Quantcast
Boekenweek

We vroegen uitgevers welke clichés je als schrijver moet vermijden

Uitgeverijen krijgen dagelijks ongevraagd manuscripten toegestuurd. Hoe zorg je ervoor dat het jouwe niet meteen in de papierversnipperaar verdwijnt?

Pien Goutier

Foto via Pixabay

Meer dan een miljoen Nederlanders doen in hun vrije tijd aan ‘creatief schrijven’, zo bleek in 2015 uit een onderzoek van het Landelijk Centrum voor Cultuureducatie en Amateurkunst. Van die mensen geeft ongeveer 2,5 procent ooit een boek uit bij een uitgeverij. Het gros van het geproduceerde werk blijft verstopt in notitieboekjes of wordt op slecht gelezen blogjes gezet, en is gedoemd om in de vergetelheid te geraken.

Als je de ambitie hebt om je boek te laten uitgeven door een grote uitgeverij, kun je proberen je manuscript gewoon per post naar ze op te sturen. Maar hoe groot is de kans dat het vervolgens gelezen wordt – laat staan uitgegeven? En hoe zorg je ervoor dat tussen die stapels manuscripten die uitgevers binnenkrijgen het jouwe eruit springt? We vroegen vijf redacteuren van uitgeverijen naar de grootste clichés die zij tegenkomen en naar tips om op te vallen.

Job Lisman, hoofdredacteur bij uitgeverij Prometheus

VICE: Hoi Job. Hoe veel manuscripten krijgen jullie ongevraagd toegestuurd?
Job: Zo’n 1200 per jaar.

Hoe vaak zit daar iets goeds tussen?
Bijna nooit. Het komt maar één tot twee keer per jaar voor dat zo’n manuscript leidt tot een publicatie.

In welke valkuilen trappen de mensen die manuscripten naar jullie opsturen?
Je ziet vaak dat beginnende schrijvers te hard de literatuur proberen te bedrijven. Dan schrijven ze een zin als “het was reeds laat in de namiddag toen een donkerblauw schijnsel de hemel aanstipte.” Terwijl je ook gewoon kunt zeggen “de lucht is donkerblauw.”

Veel mensen denken ook dat ze met een waanzinnig wild leven sowieso een goed boek kunnen schrijven. Dat ze door aan veel seks, drugs en rock ‘n roll te doen – en dat plastisch te omschrijven – een getalenteerd schrijver kunnen zijn. Maar er wordt al sinds een halve eeuw op die manier geschreven.

Zijn er betere manieren om schrijver te worden dan je manuscript ongevraagd opsturen?
Absoluut. Die stapel ongevraagde manuscripten is voor ons te groot om helemaal te kunnen lezen. Je kunt beter iemand hebben die jou bij ons kan tippen. En het helpt ook als je al eens iets geschreven hebt, bijvoorbeeld voor een tijdschrift. Dat werkt allemaal beter dan lukraak je manuscript opsturen.

Stephanie Heijtel, redacteur bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

VICE: Hoi Stephanie. Bekijken jullie alle manuscripten die ongevraagd binnen komen?
Stephanie: Dat is wel het streven, maar boeken uitbrengen blijft natuurlijk onze eerste functie. Als wij elk ongevraagd manuscript van voor tot achter gaan doornemen, houden we geen tijd meer over voor onze vaste auteurs, dus dat is helaas niet altijd mogelijk.

Kun je een valkuil noemen waar veel beginnende schrijvers in trappen?
Mensen proberen weleens te veel contextinformatie in dialogen te stoppen. Dan zegt de ene broer bijvoorbeeld tegen de andere: “Zoals je weet, is moeder in 1992 overleden aan die en die ziekte.” Zoiets hoeven die personages niet aan elkaar uit te leggen: dat weten ze allang.

Ook in de structuur kunnen veel beginnende schrijvers nog een slag maken. Je ziet regelmatig dat hun verhaal op te veel benen tegelijk staat, of te veel kanten opschiet. Het is dan vaak slim om je verhaal opnieuw te lezen en te reorganiseren.

Heb je een gouden tip voor beginnende schrijvers?
Als beginnend schrijver ken je vaak je eigen valkuilen niet. Je bent blind voor je eigen fouten en hebt nog weinig zelfkennis. Het is daarom altijd goed om eens een vreemd paar ogen naar het manuscript te laten kijken voordat je het opstuurt naar een uitgeverij.

Marscha Holman, redacteur bij uitgeverij Das Mag

VICE: Hoi Marscha. Hoe vaak krijgen jullie ongevraagd manuscripten toegestuurd?
Marscha: Dat moet ik even voor je navragen, want bij ons kijken vooral de stagiairs naar die manuscripten. Oh, één per dag ongeveer. Alles bij elkaar is het een zieke stapel.

Stagiairs? Worden de manuscripten dan wel serieus beoordeeld?
Jawel. Niks wordt zomaar terzijde geschoven en ik geef de stagiairs duidelijke instructies. Ze lezen bijvoorbeeld eerst de brief die bij het manuscript zit. Sommige mensen hebben al een afgrijselijke stijl in hun brief; dan maakt het manuscript eigenlijk al geen kans meer.

Je zou kunnen denken dat je manuscript straks wordt afgewezen omdat de stagiair toevallig niet jouw smaak heeft. Maar we zijn een kleine uitgeverij en geven maar heel weinig boeken per jaar uit. Als een stagiair het manuscript al niet goed vindt, weet ik vrijwel zeker dat we het niet hadden willen uitgeven.

Hoe blij worden jullie nou van al die ongevraagde manuscripten?
Soms zitten we vol vuur om een nieuwe J.K. Rowling uit de post te vissen. Zij is ook door talloze uitgeverijen afgewezen.

Maar uiteindelijk is het toch altijd weer: hè nee, die stapel moet nog. Want echt, de meeste mensen kunnen gewoon niet schrijven. Nog geen één manuscript uit die stapel heeft bij ons geleid tot een boek.

Wat zijn de ergste clichés die jullie tegenkomen?
Je ziet heel veel “ik ben jong en ik ga filosofisch schrijven over de lijdensweg die mijn leven is.” Dat is op zich een interessant genre, maar het gebeurt zelden goed.

Ook hebben mensen de neiging om alles vol te gooien met bijvoeglijke naamwoorden. Zo van “het was een roetzwarte nacht en ik voelde het friszure gras onder mijn lome voeten verpletterd worden.” Dan denken ze dat dat mooi is, maar dat is het gewoon niet.

En in de brieven die mensen meesturen? Wat kan daarin beter?
Mensen overschreeuwen zichzelf soms een beetje: “Kijk eens wat ik allemaal kan.” Dat komt ook door al die zelfhulpboeken waarin staat dat je van jezelf overtuigd moet zijn voordat je anderen kunt overtuigen. Een beginnend schrijver leest zo’n boek en denkt: ik zal de wereld eens even wat laten zien.

Maar de mooiste boeken worden volgens mij door hondsonzekere mensen geschreven. En zo’n arrogante brief vind ik vaak gewoon afstotelijk. Ik heb veel meer sympathie voor een schrijver die gewoon toegeeft dat hij al drie jaar zit te zwoegen.

Jasper Henderson, hoofdredacteur bij uitgeverij Lebowski

VICE: Hoi Jasper. Hoe veel manuscripten krijgen jullie ongevraagd toegestuurd?
Jasper: Ontzettend veel. Zeker tussen de tien en vijftien per week.

Zijn er thema’s die jullie als uitgeverij sowieso liever vermijden?
Eigenlijk niet. We krijgen bijvoorbeeld regelmatig porno. Ik heb helemaal niks tegen porno, maar dan moet het wel goede porno zijn. En goed schrijven over seks, dat kunnen maar weinig mensen.

Doen mensen gekke dingen om hun manuscripten op te fleuren?
Zeker, we zien allerlei tierelantijnen. Soms sturen mensen foto’s mee, creatieve boekenleggers of kleurrijke multomappen. Maar nooit eens rol koekjes, of een briefje van vijftig. Dat was wel mooi geweest.

We krijgen regelmatig manuscripten in Comic Sans. Die lezen wij dus echt niet. Mensen denken dat het vrolijk staat, maar het ziet er niet uit en het leest irritant. Of ze gebruiken zo’n ouderwetse typemachine-letter. Dat vinden ze dan “lekker authentiek”. Dan denk ik al: hou maar op.

Hoe moet een manuscript er dan wél uitzien?
Het liefst zo sober en zakelijk mogelijk. Gewoon in Times New Roman, lettergrootte twaalf en met een regelafstand van anderhalf. En zorg er alsjeblieft voor dat je netjes bent in je spelling. Als een tekst volstaat met dt-fouten, houdt het na een halve pagina op. Dan zie ik gewoon dat je het niet serieus hebt genomen. Het is ontzettend belangrijk om iets nets in te leveren.

Sander Blom, hoofdredacteur bij Atlas Contact Uitgeverij

VICE: Hoe serieus beoordelen jullie de manuscripten die ongevraagd binnenkomen?
Sander: Heel serieus. We krijgen er zo’n twintig per week, maar ze worden sowieso allemaal bekeken, door wel vier redacteuren. Er kan namelijk altijd iets virtuoos tussen zitten.

Het gemiddelde niveau is alleen ontzettend laag. Dus als je op een gegeven moment vijftien slechte manuscripten achter elkaar gelezen hebt, word je daar weleens melig van.

Hoe vaak leidt zo’n manuscript nou daadwerkelijk tot een publicatie?
Bijna nooit. Dat gebeurt misschien ééns in de tien jaar. Dimitri Verhulst is zo’n zeldzaam geval. Die heb ik in 1996 echt gewoon uit de post gegrist. Zijn manuscript vond ik adembenemend goed. Twee jaar later lag zijn boek in de winkel.

Wat zijn de ergste clichés die jullie tegenkomen?
We krijgen veel reisverhalen, bijvoorbeeld. Mensen hebben dan een bijzondere reis gemaakt en willen dat met anderen delen. Van vrienden en familie horen ze dat ze het zo goed vertellen en het eens zouden moeten opschrijven. Maar een interessante reis is absoluut geen garantie voor goede literatuur.

We zien ook ladingen therapeutisch proza. Mensen schrijven dan ter verwerking over iets heftigs dat ze hebben meegemaakt. Als je een kind verloren hebt, bepaalt dat natuurlijk je leven. Maar dat wil niet zeggen dat het voor een ander interessant is.

Wat kun je doen om je manuscript eruit te laten springen?
Dat kan op allerlei manieren. Een tijd geleden ontving ik bijvoorbeeld een manuscript in een heel bijzondere, zelfgemaakte doos. Die doos had een of ander ingenieus scharniersysteem en was prachtig beschilderd. Maar om er écht uit te springen moet je gewoon heel erg goed zijn, hoe flauw het ook klinkt.