FYI.

This story is over 5 years old.

Stuff

Angstige uren in een spookbos op de Veluwe

Onder de allerlaatste lantaarnpaal die de gemeente Putten ons te bieden heeft voordat het pad dat we volgen een aardedonker bos induikt, graaien we in onze tas en vissen we allebei een uit onze jeugd overgebleven zaklantaarn onder een voorraadje halve liters vandaan. We lopen het bos in en al binnen enkele stappen zijn we volledig overwoekerd door muffe donkerte en perfecte stilte.

Het is een dinsdagnacht en we zijn met een goedkope festivaltent naar de Veluwe afgereisd omdat we onze afgestompte zenuwstelsels weer eens gevoelens van angst wilden laten voelen. We hebben namelijk allebei de (toegegeven, ietwat tragische) gewoonte elke dag voor het slapen gaan een horrorfilm te kijken, vinden achtbanen pas leuk als ze gammel genoeg zijn om er een wang in te kunnen verliezen en vinden The Walking Dead een van de schattigste dingen die de televisiewereld ooit heeft voortgebracht.

Advertentie

We hadden dit bos op de Veluwe gekozen omdat er een spookverhaal aan vastzit, zodat er meer kans zou zijn dat we bang zouden worden. Het verhaal gaat—oké sorry, dat is echt een domme manier om een verhaal te beginnen, want het is een ontzettend makkelijk trucje om zonder bron te insinueren dat er meer mensen bezig zijn met deze bullshit dan wij alleen.

Nog een keer.

Op Wikipedia vonden we namelijk het verhaal over het Solse Gat, een grote kuil ergens op de Veluwe waar ‘ooit’ een enorm klooster stond dat werd opgeslokt door de aarde, omdat de monniken zich daar jarenlang zondigden aan duivelse feesten met heksen, overdadig eten en door Satan zelf gebrouwen wijn. Sinds het verdwijnen van dit klooster ‘hoort men’ nog elke nacht het schelle geluid van de klokken onder de grond, waarna er ‘naar verluidt’ een lange rij monnikgeesten verschijnt, die de hele nacht murmelend door de bomen ritselen op zoek naar verse mensenbaby’s, I don’t know, zoiets.

Zodra we de eerste stap in dit bos zetten en geconfronteerd werden met de penetrante afwezigheid van licht of geluid voelden we ons meteen kwetsbaarder dan we ons ooit gevoeld hebben. Zo geruisloos mogelijk liepen we dieper het bos in, tot ook achter ons het laatste sprankeltje licht verdwenen was. Gesprekken staakten steeds sneller, beenspieren begonnen te kwakkelen en het gevoel van spijt werd steeds moeilijker weg te slikken. Het idee van mogelijke spookmonniken was echt helemaal niks in vergelijking met de veel aardsere angstemoties die heen en weer schoten door onze aderen.

Advertentie

Zonder elkaar aan te durven kijken, uit angst voor de ‘dit was jouw idee, hond’-blik van de ander, liepen we langzaam, geruisloos en met zo weinig mogelijk ademhaling verder en verder het penetrante donker in. Elk takje dat knakte onder onze schoenen klonk oorverdovend in de drukkende stilte van dit pikzwarte woud, met als gevolg dat we bevroren in onze schoenen en hoopten dat er na zo’n knakje niet een bulderende mannenstem zou weerklinken met een boodschap als “HIER KOMT NIEMAND!”

Af en toe klikten we onze zaklantaarns aan om te kijken of we niet een ravijn naderden of een verzameling verse kindergrafjes op waren gelopen. Maar het beeld van schel zaklantaarnlicht op een boom was zo herkenbaar uit de honderden horrorfilms met bosscènes die we in onze collectieve levens hebben gezien dat we ervan overtuigd waren dat als we de zaklantaarn maar vaak genoeg aan zouden zetten, het uiteindelijk wel een keer moest gebeuren dat er een moordlustige bosbewoner met een ingegroeide nek en bestek als vingers voor ons opdoemde.

We waren nu helemaal verstomd en durfden niks meer te zeggen. Na een klam, muf, en een door een talentloze brugklasser getekende sinusoide van adrenaline verbrak Carmen voor het eerst sinds we een uur geleden het bos betraden de stilte. “Misschien moeten we hier ergens de tent opze—”. Een schrille gil, afkomstig uit een bron die zich enkele tientallen meters verderop bevond, sneedt zich een weg door onze trommelvliezen.

Advertentie

We bevroren weer in onze schoenen en luisterden hoe de echo van deze ijzige, onduidbare schreeuw zich als een deken over het bos drapeerde. Het leek minuten te duren voordat hij was weggeëbt en in de tussentijd had Carmen besloten dat dit het perfecte moment was om zo’n 37 keer achter elkaar “Oh mijn god wat was dat?” om zich heen te spugen. Na enige momenten van bezinning leek de enige verklaring voor deze vreemde schreeuw dat we in de gaten werden gehouden door een matig gastvrije bosbewoner die de bui al zag hangen toen hij ons het bos door zag marcheren. Het nabootsen van de lokroep van een Maki-aap leek voor deze figuur waarschijnlijk de beste oplossing.

Dit Wes Craven-waardige welkomstgebaar negerend besloten we in het licht van Marten's zaklamp een tent op te zetten. Weer waren we zo bezig met het feit dat we in het holst van de nacht, zonder mes of pepperspray een bos op de Veluwe in waren gelopen, dat er niet meer dan drie woorden werden gewisseld. Toen de tent stond werd de sfeer nog grimmiger. In een vlaag van verstandsverbijstering werd het donkerrood voor Carmen's ogen en duwde ze Marten voor de grap op de tent, waardoor deze bijna inzakte. Nadat ze eerst een volle dertig seconden als een hysterica had gelachen, kwamen de 'het spijt me, het leek me een geslaagd grapje'. De eerste deuk in onze vriendschap leek gemaakt. Gelukkig kon Marten, na het met een haperende 3G-verbinding opzoeken van versjes over Putten, ook weer (schamper) lachen. De tocht naar en door het bos leek ons een beetje geestelijk afgemat te hebben. Compleet verkrampt van de ongemakkelijkheid door een bos struinen kan een mens goed uitputten. We hebben de menselijke maki, een vrouw met lang haar in een wit gewaad of een nieuwe Puttense moordzaak dan misschien niet gezien, maar elke nachtelijke seconde die we er hebben doorgebracht was slopend. Verschillende scenario's van kampeerhorrorfilms flitsten door onze schichtig doch alerte koppen. Ongemakkelijk genoeg grapte Carmen na het duw-incident “Wat nou als een van ons gestoord blijkt te zijn en de ander vermoordt?” Marten hield wijselijk zijn mond en probeerde nogmaals zijn internettelefoon aan de praat te krijgen. Deze keer om te kijken wat die Puttense moordzaak nou werkelijk inhield. We vermoedden 'iets met een bos'. Datzelfde bos zorgde er echter voor dat we er die avond niet wijzer over zijn geworden.

Eindelijk lagen we in onze slaapzakken, in de tent, naar volle ontevredenheid. Na een kortstondige discussie over wie er bij de hoofdingangrits zou slapen (diegene zou als eerste sterven, de ander moest op z'n minst nog uren met een bebloed hemd aan voor de moordenaar vluchten), probeerden we te ontspannen. Een zaklamp deed dienst als nachtlampje en de tent deed dienst als manier om te negeren wat voor een levensveranderende fout we in godsnaam aan het maken waren. Net toen we bijna zo ver waren om uit complete uitputting weg te zakken in een diepe slaap hoorden we zo’n twintig meter verderop, in de consequent stille wildernis om de tent heen, een takje breken. En een paar seconden later nogmaals, maar nu iets dichterbij. Weer een paar seconden later knakte er weer een takje, nu nog maar op een paar meter afstand. Verstijfd van angst keken we elkaar met wijd opengesperde ogen aan.

“Dit is het allerdomste dat ik in mijn hele leven gedaan heb,” fluisterde Marten.
“Hou alsjeblieft je bek,” fluisterde Carmen.

CARMEN FELIX & MARTEN MANTEL