Pratende mond met Japanse karakters
Collage door Hunter French | Afbeeldingen via Getty en Shutterstock

Verlaagt Japans spreken het risico op verspreiding van het coronavirus?

We denken vooral aan hoesten en niezen als het gaat over virusoverdracht, maar uit onderzoek blijkt dat wat we zeggen en hoe we praten er wellicht ook toe doen.
29 juni 2020, 10:24am

Tijdens de SARS-uitbraak in 2003 waren bijna alle gevallen in Amerika van mensen die vermoedelijk het virus hadden, naar delen van de wereld geweest waar SARS zich verspreidde, zoals China. Maar in juli van dat jaar onthulde Sakae Inouye, onderzoeker aan de Otsuma Women's University in Tokio, iets raadselachtigs: ondanks dat er meer Japanse dan Amerikaanse toeristen naar China waren geweest, was er in Japan geen SARS uitgebroken. Sterker nog: er waren in dat land nul officieel gerapporteerde gevallen.

Inouye schreef een brief naar het medische tijdschrift The Lancet, waarin hij suggereerde dat SARS misschien makkelijker werd overgedragen als je een bepaalde taal – zoals Chinees of Engels – sprak, vanwege de hoeveelheid lucht die je moet in- en uitademen om de klanken van die talen te produceren.

Als in het Chinees “de medeklinkers p, t, k, q, ch en c voor een klinker staan, worden ze met een krachtige ademstoot uitgesproken,” schreef hij. En in het Engels moet je ook uitademen om de p, t en k uit te spreken. Maar niet in het Japans. Hij merkte ook op dat het p-geluid niet zo vaak voorkomt in het Japans.

Hij opperde verder dat een Chinees vooral Engels tegen een Amerikaanse toerist zou spreken. “En daarom geloof ik dat Amerikaanse toeristen meer zouden worden blootgesteld aan besmettelijke druppels dan Japanse toeristen.”

Het idee dat de overdracht van ziekten mogelijk ook afhangt van de taal die je spreekt, staat nu opnieuw in de aandacht vanwege de huidige SARS-CoV-2-pandemie.

Op 14 mei begon Japan de coronamaatregelen op te heffen – ongeveer twee weken eerder dan gepland. Er raken nu nog maar ongeveer 0,5 per 100.000 mensen besmet met het coronavirus, en dat hebben ze bereikt zonder strenge afstandsmaatregelen of het grootschalige testen dat we in andere landen zien. Onlangs verscheen er op Bloomberg een artikel met de kop ‘Did Japan Just Beat the Virus Without Lockdowns or Mass Testing?’ Zelfs in Tokio, de meest dichtbevolkte stad ter wereld, is het aantal besmettingen beperkt gebleven.

Er wordt online veel gespeculeerd over de vraag waarom Japan er zo gemakkelijk van af is gekomen. Hitoshi Oshitani, een viroloog en expert op het gebied van volksgezondheid aan de Tohoku-universiteit, vertelde aan het wetenschappelijk tijdschrift Science dat het land clusters van infecties had geïdentificeerd om verspreiding te voorkomen. Ook drong het land erop aan om afgesloten ruimtes, drukke menigtes en situaties waarin je face-to-face moet praten te vermijden. Er zijn daarnaast nog andere andere factoren te bedenken waarom Japan op dit gebied zo’n succesverhaal is: mondkapjes waren al veel langer ingeburgerd en er werd veel gedaan op het gebied van contactonderzoek.

De taalkwestie staat nu ook weer in de belangstelling. Wellicht is er iets aan de Japanse taal waardoor mensen minder virusdeeltjes produceren om aan anderen door te geven. In mei ging er een filmpje van de Japanse televisie viral op Twitter, waarin een vrouw te zien is die eerst in het Japans en daarna in het Engels “Dit is een pen” zegt. Er hangt een wit doekje voor haar gezicht, en als de vrouw Engels spreekt, wappert het doekje woest door de adem die ze uitstoot. Als ze dezelfde zin in het Japans zegt, blijft het doekje vrijwel helemaal stilhangen.

Een van de manieren waarop het coronavirus tussen mensen wordt overgedragen is via speekseldruppeltjes die op oppervlakken kunnen vallen en vervolgens via aanraking op de gezichten van mensen kunnen belanden. Vooral door te hoesten of te niezen kun je de ziektebevattende druppels, die vaak zo groot zijn dat je ze ook met het blote oog kunt zien, erg goed overdragen.

Maar ook tijdens het praten produceren we druppeltjes die weliswaar veel kleiner zijn, maar toch groot genoeg zijn om pathogene virussen te kunnen dragen. Er wordt nu veel gediscussieerd over de vraag hoe goed COVID-19 zich door de lucht kan verspreiden via deze kleine deeltjes – ook wel aerosolen genoemd. Er zijn gevallen bekend waarin mensen besmet raakten bij zangkoorrepetities, restaurants en callcenters, wat suggereert dat SARS-CoV-2 misschien wel kan meeliften met aerosolen en in de lucht kan blijven hangen.

Twee recente onderzoeken hebben aangetoond dat je door normaal te praten duizenden kleine deeltjes kan uitstoten, die meer dan 10 minuten in de lucht kunnen blijven hangen. En uit een ander recent onderzoek blijkt dat het ene spraakgeluid meer deeltjes produceert dan het andere. Er worden bijvoorbeeld meer deeltjes uitgestoten als je een zin zegt met veel klinkers erin.

“Als je eee zegt, stoot je meer deeltjes uit dan wanneer je ahhh zegt,” vertelt William Ristenpart, chemisch ingenieur en expert over overdrachtsfenomenen aan de Universiteit van Californië-Davis. In een onderzoek dat Ristenpart en zijn collega’s in januari deden, ontdekten ze dat het uitspreken van de zin “The rainbow is a division of white” voor veel meer aerosolen zorgde dan de zin “A sign from the gods to foretell war.”

We kunnen alleen nog geen bepaalde talen aanwijzen die mogelijk meer of minder riskant zijn voor de overdracht van virusziekten. Ristenpart zegt dat het volume waarmee iemand praat misschien wel bepalender is dan de individuele taalverschillen. Ristenpart en zijn collega’s ontdekten ook dat sommige mensen veel meer deeltjes leken uit te stoten dan anderen – ongeacht hun taal of volume. Meerdere experts pleiten voor meer onderzoek naar de verschillen tussen soorten spraak, ademhaling en zang – vooral ook omdat er beleid wordt gemaakt over het dragen van mondkapjes, hoeveel afstand we van elkaar moeten houden en op welke plekken mensen zich mogen verzamelen. Welke soorten spraak- of zangactiviteiten kunnen – ongeacht de taal – bijvoorbeeld binnenshuis worden gedaan?

Uit een onderzoek van het Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention (CDC) bleek dat één persoon met COVID-19 in de Amerikaanse staat Washington in de loop van een zangkoorrepetitie van tweeënhalf uur 52 andere mensen had besmet, van wie er twee stierven.

En dat was niet de eerste keer dat zang betrokken was bij de verspreiding van ziekten. In de jaren zestig onderzochten wetenschappers wat de rol van zingen was bij de verspreiding van tuberculose. Ze ontdekten dat het aantal aerosolen dat vrijkomt bij zingen zes keer groter was dat het aantal dat vrijkomt als je gewoon praat – ongeveer hetzelfde aantal dat je produceert als je hoest.

Van 1 tot 100 tellen levert zes keer zoveel kleine deeltjes op als één hoest, bleek onlangs uit een onderzoek in Journal of Aerosol Science. En in 2009 bleek uit een onderzoek dat 30 seconden lang constant hoesten slechts de helft van de hoeveelheid deeltjes oplevert dan wanneer je 30 seconden lang “aaah” zegt.

Er wordt aangenomen dat de deeltjes afkomstig zijn van de slijmvlieslaag die de luchtwegen bedekt. Deze deeltjes zijn ontzettend klein: ongeveer 1 micron in doorsnede (een micron in een miljoenste van een meter). We weten dat er andere ziekteverwekkers in deze minuscule deeltjes kunnen zitten. Uit onderzoek uit 2016 en 2018 bleek dat er besmettelijke griepdeeltjes in de aerosolen zaten van mensen die griep hadden. Die mensen hoesten of niesten niet, maar ademden gewoon op natuurlijke wijze.

Deze kleine deeltjes vormen mogelijk een groter risico op besmetting. Ze zijn zo klein dat ze langer in de lucht blijven hangen en omdat ze dieper de luchtwegen in kunnen dringen. En omdat praten vaker voorkomt dan hoesten of niezen, is de kans groter dat zulke deeltjes vrijkomen.

Uit een recent onderzoek in The Proceedings of the National Academy of Sciences bleek dat je door te praten duizenden kleine aerosoldruppeltjes in de lucht kunt uitstoten. Ze ontwijken de zwaartekracht en kunnen tussen de 8 en 14 minuten in de lucht blijven zweven.

De onderzoekers van het National Institute of Diabetes and Digestive and Kidney Diseases vroegen mensen om de woorden “stay healthy” uit te spreken en maten ondertussen de hoeveelheid deeltjes die ze uitstootten. Er werden ongeveer 2600 kleine druppeltjes per seconde geproduceerd. En hoewel de proefpersonen in het onderzoek niet ziek waren, schatten de onderzoekers dat een minuut hard praten ongeveer 1000 virusbevattende druppels zou kunnen produceren. Voor die schatting maakten ze gebruik van informatie uit eerdere onderzoeken.

“Voor asymptomatische mensen zorgen de speekseldruppels die worden gemaakt door eenvoudige spraak – niet door hoesten of niezen – waarschijnlijk voor de meerderheid van de deeltjes die een mens uitstoot,” zegt Lisa Yuan, woordvoerder van de auteurs van het onderzoek. “Maar er is meer onderzoek nodig om erachter te komen hoeveel virusdeeltjes er aanwezig zijn in de druppels die van spraak komen.”

De verschillende soorten spraak zijn nog niet zo nauwkeurig onderzocht – laat staan de verschillende talen. In het verleden waren de onderzoeken volgens Ristenpart vooral gericht op de verschillen tussen praten en hoesten, en niet op de verschillen tussen fonemen, oftewel de basale geluidscomponenten van spraak.

In januari onderzochten Ristenpart en zijn collega’s of de uitstoot van aerosolen veranderde per foneem. Ze vroegen mensen om losse geluiden en bisyllabische woorden (zoals baba, papa, dada) te zeggen en lieten hen een stuk tekst voorlezen dat ‘The Rainbow Passage’ heet. Die passage wordt vaak gebruikt bij taalkundige onderzoeken. De zinnen “The rainbow is a division of white” en “A sign from the gods to foretell war” zijn hier ook uit afkomstig.

Ze ontdekten dat het uitspreken van sommige fonemen leidde tot een grotere hoeveelheid aerosolen. De klinker /I/ – het geluid dat je hoort in de Engelse woorden need en sea – zorgt voor meer kleine deeltjes dan /ɑ/ – het geluid in de Engelse woorden saw en hot. Klinkers worden vaak luider uitgesproken en de geluiden worden gemaakt zonder een belemmering in het spraakkanaal, wat betekent dat er geen barrière is voor de uitstoot van de deeltjes.

Talen hebben allemaal verschillende fonemen die het meest worden gebruikt en verschillende spraaksnelheden. Ristenpart en zijn collega’s schreven dat hun onderzoek suggereert dat “de overdracht van ademhalingsdeeltjes in de lucht mede afhankelijk zou kunnen zijn van de fonetische kenmerken van de gesproken taal.”

Maar de fonemen in de Japanse taal zijn op zichzelf niet voldoende om te verklaren waarom de COVID-19-besmettingen in het land zo snel zijn afgenomen. Ristenpart benadrukt dat er heel veel factoren zijn die de overdracht van aerosolen bepalen. Het gaat lang niet alleen om de manier waarop iemand spreekt en ook niet alleen maar om de hoeveelheid deeltjes die vrijkomen. Het hangt er ook van af waar je bent, hoe de luchtstroom is, hoelang je wordt blootgesteld aan de besmettelijke deeltjes, hoeveel deeltjes er in de lucht hangen en hoe het immuunsysteem van een persoon reageert als die deeltjes in het lichaam terechtkomen.

“Er zijn zoveel dingen om rekening mee te houden,” zegt Ristenpart. “Misschien speelt de keuze van de gesproken taal een rol, maar misschien staan Japanners gemiddeld genomen ook wel wat verder uit elkaar, praten ze stiller of praten ze gewoon minder.”

Ook Inouye, die voor het eerst schreef over hoe Japanners minder deeltjes uitstoten, kwam een jaar later in een brief aan Improbable Research met een andere hypothese. “Mijn nieuwe hypothese: Japanners schudden geen handen, maar buigen,” schreef hij.

De verspreiding van pathogenen kan enigszins worden beïnvloed door de taal die je spreekt, maar nog veel meer doordat bepaalde mensen gewoon meer deeltjes uitstoten als ze praten. Uit onderzoek uit 2019 bleek dat er een klein aantal mensen “superuitstoter” was. Zij produceerden veel meer deeltjes dan de anderen – ongeacht welke taal ze spraken of hoe hard ze praatten.

“We noemden dat de ‘loud-mouth-hypothese’,” zegt Ristenpart. “Sommige mensen praten behoorlijk hard en redelijk vaak, dus zij zullen meer uitstoten. Maar er zijn ook andere mensen die veel meer uitstoten dan anderen, om redenen die we niet begrijpen.”

Toch denkt Ristenpart dat taal – zowel welke geluiden er worden gemaakt als hoe hard die worden uitgesproken – epidemiologisch gezien in overweging moet worden genomen, vooral als je wil onderzoeken waarom een land hoge of lage besmettingspercentages heeft.

In een artikel dat onlangs verscheen in Science schreven wetenschappers van de Nationale Sun Yat-sen-universiteit in Taiwan en de Universiteit van Californië-San Diego dat zij dachten dat een groot gedeelte van de verspreiding van COVID-19 “lijkt te gebeuren door de overdracht van aerosolen in de lucht, die door asymptomatische individuen tijdens het ademen en spreken worden geproduceerd.”

Als je samenlevingen weer open wilt gooien, moeten er volgens hen maatregelen genomen worden om die aerosol-overdracht aan te pakken. Iedereen zou bijvoorbeeld gevraagd kunnen worden om een mondkapje te dragen. De aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie om anderhalve meter afstand te houden en je handen te wassen zijn gebaseerd op onderzoeken uit de jaren dertig, waarin werd aangetoond dat grote druppels van hoesten en niezen snel op de grond vallen. “Maar toen die onderzoeken werden uitgevoerd, bestond er nog geen technologie om submicron-aerosolen te detecteren,” schreven de auteurs. “Gezien het feit dat er weinig bekend is over de productie van besmettelijke ademhalingsdruppeltjes en hun gedrag in de lucht, is het moeilijk om een veilige afstand vast te stellen om van elkaar vandaan te blijven.

Uiteindelijk is het veel minder riskant om buiten af te spreken, op minimaal anderhalve meter afstand. “Als je buiten bent, verspreiden de spraakdruppels zich snel in de ruimte om ons heen. Dus als je op voldoende afstand van iemand anders staat, is de kans dat je iemand besmet kleiner,” zegt Yuan.

“Het is – ook buitenshuis – verstandig om langdurige face-to-face-gesprekken met andere mensen te vermijden, tenzij je ver uit elkaar zit en in een goed geventileerde ruimte bent,” vertelde Linsey Marr, professor civiele en milieutechniek aan Virginia Tech, aan The New York Times.

Maar in mei publiceerde de Amerikaanse regering richtlijnen voor het heropenen van kerken en andere gebedshuizen, waarin de waarschuwingen over zingen verwijderd waren. Oorspronkelijk werd aanbevolen om “zangkoren/muziekensembles op te schorten of op zijn minst te verminderen, net als het samen zingen, scanderen of reciteren tijdens diensten.”

Dat is zorgwekkend, vooral als je bedenkt waarom volgens de CDC de mensen in het eerdergenoemde zangkoor in Washington zo vatbaar waren voor besmetting: “De leden waren intens en lang aan elkaar blootgesteld terwijl ze op een afstand van 15-25 centimeter van elkaar vandaan zaten en mogelijk aerosolen uitstootten.”

Dat is een groot verschil met Japan, waar het volksgezondheidbeleid op z’n x zachtst gezegd anders is dan in Amerika. Zelfs in het Tokyo Disney Resort en bij Universal Studios Japan worden bezoekers nu aangeraden om te proberen niet te schreeuwen in achtbanen.

We weten nog steeds niet welke activiteiten waarbij we uitademen – zoals ademen, praten, hoesten, schreeuwen, zingen of niezen – het risicovolst zijn als het gaat om de overdracht van ziektes – of dat nou om COVID-19 of andere (toekomstige) ziektes gaat.

Ristenpart heeft echter wel een goed idee: “Een mogelijke, makkelijke maatregel zou zijn om iedereen aan te raden om te praten alsof ze in een bibliotheek zijn.”

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op VICE US