voorbeeld was van alles wat slecht was in de wereld, en dat ze me daarom in leven hadden gehouden. Iedereen op straat wist wie ik was en praatte over me. Ik liep steeds verder Berlijn in, en vluchtte weg van iedereen die ik zag op straat. Ik moet een dag of drie hebben rondgezworven. Ik trok me terug in bouwvallen en parkeergarages, in lege speeltuinen en portieken. Ik was zo paranoïde dat ik zelfs dacht dat de kwetterende vogels een afspeelband waren om me te kwellen, dus aan slapen kwam ik amper toe.

Ik besloot een einde aan mijn leven te maken door mezelf op te hangen aan mijn jas in een speeltuin. Alles was één grote waas, en ik nog steeds het tijdsverloop niet precies terughalen, maar op een gegeven moment werd ik wakker. Ik had in mijn broek geplast en kon bijna niet lopen. Ik had ook al dagen niet gegeten. Dat was het moment dat iets heel diep in me zei dat ik terug naar Nederland moest. Op de een of andere manier lukte het me om anderhalve dag daarna in Nederland aan te komen. Onderweg ben ik nog in de cel beland omdat ik geen kaartje had. De spoorwegpolitie had me aangehouden en op een tussengelegen station vastgehouden. Ze moeten de rare blik en de angst in mijn ogen hebben gezien, want na een paar uur mocht ik weg. Omdat ik zo van de realiteit was losgekoppeld, heb ik ook nog de verkeerde trein genomen, waardoor ik uiteindelijk weer helemaal terug moest van Berlijn naar Nederland.

Eenmaal aangekomen bij mijn moeder keek ik rond in mijn kinderkamer. Ik was al dagen vermist, dus zij was erg opgelucht om me te zien, maar ook intens geschrokken door de blik in mijn ogen. Ik verscheurde van alles en huilde en schreeuwde. Vier agenten kwamen me ophalen. Ik heb met ze gevochten omdat ik niet mee wilde. Ik heb, zo heb ik gehoord, twaalf uur in een cel doorgebracht met mijn moeder voordat ik werd meegenomen naar een psychiatrische kliniek in een buitenwijk van de stad waar ik ben opgegroeid.

Ik heb de eerste drie dagen in een isolatiecel doorgebracht, omdat ze de enorme blauwe plekken in mijn hals hadden gezien. Het waren de drie meest vredige dagen van mijn opname, waarin ik voornamelijk heb geslapen. De dag erna kwamen mijn toenmalige vriendje, en mijn allereerste liefde langs. Doordat ze achter elkaar op bezoek kwamen, dacht ik dat ze met elkaar in een complot zaten. Maar in die tijd zocht ik achter alles een complot: elk woord dat ik hoorde, alles wat ik zag.

Op het dieptepunt van mijn psychose had ik enorme schuldwanen; ik dacht dat ik allerlei mensen zeker twee ton schuldig was. Ik stond zo stijf van de angst doordat ik ervan overtuigd was dat er overal camera's waren, dat mijn fysieke coördinatie niet langer werkte en ik had al moeite had om een deur open te krijgen. Ik hallucineerde vaak en hoorde stemmen. Ik sliep weinig, en op de momenten dat ik dat wel deed, belandde ik in een lucide droom waarin mensen mij achtervolgden, probeerden te vermoorden en nare dingen tegen en over me zeiden. Als ik 's nachts lichten zag door de ramen, dacht ik dat ze met de koplampen van een auto naar binnen schenen om mij belachelijk te maken – maar het was gewoon de ambulance, die nieuwe patiënten binnenbracht. Ik onderstreepte allerlei woorden in de boeken die mijn moeder voor me had meegenomen, en dacht dat mensen sigaren rookten omdat ik de sigaar was.

Ik viel ongeveer acht tot tien kilo af en ik ben normaal al vrij slank, dus ik was vel over been. De verplegers probeerden me medicijnen te geven, maar ik dacht dat het een nepkliniek was en dat ze me probeerden te vergiftigen, dus spaarde ik de pillen op om zelfmoord mee te plegen zodra ik er genoeg had. Elke minuut voelde als een uur. De gedachten raasden door, bedekt onder een diepe laag van schuld. Ik kon alleen nog maar denken aan alle slechte dingen die ik had gedaan. In de kliniek sneed ik mezelf elke dag in mijn benen – ik had na een paar weken een scheermesje weten te bemachtigen. Ik probeerde te ontsnappen, maar dat lukt niet zomaar. Er waren zeker vier deuren die op slot zaten, die me tegenhielden.

Op een dag hoorde ik dat ze me ook antidepressiva gingen geven. En ook al was het vergif, dacht ik: laat ik het toch maar eens proberen. Na drie weken begonnen de antidepressiva te werken. Het was ongelofelijk bevrijdend om van die depressieve gedachtes verlost te zijn, en voor het eerst voelde ik weer dat mensen van me hielden. Ik werd van weeromstuit hyperactief. Er waren ochtenden dat ik wandelingen maakte, ging sporten, meedeed aan creatieve therapie, in mijn kamer tekende, mensen belde. Ik was behoorlijk op hol geslagen. Maar na een paar weken in die manische staat, was ik voor mijn gevoel te 'normaal' geworden om nog langer opgenomen te zijn. Ik overtuigde de psychiaters en verpleegkundigen dat het weer ging, en mocht gaan. Bij elkaar was ik drie maanden opgenomen. Het voelde alsof er een jaar was verstreken.

Toen ik weer thuis was, heb ik de pillen die ik had opgespaard in de gracht gegooid. Daarna heb ik allerlei soorten hulp gehad: dagbesteding, cursus voor bipolaire mensen (wat ik niet bleek te hebben), een gespecialiseerde psycholoog. Helaas kan ik niet zeggen dat het hielp. Het was vooral symptoombestrijding, en vaak hield ik het na een paar behandelingen wel weer voor gezien. Dan dacht ik weer dat ik het zelf wel kon oplossen, en me niet zo moest aanstellen.

Dat was een vergissing. Twee jaar nadat mijn psychotische depressie deed ik weer een zelfmoordpoging, maar werd ik bijtijds ontdekt.

Ik denk dat ik toen geen andere keuze meer had dan in intensieve behandeling te gaan: het was sterven of hulp zoeken. Dat klinkt misschien dramatisch, maar dat is hoe ik het heb ervaren. Een paar weken erna besloot ik te 'kiezen' voor het leven. Toen ik eenmaal die keuze had gemaakt, heb ik keihard gewerkt om de neerwaartse spiraal te doorbreken. Ik heb nog regelmatig psychotische gedachtes, en moet eerlijk zeggen dat mijn cognitieve functies (waaronder geheugen en spraakvermogen) nooit meer hetzelfde zijn geworden. Ik denk niet dat een depressie of een psychotische depressie me snel weer zal overkomen, of hooguit in lichte vorm. Door de ervaringen in combinatie met de behandelingen, heb ik een grote dosis zelfreflectie en zelfkennis gekregen, en weet ik wat ik eraan kan doen als ik weer eens een beetje losgekoppeld raak van de realiteit. Ook weet ik dat de psychotische gedachtes niet absoluut hoeven te zijn: soms zijn het complete leugens, maar regelmatig schuilt er ook een kern van waarheid in, waar ik naar probeer te luisteren.

Momenteel voel ik me erg sterk. Ik vind het belangrijk om er voor mijn vrienden te zijn – tot een half jaar na mijn psychose kon ik amper mijn eigen hoofd aan. Ik was heel kwetsbaar. Nu haal ik zelfvertrouwen uit de mooie vriendschappen die ik heb, zie ik de schoonheid van het leven en ben ik bezig met wat ik het allerliefste doe. Ik studeer weer, heb leuke baantjes, ben gestopt met antidepressiva en focus me op de toekomst. Ik heb af en toe nog waangedachtes, en koester nog steeds romantische gevoelens voor de dood. Het voelt een beetje als het zwak dat je altijd houdt voor je eerste grote liefde, hoewel eerste liefdes doorgaans niet de meest succesvolle zijn, en je er absoluut niet naartoe terug wil keren.

Toch geloof ik dat ik echt ben veranderd, door mijn ervaringen en de behandeling van mijn huidige psychiater, maar vooral door de keuze voor het leven. Ik heb deze week gehoord dat ik mijn behandeling mag afsluiten.

De naam van de auteur is om privacyredenen gefingeerd en is bekend bij de redactie.