Dennis is along for the ride

Fotograaf Dennis Duijnhouwer ging mee naar Rabat, waar Habbekrats zijn eerste speelfilm draaide, en schoot onderweg de serie die hij 'zijn beste tot nu toe' noemt. Emma Curvers was er ook bij en ze interviewde hem. De redactie van VICE las het...

|
jun. 27 2011, 4:27pm

Fotograaf Dennis Duijnhouwer ging mee naar Rabat, waar Habbekrats zijn eerste speelfilm draaide, en schoot onderweg de serie die hij 'zijn beste tot nu toe' noemt. Emma Curvers was er ook bij en ze interviewde hem. De redactie van VICE las het interview, en besloot het te publiceren.

14 augustus 2010 is een broeierige dag in Macon. Om ons heen wordt op het laatste moment Marokkaans eten geregeld voor een scène en ik doe een laffe poging het haar van Victor D. Ponten te knippen. Het is een uur of één ‘s middags en onze hoffotograaf Dennis zit met een saffie en een biertje in het zojuist aangeschafte opblaasbadje - we hebben één middag vrij. De roadtrip van een maand die we zullen ondernemen is nog maar vijf dagen oud, dus er is nog goede moed voor iets mals, zeg een spontaan interview. We zitten in het gras tegen een boom, achter Hotel Akena: twee euro goedkoper dan Formule-1 en gegoten uit één stuk plastic.

VICE: Dennis. Wat doe jij bij dit hotel?
Dennis Duijnhouwer: Avontuur. Ik heb het script alleen doorgelezen, maar ik heb dit altijd zo met Jim en Victor gehad. Zij hadden altijd zoiets van, 'we vragen Dennis gewoon mee'. Ik, een camera en zestig films. Ik kwam er op een gegeven moment achter dat ik een hang naar avontuur had. Ik vertelde weleens over avonturen, en mensen zeiden soms: "Wat een grote verhalen."

Snap ik. Je bent wel een prater Dennis.
Ja… Als je het zonder camera doet is het leuk, maar heb je geen bewijs. Én het geeft een reden om dingen te doen die je anders niet zou doen of durven. Ik kom op plekken waarvan ik denk, 'ik zou hier niets te zoeken hebben als ik geen camera bij me zou hebben'.

Want je bent niet iemand die altijd heeft gefotografeerd.
Nee, ik had nog nooit een foto gemaakt voor mijn vijfentwintigste. Ook nooit interesse in gehad, geen favoriete fotograaf, geen boeken. Ik zocht een leven met een bepaalde vrijheid, een manier waarop ik door de wereld kon trekken met een open vizier en een bepaalde verwondering over dingen. Wat zou ik kunnen? Wil ik schrijven, wil ik schilderen? Het schilderen mislukte hopeloos. Ik dacht: het duurt lang voor ik een goed artikel kan schrijven of een boek.

Je had het dus ook op een andere manier kunnen doen. Je bent echt bij fotografie aanbeland.
Ja. Het idee was er voor de fotografie er was. Toen ik jonger was wilde ik volledig buiten de maatschappij leven. Ik wilde niet bestaan, geen paspoort, geen belasting, ik wilde nergens aan meedoen. Maar als je een jaar of 25 wordt realiseer je je dat je op een of andere manier toch wil functioneren. Niet alleen maar 'alles is kut en ik doe hier niet aan mee’.

Mijn vader zei: "Waarom leen je mijn camera niet eens en ga je gewoon wat dóen?" Toen ik twee rolletjes had geschoten heb ik niet meer getwijfeld. Toen ik ze terugkreeg, hoe makkelijk dat voelde, wauw. ‘Dit is het’, dacht ik. Ik had meteen een idee van hoe ik het wilde. Een extensie van wat ik altijd al had gedaan, verhalen verzamelen, dagboeken schrijven.

Ik was 27 en had niet zo veel gaande op dat moment. Ik speelde toentertijd in bands, maar ik wilde iets doen waar ik zélf verantwoordelijk voor was. Ik dacht eerst dat ik moest reizen. Dat staat ook letterlijk in mijn dagboeken van die tijd: weg uit Amsterdam. Ik had een tijd als assistent-fotograaf gewerkt en het partycircuit ontdekt. Ik was de katers zat, de oppervlakkigheid beu. Maar stijlen veranderden, muziek veranderde. Het is een bewuste beslissing geweest, díe cultuur in Amsterdam vast te leggen. Daarna ging alles heel snel, van iemand die nooit een foto had gepubliceerd, hing ik een half jaar later in Foam op een expositie voor jong talent. Dat was in 2005.

De partyscene is wel waar het begon voor jou.
Ja, maar ik kende dat nachtleven helemaal niet zo. Voor mij was het een nieuwe wereld, dus het was fascinerend. Mensen zeggen soms: "Jij fotografeert dingen van binnenuit." Maar dat is niet helemaal waar. De scenes waar ik fotografeerde, kende ik niet heel goed en die mensen waren niet per se mijn vrienden. Sommigen zijn dat geworden. Ik zie het meer als met één been erin staan en één bewust erbuiten houden.

Maar je bent nooit gericht foto’s gaan maken van een artiest; “Hallo, wil je poseren voor mij?”
Nee, het ging anders. Ten eerste vond ik het altijd heel gênant om mensen te regisseren of te vertellen wat ze moeten doen. Zo’n fotograaf kon ik niet zijn. Ik vind fotografie sowieso vaak een behoorlijk gênante bezigheid. Op wildvreemden aflopen, ongevraagd een foto maken en op een of andere manier die mensen het idee geven dat het voor iedereen een leuke ervaring was. Het lukt wel, maar het is niet normaal. Ik heb nog niet echt geaccepteerd dat ik fotograaf ben.

Maar het hangt ook van jóu af. Als jij een foto gaat maken, zei Jim [Taihuttu] eens, dan kom je niet terug met foto’s maar met een verhaal. Je hebt een dag gedeeld met iemand en daar zijn toevallig ook foto’s van.
Ja, zo zie ik het. Ooit heeft een mentor gezegd: “Uiteindelijk jongen, zijn die foto's helemaal niet zo belangrijk. Ze zijn het excuus.” Langzaam worden alle foto’s even belangrijk. Het gaat steeds meer om de ervaring van dat moment, een soort klein verslag van een ontmoeting. Een van mijn grote helden, William Eggleston, heeft een boek gemaakt, Democratic Forest. De ene foto is niet belangrijker dan de andere, het zijn allemaal stukjes van een oeuvre. Ik wil ook geen verschil maken tussen een wereldster of mijn buurman.


Nasrdin Dchar tijdens de opnames van Rabat.

Je vindt het een beetje jammer hè, dat de plassende meisjes in de goot en de kotsende rocksterren er steeds uit gehaald worden.
Ja. Vaak gaan interviews over de artiesten die er voor mijn lens staan of de ‘ranzigheid’ van het uitgaansleven. Uit de journalistieke hoek houdt het bij zo’n omschrijving wel op. Ik heb gemerkt dat als je niet goed naar mijn werk kijkt, zo’n omschrijving heel makkelijk is; de kronikeur van het nachtleven, de Nederlandse Terry Richardson. Maar er is meer dan seks, drugs, rock ’n roll. De focus heeft de eerste paar jaar daarop gelegen. Ik heb weleens gedacht, 'ik ga nooit meer naar een feestje een foto maken'. Maar ik sta achter dat werk. Toevallig was ik toen zo. Overdag deed ik niet zoveel, lag ik te slapen, dus lag de nadruk op de nacht. Het is meer een organisch proces, omdat ik nu, op mijn vijfendertigste niet meer élke dag uitga. Mensen verkijken zich er ook op. Dat wat ik laat zien mijn leven is.

Schuldig. Ik kende jouw site voor ik jou kende, wist wie je vriendin was, hoe je huis eruitzag. Heb je spijt?
Nee, helemaal niet. Ik heb met de gevolgen te maken gehad, men dacht alles over me te weten. Soms heb ik het te persoonlijk gemaakt. Tegenwoordig zijn er dingen die ik doe en meemaak die ik er absoluut buiten wil houden.

De lelijke dingen?
Ja. Ik ben niet iemand die een huilend zelfportret in de spiegel maakt als zijn vriendin het heeft uitgemaakt. Het is eerder een droom dan de werkelijkheid. Het moet een interpretatie blijven.

Maar wel alleen een positieve.
Ja. Mijn insteek is alleen dingen te fotograferen waar ik op een of andere manier bewondering voor heb. Daarom vind ik die ontmoetingen interessant, het zijn mensen waarvan ik het idee heb dat ik iets mee kan krijgen. Het moet wel een werk uit liefde zijn, het moet wel een móóie droom zijn.

Dit wordt wel een kitscherig interview zo Dennis.
Toch is het zo. Als ik over het geheel kijk naar de wereld, heb ik het wereldbeeld van een puber. De wereld, ik denk dat hij op zijn einde loopt. Ik heb me nooit zo thuis gevoeld erop. Maar met fotografie ben ik op zoek naar dingen die oplichten, 'wauw, misschien is de maatschappij kut, maar dit is mooi'.

Is er dan iets dat je nooit zou kunnen fotograferen?
Ik vraag me wel eens af of ik Geert Wilders zou kunnen fotograferen.

Laatst zei je van wel.
Ik vraag me af of ik het zou kunnen, omdat ik probeer niet te haten. Ik zou het graag proberen, misschien om toch te ontdekken 'nee dit voelde kut', of juist te ontdekken dat ik me er overheen kan zetten. Er een ontmoeting van te maken, van twee mensen die op dezelfde aardkloot rondlopen, die dezelfde beslommeringen meemaken als wie dan ook: zou ik dat met Wilders kunnen? Een respectvol portret maken? Geef me de kans.


Een Marokkaans interieurtje.

Eigenlijk ben je een beetje een miskende jongen. Er zijn volgens jou bijna alleen misinterpretaties van je werk. Aan de ene kant mensen die het als partyfotografie afdoen, anderzijds mensen die het ambities opleggen die je niet zegt te hebben, ‘sociologisch onderzoek’, of wat dan ook. En nu ineens ga je een hele andere kant op, met interieurs en landschappen.
Ik heb dat al jaren gedaan. Op een gegeven moment kocht ik een pocketcamera en vanaf toen had ik altijd een camera op zak. Ik ben me gaan ontwikkelen, andere dingen fotograferen dan alleen maar ‘s nachts. Maar alles is intuïtief, ik kan nooit zeggen waar het heen gaat. Voor mij is het belangrijk er niks mee te willen zeggen, maar werk te maken. Alles dat anderen erin zien is prima, het is werk met een open einde.

Het is wel bewuster geworden toen ik besloot een boek te gaan maken. De eerste keer dat ik alles chronologisch op een rijtje heb gezet. Ik ben op een punt in mijn leven waarop ik denk, wat heb ik gedaan en waar wil ik heen? Wat moet ik eigenlijk? Ik had tijd nodig om mijn eigen werk te gaan herkennen. Omdat ik er nooit gericht in een opleiding toe gedwongen was, was ik daar nooit mee bezig. Vroeger schoot ik twee rolletjes op een feest, dan scan je er twee per rol en laat de rest liggen. Nu ging ik m’n oude rolletjes scannen en kwam er ander werk uit. Zoals interieurs.

Ja, die rolletjes. Ben je nostalgisch? Een analoog-purist?
Nee. Ik heb ook wel getwijfeld aan digitaal toen iedereen ging switchen, zeker omdat analoog me veel geld kost. Dat maakte echt het verschil tussen comfortabel leven en altijd achter de feiten aanlopen. Maar ja, dan zou er halverwege een rode streep zijn getrokken, Hoofdstuk 2. Ik wilde dezelfde lens, zelfde beeldtaal, zelfde rolletje. Daarbinnen kun je veranderen, ontwikkelen. Daarbij, de spanningsboog die er ontstaat als je ergens foto’s gaat maken en je ziet het niet terug is beter. Die zenuwen, dat twijfelen, ‘heb ik het nou?’, ‘is het scherp?’

Zoals nu, op deze reis. Ik lig ‘s avonds in mijn bed de foto’s terug te halen. ‘Zit hier een serie in, waar ben ik mee bezig, wat heb ik geschoten, héb ik wel iets geschoten?’ Zo intuïtief werken kan alleen maar met analoge fotografie. Langer wachten, beter kijken, tot het einde blijven. Volgende dag naar het lab, twee uur wachten, tien sigaretten roken, vijf kopjes koffie, met trillende handen de foto’s bekijken en denken, 'Fuck! Ik heb het'.

Wat wil je op deze reis doen?
Ik ben nog steeds aan het nadenken over wat ik hier aan het maken ben. Is dit de serie, klopt dit? Gister had ik het door. Ik dacht, ‘oké, ik weet wat mijn rol is’. Of… ja. Ik heb geen flauw idee wat ik hier doe, eigenlijk. I’m just along for the ride.

Het boek The Road to Rabat met foto's die Dennis maakte tijdens de reis naar Rabat kun je onder andere hier aanschaffen.

TEKST: EMMA CURVERS
LAATSTE TWEE FOTO'S: DENNIS DUIJNHOUWER

Meer VICE
VICE-kanalen