Tech by VICE

De vreemdste dingen die uit de Amsterdamse grachten worden opgebaggerd

“Als je een lijk ziet denk je altijd eerst dat het een etalagepop is.”

door Laura van der Haar
13 maart 2018, 11:35am

De drijfvuilboot, alle foto's via Waternet

In de serie Verboden Toegang gaan we naar de verborgen plekken op de wereld waar de natuur plaats heeft gemaakt voor technologie. In aflevering 2: de Amsterdamse baggerboten.

“Dus jij komt kijken!” wordt geroepen als ik op de brug van de Nieuwe Prinsengracht om me heen sta te turen. In de kraancabine van een grote platte schuit verderop zwaait iemand. “Wacht daar maar even, dan varen we achteruit! Ho kijk uit hoor!” Marco steekt me vanaf het water zijn hand toe. “Dat zou jammer zijn, om naast een baggerboot aan je einde te komen.” Door diezelfde hand word ik met een flinke zwaai aan boord getrokken en via het dak van de schaftboot belanden we op de baggerboot.

Eens in de vijftien tot twintig jaar worden alle Amsterdamse grachten met hun in totaal 2600 woonboten uitgebaggerd. “De vorige keer dat we hier zaten was dit water nog pikzwart,” vertelt Marco. “Tegenwoordig kun je bij wijze van spreken een schroefje op de bodem zien liggen.”

Bagger bestaat grotendeels uit blaadjes. “Van de bomen,” verduidelijkt hij. “Maar je baggert ook heel veel plastic en straatvuil. Bovendien neemt de Amstel slib mee, en dat bezinkt weer in de grachten.”

“Vinden ze ook andere dingen?”
“Jazeker, vanochtend lag er op de Keizersgracht nog een splinternieuwe auto in. Dat komt ook vrij vaak voor. Handrem vergeten, slecht geparkeerd, op het ijs gaan rijden… Scootertjes ook, en brommers en fietsen. Daarom is er zelfs een fietsenvisboot. Die doet niks anders dan de hele dag fietsen scheppen bij de brug.”
“Serieus?”

“Iedere dag heeft hij z’n bak weer vol fietsen.”

De oogst van een dagje fietsen vissen.

Laatst hadden ze misschien wel de mooiste klus: de politiesteiger van Bureau Warmoesstraat. Daar was in geen tweehonderd jaar gebaggerd, dus dat beloofde wat. Drie keer driehonderd kuub hebben ze daar in samenwerking met de archeologische dienst van de gemeente onder vandaan gehaald. De archeologen trokken het opgebaggerde materiaal door de zeefmachine, zodat alle artefacten er netjes uitgevist konden worden.

“Ongelooflijk wat er dan naar boven komt; een compleet tijdsbeeld van het leven rond het bureau. Die arrestanten wilden voordat ze naar binnen geleid werden natuurlijk hun spullen nog even kwijt, dus op die politiesteiger werd alles gauw het water in gemikt. De messen waar die dealers mee rondlopen, die ze expres extra scherp gemaakt hebben; seksspeeltjes; een zakkie helemaal vol met OV-kaarten en pasjes van wel twintig studenten. Die dingen hadden allemaal een link met elkaar, dus dat gaan ze nog uitzoeken. Een hele berg stiletto’s, maar uit de jaren vijftig en zestig ook heel veel patatprikkertjes en nog verder terug in de tijd: baardmannetjes.”

Van onder de brug komt op hoog tempo een kleiner bootje aangevaren.

“Dat is Raymond!” roept Marco en steekt zijn hand op. “Die hoort er ook bij! Raymond doet de sleepboot. Daarom laat-ie zijn baard ook staan.”

Raymond – baardje inderdaad en met dezelfde donkerblauwe doorwerkkleding als Marco – meert de sleepboot aan en stapt ook aan boord van de baggerschuit.

“En dat is Jeroen,” wijst Marco, “die staat in de stuurhut.”

In die kraancabine waar Marco bagger zit te scheppen is sprake van overdruk vertelt hij, zodat eventuele verontreiniging niet binnenkomt.

“Merk je daar iets van?” Overdruk klinkt zo diepzee- of ruimtevaartachtig.
“Neuh. Ga d’r anders maar even in.”

Zodra ik zit gooit Marco de deur dicht. Mijn oren ploppen en het bromt vrij diep, verder is het net een bus.

De kraan op de baggerschuit en de bak die naar de baggerverzamelplaats gaat. Op de achtergrond het sleepbootje.

“Overdruk komt erop neer dat er meer lucht in de cabine zit dan er van buiten komt. Dus kan er ook geen verontreiniging binnenkomen.” Ik kan hem amper nog verstaan. “Wil je koffie of thee?”

“Thee alsjeblieft.”

“Raymond!” roept Marco. “Ga eens thee zetten!” Op normaal volume: “Moet je een smaakje? Of rooie brandnetel?”

“Ja doe die maar!”

De kajuit is het stikheet en het ruikt er naar diesel. Op weg naar het keukentje passeren we de schone en de vieze ruimte: voor als er verontreiniging in de bodem zit. “Of als je een plens bagger in je gezicht krijgt. Dan moet je even douchen.”
“Of als je te water valt,” vult Raymond aan. “Dan moet je douchen om weer warm te worden. Laatst hebben we er nog twee roeiers uit gevist. Die zet je dan ook even onder de douche.”

Aan de muur van de kleine keuken hangt een verzameling tinnen kannetjes, gerangschikt van groot (pint bier) naar klein (vingerhoedje). Er is een kookpitje, een waterkoker en op het kastje achter de eettafel staat een ingelijste foto van een baggerboot zoals deze. Mijn kop “rooie brandnetelthee” staat al te dampen op tafel, ernaast ligt een zakje rooibos.

“Mensen vragen altijd of we wel eens een lijk hebben opgevist.”

“Dit is nog een oude boot. Het streven van Waternet is om in 2020 volledig elektrisch te varen. Of nee emissieloos.”

“De pleziervaart moet in 2025 emissieloos zijn,” vult Marco aan, “maar omdat wij een voorbeeldfunctie hebben, doet Waternet het net iets sneller.”

“Gaat dat lukken?”

“Ja waarschijnlijk wel. De drijfvuilbootjes zijn al elektrisch,” zegt Marco met een Noord-Hollandse tongval.

“De watte?”

“De drijfvuilbootjes.” Raymond heeft eenzelfde accent.

“Sorry, wat voor bootjes?”

“Waar kom jij vandaan hee? Drijf-vuil-bootjes. De stofzuigers van de grachten. Drie daarvan varen er constant rond. Daar staat dan een man met een netje voorop en die vist alle troep uit de gracht met dat netje de bak in. De wat oudere collega’s gaan daar allemaal heen, die bootjes zijn een beetje onze VUT.”

Ik vraag naar het raarste dat ze tijdens het baggeren gevonden hebben.

“Nou komen we weer op de lijken, wedden?” Marco kijkt Raymond aan.

Raymond knikt. “Dat is altijd het eerste waar iedereen naar vraagt.”

Ik kan het inderdaad ook niet laten.

Iedereen die hier werkt heeft weleens een lijk gevonden volgens Marco. “Hoeveel heb jij er gehad Raymond?”

“Twee.”

“Ik zes.”

Mijn mond valt letterlijk open.

“Zo erg is het niet hoor. Het gebeurt iedereen gewoon een keer. Sultana?” Raymond biedt een van de drie koekjes aan.

“Zés?!”

“Ja. En weet je wat het rare is? Je denkt ál-tijd dat het een etalagepop is. Steeds maar weer.”
Raymond knikt. “Die kleur, ze hebben een ontzettend onnatuurlijke kleur. Een beetje wittig, maar ook weer niet wít-wit.”

“En de houding. Ja je moet echt wel even een paar keer goed kijken. Want je wilt ook niet alle hulpdiensten bellen voor een etalagepop.”

“Bij de Amstelsluis stond altijd een dame in het raamkozijn om ons een showtje te geven.”

“Wordt alles dan stilgelegd?”

“Nou nee dat valt wel mee. We worden ook niet echt opgevangen, meestal staan wij dan in de stuurhut en dan denken de hulpdiensten dat het met ons allemaal wel goedkomt.”

“Je moet hem dan ook op z’n plek houden, want je wilt ook niet de hulpdiensten bellen en dat je dan het lijk ineens kwijt bent. Ja hij lag net nog daar!” Marco wijst naar een denkbeeldig lijk dat onder een woonboot verdwijnt. “Dan sta je daar op de bak met je pikhaak.”

“Het hangt er ook een beetje vanaf wat je ziet,” zegt Raymond. “Een collega heeft een kindje gevonden, die is daar nooit meer overheen gekomen. Dus nee, wij vinden niet zo heel veel dingen meer raar.”

“Is wel zo.” Marco. “Is een koelkast raar?”

Raymond schudt zijn hoofd.

“Een wasmachine?” Ze halen er allebei hun schouders voor op. “Fietsen, scooters, auto’s? Ik denk hoogstens weleens: hoe komt zo’n auto nou weer ónder een woonboot terecht?”

“Gister hadden we nog een kat,” zegt Raymond.

“Een dode?”

“Op deze plek heb ik drie keer de motor van dezelfde man uit de gracht gevist.”

“Nee! Een levende. Bibberend zat-ie op het vlotje naast de kade, maar het was te hoog om op de wal te komen. Die hebben we eerst even bij de kachel neergezet en toen de Dierenambulance gebeld.”

“Na Koninginnedag vind je alleen maar oranje hoedjes. En na de Gay Pride allemaal kralen. Wacht, ik ga jou even een foto laten zien. Dit is na de kerst, die waaien er vanaf de kant dan allemaal in. ”

Marco schuift zijn telefoon naar me toe. Op het scherm: een baggerschuit die in alle windrichtingen uitpuilt van de kerstbomen. Nu wordt me duidelijk wat er zou gebeuren als zij hun werk niet zouden doen; dat zou niet alleen voor de scheepvaart een ramp zijn.

“Elk jaargetijde weet je: oh ja, nu komt dat weer. Oh! Wat trouwens wél heel raar was! Was jij daar ook bij Raymond? Op de Kloveniers?”

“Haha ja.”

“Daar heb ik drie keer iemands motor uit de gracht gevist! Drie keer! Komt er ’s ochtends een man naar me toe: ‘mijn motor stond hier, kun jij even kijken?’ Dus ik voelen met de kraan, ja hoor, die lag erin. Dus ik dat ding op de kant getakeld. De volgende dag staat die man er weer: ik ben mijn motor weer kwijt, kun jij even kijken?’ Dus ik zeg: ‘vinden jouw buren je eigenlijk wel aardig?’ Ik opnieuw voelen, ja hoor, lag er weer in. Ik dat ding weer op de kant gezet en gezegd dat hij hem misschien even ergens anders moest gaan parkeren. En de volgende dag, wat denk je?”

Vinden ze hun baan leuk?

Volmondig ja, allebei. De allermooiste baan zelfs.

“De vrijheid. Op de vaart is het nadeel dat je altijd van huis bent. Maar wij hebben het goed voor elkaar; het is vrij zeldzaam om op het water te werken en dat je ’s avonds gewoon weer naar huis kunt.”

“We zouden een boek moeten schrijven: ‘Het leven van een Amsterdamse baggeraar’.”

“Het is ook een totaal ander wereldje op het water. En op de gracht wil iedereen met je praten. Ik kan je verhalen vertellen… Niet gaan opschrijven nu hoor! Maar…”

“…”

“Ja,” zegt Marco na een paar smeuïge anekdotes, “wij zijn eigenlijk een beetje de Henk van der Meijden (de oprichter van de Privé, red.) van de gracht .”

Ze zouden eigenlijk een boek moeten maken met al die mooie verhalen, vind ik.

Het leven van een Amsterdamse baggeraar! Ja! Hahaha! Nou, dat wordt zo’n pil kan ik je vertellen.” Marco spreidt duim en wijsvinger tot Harry Potter-dikte. “Als je bijvoorbeeld Natte Nel neemt.”

“Wie?”

“Een dame die bij de Amstelsluis woonde.” Raymond begint al te lachen.

“Die boot van ons maakt dat zware brommende geluid weet je wel, dus die hoor je van heel ver al aankomen…”

“…en zij stond dan altijd al klaar in het raamkozijn, om ons een showtje te geven zeg maar.”

“Maar dat was nogal ver weg, dat raam.”

“Vannacht heeft er hier een zwerver op de boot gelogeerd,”

“Hartstikke leuk natuurlijk, met d’r dingetjes en alles. Natte Nel noemden we haar. Wij vonden het mooi hoor…”

“…tot ze langs kwam lopen op de kade.”
“Hoezo dan?”

“Nou, toen ze ons gedag zei bleek het niet echt een Nel te zijn, zeg maar.”

“Eerder een Nelus.”

De grachten van Amsterdam vormen het werkgebied van Raymond en Marco. Als ze die allemaal gehad hebben, kunnen ze bijna weer van voren af aan beginnen. “Soms doen we ook de zijkanalen. I, en K en H bijvoorbeeld.” Ze kennen de stad op hun duimpje. Als ze met de auto verdwaald zijn, kijken ze ook altijd eerst even naar beneden, op zoek naar aanknopingspunten op het water. Bovendien hebben ze de grachten behoorlijk zien veranderen in de afgelopen jaren.

“Eerst woonden hier nog voornamelijk kunstenaars en homo's en hippies. Nu zijn het meer yuppen en B&B’s. Dat is echt een ramp, om het verplaatsen van een woonboot in te plannen met een B&B. Alhoewel… Die eigenaren denken vaak dat je een link met de gemeente hebt dus die zijn als de dood om door de mand te vallen. Dus gaan ze ons bellen met hele verhalen: Ja, ik ben niet altijd thuis… mijn familie logeert hier soms… ‘Gevarieerde familie heb jij!’ zeg ik dan en dan werken ze meestal wel heel netjes mee. Dan zeg ik er wel heel vlug bij dat ik geen NSB’er ben hoor, laten we het gewoon oplossen en alles netjes inplannen, iedereen blij.”

“Vannacht heeft er hier trouwens een zwerver op de boot gelogeerd,” zegt Raymond.

“Hoe weet je dat?”

“Daar bij de klep ligt hij lekker uit de wind, dan legt-ie daarachter zijn dekentje neer. Alleen zijn rugtas heeft-ie per ongeluk laten staan.”

“Die is dus nog aan boord?”

“Ja, die zet ik straks op dezelfde plek weer voor hem terug. Dan kan hij zijn spulletjes vanavond zo weer pakken, al die rietjes en spuitjes.”

“Je zult nu wel een beeld hebben hè, van ons baggerboeren?”