nieuws

In Sierra Leone zijn de ebolavrijwilligers van het Rode Kruis paria’s geworden

Sierra Leone is officieel ebolavrij, maar de helden van de crisis kunnen nog niet naar huis. Medewerkers van de ebolateams worden op straat gemeden.

door Fleur Launspach
10 november 2015, 12:47pm

Alle foto's door de auteur

Sierra Leone vierde afgelopen weekend het einde van de ebola-epidemie. Maar terwijl de potjes desinfecterende gel worden opgeborgen en de roadblocks worden opgedoekt, kunnen de jongens van het begrafenisteam niet zomaar terug naar hun oude leven.

De lokale jongeren die het afgelopen jaar vrijwillig deelnamen aan de begrafenisteams worden in Sierra Leone ook wel 'ebola champs' genoemd. Ze haalden de lijken op en begroeven die – een van de meest risicovolle taken tijdens de ebolacrisis. Hun motto: 'Je eerste fout is je laatste fout.' Eén verkeerde handeling – het zweet van je voorhoofd vegen met je besmette handschoen – kan je je leven kosten.

Lachend noemen ze elkaar "brother" en "boss", maar er schuilt iets mistroostigs achter die broederlijke sfeer. Nu is Sierra Leone voorlopig ebolavrij, maar daarmee is de maatschappelijke angst voor het dodelijke virus en de besmette lijken waarmee ze dag in dag uit door de straten van Freetown zeulden nog lang niet verdwenen. Ze zijn niet meer welkom bij hun familie en worden gemeden door vrienden en dorpsgenoten.

"Ik heb meer dan duizend lichamen begraven," vertelt Mohammed Sylvanus (28). Hij studeerde civiele techniek maar kwam tijdens de ebolacrisis afgelopen jaar onverwacht aan het hoofd te staan van negen begrafenisteams van het Rode Kruis in Freetown. Onder zijn leiding werden 150 jonge en veelal onervaren vrijwilligers in vijf dagen getraind voor een taak die van levensbelang was, maar sterk onderschat werd.

Mohammed leerde zijn teams de lijken in dubbele bodybags te ritsen, en die om besmetting en opgraving te voorkomen acht meter diep onder de grond te stoppen, in plaats van zes meter. "Het moeilijkste deel is het uitrekken van de pakken nadat het lijk in de wagen is gestopt. Je moet bij iedere stap je handen ontsmetten, maar als je daar één bij fout maakt – iets aanraken met je besmette handschoen – kan dat zomaar je laatste fout zijn."

Sinds de uitbraak in mei vorig jaar zijn in Sierra Leone 3589 mensen aan de ziekte overleden, onder wie 221 gezondheidswerkers en 11 artsen – waar het land er maar 120 van had. De epidemie heeft niet alleen veel doden geëist, maar ook de al wankele economie van Sierra Leone een fikse dreun verkocht en kinderen een jaar school ontnomen. Maar nu lijkt het erop dat de heftigste ebola-epidemie van de geschiedenis neerkomt op 11.313 doden. Eerder werd buurland Liberia al ebolavrij verklaard. Alleen in Guinee houdt de aanwas van infecties aan. Daar doken onlangs weer zeven nieuwe gevallen op.

"Aan het begin van de crisis was er veel onduidelijkheid," legt Mohammed uit. "Er was nog geen centraal orgaan dat meldingen binnenkreeg waar de slachtoffers precies lagen. De ophaaldienst kwam soms dubbel en bij andere sterfgevallen niet of dagen te laat." Bovendien was er weinig informatie over de ziekte, maar mensen waren zo bang dat ze de lijken soms zes dagen in hun huizen lieten liggen, totdat er iemand durfde te bellen."

Lijken worden nog steeds opgehaald volgens ebolaprotocollen

Doden worden wel nog steeds opgehaald volgens ebolaprotocollen, en die zijn heel strict. Bij het team van Mohammed –begraafteam 6 van het Rode Kruis – heeft iedereen vanaf het moment dat de witte jeep het erf van een gestorven ebolapatiënt oprijdt zijn eigen taak. Zodra de chauffeur de handrem aantrekt, begint een geoefend en geolied samenspel. Zes man trekken zorgvuldig 'PPE's' aan – de beschermende witte pakken die de jongens van top tot teen insluiten. Eerst komt de mondkweek naar buiten, een reageerbuisje dat moet vaststellen of de patiënt aan ebola is gestorven. Daarna wordt het lichaam in een bodybag op een brancard de lijkwagen in getild. Daarna moeten de pakken weer uitgetrokken worden. Na de ophaalprocedure volgt het tweede deel: het begraven van het lijk. Opnieuw moeten alle plastic lagen weer aan – drie paar handschoenen, een pak, schort, mondmasker, vizier en rubberlaarzen – maar nu voor de begrafenis.

"Op de piek van de crisis werden per team vijf à zes lichamen per dag opgehaald," herinnert Mohammed zich. "Bij ieder lichaam dat we ophalen en begraven wordt een compleet nieuw pak gebruikt. Dat keer het aantal teams en vrijwilligers in dit land – reken maar uit hoeveel van die plastic pakken we hebben versleten."

Tijdens het proces moet de dorpsadviseur van het begrafenisteam, die verantwoordelijk is voor de communicatie met de nabestaanden, zich onder de familie en dorpsgenoten van het slachtoffer begeven. Hij moet de groep mensen die zich buiten het huis hebben verzameld om steun te betuigen in verschillende lokale talen toespreken over de medische protocollen en regels.

"Dat onderdeel van het proces liep niet altijd zo gestroomlijnd," vertelt Mustapha Gamanga, de dorpsadviseur van Rode Kruis-begrafenisteam 6. "Een van de moeilijkste dingen was om aan de familie uit te leggen dat ze niet in de buurt van het lijk mochten komen. Meer dan de helft van de ebolabesmettingen in Sierra Leone had te maken met het aanraken of ritueel wassen van een met ebola besmet lijk," legt hij uit. "Dat heeft te maken met een sterke traditie waarin de overleden personen volgens een bepaald ritueel worden gewassen en waarbij het water waarmee dat lichaam werd gewassen in sommige gevallen ook werd opgedronken door de nabestaanden. Die rituelen zijn een belangrijk onderdeel van de uitgebreide begrafenistradities waarin afscheid van lichaam en geest wordt genomen. Om de besmetting tegen te gaan moesten we familieleden verbieden afscheid te nemen van hun geliefden. In plaats daarvan werden de doden weggevoerd in een lijkzak door onbekende en gemaskerde mensen. Dat is voor deze samenleving een van de moeilijkste dingen geweest om te accepteren."

Augustine Turay (29) en Emmanuel Adelekeh (25) gaven zich een jaar geleden op als vrijwilliger. Beiden hadden geen werk en geen geld om hun opleiding aan de universiteit af te maken. "Dit was een kans om iets te doen voor ons land," legt Emmanuel uit. "Als niemand dat werk zou aandurven zou de ziekte winnen. We wilden ervoor vechten," legt hij uit.

Augustine en Emmanuel wonen nu samen met negentig procent van de vrijwilligers in door het Rode Kruis georganiseerde woningen. "Er ligt een stigma op de jongens van de begrafenisteams, als we op straat lopen worden we nagewezen. Iedereen weet dat we dichtbij de besmette lichamen zijn geweest. Zelfs onze vrienden en familie vragen ons om niet dichterbij te komen, omdat ze zijn bang dat we de ziekte dragen en mee naar huis nemen."

"Zeker in het begin was het zwaar," vult Augustine aan. "We waren zelf bang om fouten te maken en besmet te raken. Bovendien sliepen we weinig omdat er zo veel doden vielen. Ondertussen kampten de meesten van ons met problemen thuis, verloren we onze vrienden en familie."

Nu wachten ze op nieuws van het ministerie van Gezondheid over wat er met de vrijwilligers gaat gebeuren nu hun werkzaamheden op hun einde lopen. De jongens hopen dat de overheid hen helpt bij hun re-integratieproces of hen misschien op den duur wel financieel ondersteunt om weer te kunnen studeren. Emmanuel: "Over vijf jaar heb ik een diploma als geluidstechnicus, maar help ik nog steeds als vrijwilliger bij het Rode Kruis". Augustine ziet het iets somberder in: "Als de re-integratie niet lukt wil ik misschien wel een tijdje naar een ander land zoals Ghana, om in de ICT te werken. Totdat alles weer normaal is en mijn familie en vrienden het zijn vergeten."