FYI.

This story is over 5 years old.

Stuff

Rust in vrede, meneer Chahid

Vorige week overleed mijn onderbuurman onder verdachte omstandigheden, waardoor ik me ging afvragen: hoe goed kennen we onze buren eigenlijk?
2.9.13

Op mijn slaapkamermuur flikkert ineens een blauw licht. Als ik uit bed stap en door mijn raam naar buiten kijk zie ik twee politieauto’s, twee ambulances en een brandweerwagen mijn straat blokkeren. Spannend, denk ik nog. Tot een jongen paniekerig mijn pand uit komt en op de stoep in elkaar zakt. Agenten en ambulancebroeders snellen naar binnen, op de gang klinkt veel rumoer. Een half uur later belt een agent bij mij aan en zegt dat meneer Chahid, mijn onderbuurman, is overleden “onder verdachte omstandigheden”.

Weet jij wie je buren zijn? Ervan uitgaande dat je als jongvolwassene in een (middel)grote stad woont, en dus in een flatgebouw, heb je iemand boven, naast en beneden je wonen. En nog wat buren in de rest van het pand. Je ziet de naambordjes, maar ken je hun voornamen? Weet je wat ze in hun vrije tijd doen, of ze gelukkig zijn? Zeg je ze gedag als je ze tegenkomt? Ik wil in ieder geval niet leven in een maatschappij, of een buurt, met alleen maar vreemden. Ik wil weten wat er twee meter boven, onder of naast mij gebeurt.

Advertentie

Mijn buren zijn gelukkig geen totale vreemden. Met Tom de reisfotograaf mag ik graag een biertje drinken. Hij kwam zelfs langs op mijn verjaardagsfeest, waar trouwens geen van de buren over klaagden, zelfs niet om tien uur ’s ochtends. In het pand wonen verder een vriendelijke alcoholist, een rustig stel, een ander koppel dat graag blowt en series kijkt in het donker, en een vrouw met een te ingewikkelde naam om te onthouden. Ze is net zo weinig thuis als ik.

De bejaarde Riny op de begane grond is de koningin van de straat; ze weet alles van iedereen. Door het raam van haar slaapkamer roddelt ze vaak met haar vriendin aan de overkant, over wie toch elke keer die sigarettenpeuken naar beneden gooit. Of ze rommelt wat in de bloembakken die ‘ons’ stoepje zo mooi maken, al is het technisch gezien gemeentegrond. En dan is er dus de vriendelijke meneer Chahid op de tweede verdieping. Of was.

Ik sta in de deuropening met de blonde dame van de politie te praten. Mijn T-shirt zit binnenstebuiten, mijn ogen kunnen het tl-licht moeilijk verdragen. Mijn onderbuurman is onder verdachte omstandigheden overleden, dus ze wil me wat vragen stellen. Is mij iets opgevallen? Ik hoorde een klap, vlak voor de troepen kwamen aanzetten. Alsof iets, of iemand op de grond viel. Maar het is een gehorig pand, ik hoor mijn buren zelfs pissen.

Dan vraagt ze wanneer ik mijn buurman voor het laatst heb gezien. Ik zink weg in gedachten. Het was natuurlijk in het trappenhuis. Ik had haast weet ik nog, en sjouwde met tassen vol was. Ik had niet veel zin in een praatje, maar zoals altijd riep meneer Chahid enthousiast: “Hééé, Ali, alles goed?” Hij noemde me altijd bij mijn achternaam. Hij was Marokkaans, ik ben half Pakistaans. Hij was moslim, ik ben het al lang niet meer. Maar Arabische namen scheppen een band.

Advertentie

“Maar hoe lang is dat geleden?”, herhaalt de agent. Ik schaam me dat ik het antwoord niet weet. Drie dagen geleden? Vier? “Minder dan een week,” zeg ik voor de zekerheid. Als het vraaggesprek voorbij is dringt het pas tot me door. “Maar hij is dus echt dood?”, vraag ik. Ze knikt. Heel even denk ik zijn sterke, zoete parfum te ruiken. Dan lopen twee enorme agenten in burger achter haar langs, en schrik ik wakker. Ik word formeel bedankt en mag gaan slapen.

Wat weet ik van meneer Chahid? Hij had een volwassen zoon, die soms een tijdje bij hem woonde. Was dat de jongen die het pand uitrende, had hij 112 gebeld? Maar wie was dan de jongen die hem op straat kalmeerde? En waarom sprak de één Engels en de ander Nederlands tegen de agenten? Wat ik zeker weet is dat de jongen die hier tijdens de ramadan verbleef ’s nachts stiekem uit het raam pafte. De rook steeg dan op langs mijn slaapkamerraam en de peuken eindigden in Riny’s bloembakken.

Lieve meneer Chahid. Altijd verzorgd gekleed, zijn spaarzame haartjes netjes opzij gekamd, en die sterke parfum. In zijn mooiste djellaba ging hij naar de moskee. Hij werkte niet, maar was te jong om met de VUT te zijn. Of niet? Hoe oud was hij… 55, 60? Je hoorde hem nooit, tenzij hij aan het bellen was met Marokko, wat soms uren duurde. Bulderend gelach. Hij kookte zelf, en deed dat altijd laat op de avond. Rond tien uur sijpelde de geur van een tajine door mijn houten keukenvloer naar boven, waardoor ik altijd weer trek kreeg.

Willekeurige fragmenten uit het leven van een man die ik niet kende. Minder dan een week geleden liep hij nog opgewekt de trap af, naar buiten, het zonnetje in. Niets aan de hand. Maar wat is er op die woensdagavond in dat huis gebeurd? Een dag later zijn alle sporen van de CSI-toestand in ieder geval gewist. Alleen de rode deur van meneer Chahid is verzegeld met paarse stickers. Ik loop mijn buurmeisje tegen het lijf. “Erg hè, van de buurman?”, zegt ze met gepijnigde blik. “Ja,” antwoord ik, “vreemd.” Meer kun je niet zeggen. Het was erg, en vreemd. Maar ik moet naar mijn werk, en zij ook. We zijn buren, geen vrienden of familie.

Zondagmiddag belden twee rechercheurs aan met aanvullende vragen, waar ik geen zinnig antwoord op had. De werkelijke doodsoorzaak zal pas over een tijd worden onthuld, in een buurtbijeenkomst of zo. Ondertussen zal de gemeentelijke reinigingsdienst het huis leeghalen, waarna het voor anderhalve ton wordt verkocht aan dolblije nieuwe bewoners. Het gezicht van meneer Chahid zal ik langzaam vergeten. Ik zal me netjes voorstellen aan de nieuwe buren, die ik niets vertel over dit incident. Ik zal ze elke keer vriendelijk gedag zeggen, vragen wanneer ze op vakantie gaan, en hun voornamen onthouden.