Advertentie
Dit artikel is meer dan vijf jaar oud.
nieuws

Ik at een ijsje met een Al Qaida-lid in Syrië

En ik was vrij nerveus.

door Hannah Lucinda Smith
02 augustus 2013, 3:50pm


Abu Mahjin.

Al Qaida heeft een beetje een imagoprobleem. Hun reputatie als de meest angstaanjagende terroristische organisatie ter wereld kan teruggebracht worden naar 8.46 ’s ochtends op 11 september 2001. Die reputatie wordt sindsdien in stand gehouden door de ontvoering en executie van buitenlandse journalisten en hulpverleners, het af laten gaan van bommen in het Europese openbaar vervoer en de betrokkenheid bij een aantal smerige Afrikaanse burgeroorlogen. Dus toen ik de kans kreeg om onlangs een Al Qaida-lid te interviewen in Syrië, was ik vrij nerveus.

Al Qaida vecht in de Syrische burgeroorlog mee onder een aantal verschillende namen. De bekendste is Jabhat al-Nusra, de eerste jihadistische groepering die opdook in het conflict en de groepering die berucht (en juist populair onder veel jonge Syrische strijders) werd omdat de Amerikaanse overheid het in december 2012 op de lijst zette van verboden terroristische netwerken.

De afgelopen maanden heeft Jabhat al-Nusra zich echter proberen te distantiëren van Al Qaida. Ook wordt Jabhat al-Nusra meer en meer overschaduwd door een nieuwkomer in het spel: de uit Irak afkomstige, door Al Qaida gesteunde Islamitische Staat Irak en al-Sham (ISIS). Deze groep wordt geleid door -en bestaat vrijwel alleen maar uit- Moedjahedien-strijders, mannen die zich inzetten voor de heilige oorlog. ISIS vestigde zichzelf in april in Syrië toen er onenigheid ontstond tussen een aantal kopstukken van Jabhat al-Nusra, en een deel van de organisatie zich opsplitste en banden aanging met Al Qaida in Irak, waardoor ISIS zich in Syrië kon vestigen. 

Door ISIS lijkt het erop dat Jabhat al-Nusra als tussenpersoon wordt ingezet tussen ISIS en de buitenwereld. In video’s die in de afgelopen maanden verschenen op internet onthoofden leden van de groep mensen die ervan verdacht worden met de tegenstander, het Syrische regime, samen te werken, en zijn er beelden te zien van een katholieke priester die geëxecuteerd wordt. En terwijl Jabhat al-Nusra soms interviews af heeft gegeven aan buitenlandse journalisten, heeft ISIS altijd geweigerd om uit te leggen waarom ze aanwezig zijn in Syrië. Ook doen ze er niets aan om de echtheid van de video’s op internet te ontkennen. Iedereen haat ze en het kan ze niks schelen.

Maar ergens heeft iemand tijdens een strategiebespreking van Al Qaida besloten dat het tijd is voor verandering. In de afgelopen weken heeft ISIS een paar bizarre publiciteitsstunts uitgehaald, die allemaal als doel lijken te hebben om de Syrische burgers te laten zien dat ze een knuffelbare, leuke kant hebben. Veel burgers worden namelijk nerveus van de aanwezigheid van jihadisten die van hun land een strenge islamitische staat willen maken. Zo was daar de ijs-eet-wedstrijd voor kinderen in Aleppo en mijn persoonlijke favoriet, de ISIS versus Jabhat al-Nusra touwtrekwedstrijd.

Door deze drang naar publiciteit kwam het dat ik een telefoontje kreeg van een van mijn contactpersonen, die vertelde dat een strijder van ISIS bereid was om mij, een vrouwelijke westerse journalist, een interview te geven. De voorwaarden waren dat ik het interview zou afnemen op neutraal gebied en op een geheime locatie. Ik moest een abaya en een hoofddoek dragen en hij wilde zijn gezicht helemaal bedekt houden. Normaal gesproken word ik nogal zenuwachtig van mannen die hun gezicht bedekken, omdat het me doet denken aan die keer dat ik als tiener beroofd werd door een man met een bivakmuts, maar ik geloof ook in de werking van shocktherapie. En ik liet deze kans om een lid van deze normaal zo mediaschuwe, beruchte groepering niet aan me voorbij gaan.

En zo zat ik op een klamme nacht in juli in een 4-wheel drive op weg naar een appartement in een klein dorp in het noorden van Syrië, waar een ISIS-lid met een kalasjnikov me opwachtte. De auto stopte in een afgelegen steegje en nadat ik in het pikdonker twee trappen was opgeklommen ging ik de kamer binnen waar ik voor het eerst in mijn leven oog in oog stond met een lid van Al Qaida. Hij stelde zichzelf voor als Abu Mahjin en ik vond het fijn om te zien dat hij eruitzag als een standaard jihadist: gekleed in Taliban-stijl met driekwartsbroek en tuniek. Zijn ogen, het enige wat ik kon zien van zijn gezicht, was omringd door zwarte kohl. Het pastte bij hem en zijn kleding maakte het feit dat hij zijn gezicht bedekte wat minder duister. Misschien hielp de omgeving ook wel: extremisten worden een stuk toegankelijker als ze in de huiskamer van een gezinswoning zitten, omgeven door zachte meubels en kinderspeelgoed.

Ik begon met hem te vragen waar hij vandaan kwam, maar zijn antwoord was nogal vaag. “Hier ver vandaan,” zei hij. Ik zette door. “Ben je Syrisch of buitenlands?”, vroeg ik. “Er is geen verschil in Syrisch of niet Syrisch,” antwoordde hij. “Ik wil geen verdeling creëren. We zijn allemaal Moedjahedien in de naam van de islam.” Met deze vragen zou ik waarschijnlijk geen stap verder komen, dus liet ik het er maar bij, maar de vertaler vertelde later dat hij dacht dat hij uit Irak kwam. Het werd een lastig interview.

Abu Mahjin zei dat hij –nogal voorspelbaar- naar Syrië was gekomen om “mee te doen aan de jihad en de vlag van de islam te doen rijzen”. Hij wilde niet praten over zijn leven, maar zei dat het zijn eerste ervaring is als jihadist en dat hij het als een groot voorrecht ziet. “Iedereen droomt ervan te vechten in de jihad,” zei hij. “En iedere moslim die er nooit aan meegedaan heeft of er nooit aan heeft gedacht gaat dood als een hypocriet.”

Tijdens het interview praatte hij herhaaldelijk over de profeet Mohammed. “Dit is een profetische traditie,” vertelde hij me. “De Profeet heeft gezegd dat we de jihad moeten doen in Syrië, want daar geven de engelen hun vleugels aan de islam.”

Abu Mahjin is niet de enige buitenlandse strijder die aandacht geeft aan deze profetische traditie. Hij vertelde dat er jihadisten uit Somalië en Mali zijn gekomen, twee landen die momenteel zelf verwikkeld zijn in oorlogen die met de islam te maken hebben, om te vechten in Syrië. Ik vroeg hem hoe ze met hun communiceren. “Het is niet makkelijk, praktisch gezien. Alle Moedjahedienstrijders moeten Arabisch leren. Zelfs degenen die uit bijvoorbeeld Tsjetsjenië, Turkije of België komen. Maar we gebruiken ook niet vaak voorkomende talen om veilig te communiceren. Soms gebruiken we het Tsjetsjeens, of Oekraïens als we over de radio praten.

Een Moedjahedien hoort, zo vindt hij, “gehoor te geven aan iedere oproep van een moslim die vraagt om hulp”. Maar hij maakte ook duidelijk dat het doel van ISIS niet is om te vechten voor het soort vrijheid waar de Syrische burgers voor demonstreren sinds maart 2011. Het tegenovergestelde eigenlijk. “Ons doel is om de Sharia in te voeren in Syrië en de principes van een islamitische staat hoog te houden,” zei hij. “Als dat niet het doel was, dan zouden we niet van ver zijn gekomen om hier te vechten. Dan zouden we de Syriërs het zelf uit laten vechten. De Syrische burgers beslissen dit niet, dat doet de profeet Mohammed.”

“Als dat het geval is, willen jullie dan niet simpelweg een ander soort dictatuur oprichten in Syrië?”, vroeg ik.

“Het wordt geen dictatuur, want we zijn niet onrechtvaardig tegenover mensen,” antwoordde Abu Mahjin. “Sharia is de wet van Allah en is beschreven in de Koran en de Hadith. Als mensen vinden dat ze onrecht wordt aangedaan dan kunnen ze daartegen demonstreren binnen de regels van de Sharia.” Ik probeerde hem voor het blok te zetten. “Maar accepteren jullie mensen die tegen de Sharia zijn?”, vroeg ik. “Ik ondersteun alleen demonstraties die oproepen tot de verplichting van de Sharia,” zei hij. Ik kon me niet voorstellen dat zijn mening ooit zou veranderen.

Wat hij daarna zei verduidelijkte zijn mening over wat er met mensen zou gebeuren die zich verzetten tegen een toekomstige islamitische staat. “Mensen die verraad plegen zullen we straffen,” zei hij. “Degenen die verraad plegen zijn gevaarlijker dan het Syrische regime. Iedereen die dat doet zal de ernstige consequenties moeten inzien.”

Ik begon Abu Mahjin te vragen naar de details van het leven in een islamitische staat, en vooral naar hoe het zou zijn voor vrouwen. “De vrouw heeft de rechten die staan beschreven in de sharia. Ze heeft rechten, maar binnen de grenzen die Allah tevreden stellen.” Als ik doorvraag hebben we het over de rechten van de vrouw om te dragen wat ze wil. Voorspelbaar misschien, maar het was het eerste wat in me opkwam terwijl ik daar in die abaya zat. “Als de islamitische staat succesvol van de grond is gekomen zullen we ons bezig gaan houden met deze details,” antwoordde hij. “Als een vrouw ongeschikt gekleed is zullen we haar in het begin nog niet straffen, maar advies geven over haar fouten. Maar als ze besluit die kleding toch te blijven dragen, dan zullen we haar straffen.”

“Wat voor straf is dat dan?”, vraag ik.

“De sharia-rechtbank zal dat bepalen,” antwoordde hij. “Of ze wordt in de gevangenis gestopt of ze krijgt zweepslagen.”

“Zouden jullie een vrouw doden om het dragen van ongepaste kleding?”

De vertaler komt tussen beide. “Ga maar naar het volgende onderwerp. Dat hele vrouwenrechtending maakt hem een beetje prikkelbaar.”

Op dat moment kwam de vrouw die in het huis woont binnen met een schaaltje ijs, waardoor we allebei in een moeilijke positie terechtkwamen. Abu Mahjin was niet voorbereid om de doek voor zijn gezicht weg te halen om te eten, en dus liet hij het ijs smelten voor zijn neus. Ik twijfelde tussen het beledigen van een hele aardige vrouw die ermee in had gestemd om mij een jihadist in haar huis te laten interviewen, of het ijsje op te eten voor de ogen van een man met een geweer en extreme gedachtes over vrouwen, het westen en verraad. Mijn liefde voor ijsjes won het uiteindelijk: ik at het op, terwijl hij met hongerige ogen naar zijn ijsje keek. Ik weet niet zeker of het hem nog meer irriteerde dan mijn vragen over de islamitische dresscode voor vrouwen.

Achteraf gezien weet ik niet goed wat Abu Mahjin met dit interview, een PR-stunt, wilde bereiken. Hij zei niks dat erop kon wijzen dat de aanwezigheid van ISIS in Syrië het leven van de burgers zou gaan verbeteren. In de staat die zij willen oprichten zal de bevolking nog meer onderdrukt worden dan onder leiding van Bashar al-Assad en ik kan me niet voorstellen dat veel Syriërs hun aanwezigheid op lange termijn zullen tolereren. Maar in dat ene uur dat ik doorbracht met een Al Qaida-jihadist heb ik drie dingen geleerd. Ten eerste brengt hij veel tijd door met nadenken over wat de Profeet zou doen in een bepaalde situatie. Ten tweede lijken we niet hetzelfde te denken over vrouwenrechten en zal dat waarschijnlijk nooit gebeuren. En tenslotte, als het om ijs gaat heeft hij veel meer wilskracht dan ik.