Drugs

Hoe ik infiltreerde in een Chinees drugslab

Ik deed mezelf voor als iemand die op grote schaal drugs wilde inkopen, reisde af naar China en lulde mezelf naar binnen bij een groot lab in de buurt van Shanghai.

door Ben Westhoff
11 september 2019, 12:19pm

Illustratie door Cathryn Virginia

Journalist Ben Westhoff schreef een boek over de Chinese synthetische drugs-industrie, ‘ Fentanyl Inc ’. Hij kreeg toegang tot laboratoria, wat alleen mogelijk was door te doen alsof hij een potentiële koper was. We vonden het boek en zijn (waarschijnlijk vrij roekeloze) pogingen om van deze wereld verslag te doen fascinerend, dus we vroegen of hij kon vertellen hoe hij het heeft aangepakt.

Begin 2017, toen ik de rol van China in de opioïdencrisis begon te onderzoeken, had fentanyl in Amerika over een heel jaar voor meer doden gezorgd dan welke drug dan ook in de geschiedenis, en werd er in plaats van cannabis steeds meer synthetische wiet gebruikt, met enorm veel overdoses tot gevolg.


Om deze epidemie goed te kunnen begrijpen, wilde ik naar China, de bron van het kwaad. Ik sprak alleen geen Chinees. Andere journalisten zeiden dat ik een fixer nodig had, maar ik had geen idee waar ik die kon vinden. “Mijn oude huisgenoot heeft jaren met haar man in Shanghai gewoond,” zei mijn vriend Dan. “Misschien kennen zij wel iemand.”


Ik besloot mezelf voor te doen als iemand die drugs wilde kopen. Ik begon simpelweg door “Drugs kopen in China” te googelen, wat leidde tot talloze pagina’s van Chinese farmaceutische bedrijven. Ze zagen er best professioneel uit, waren geschreven in zowel Engels als Chinees, en hadden stockfoto’s van lachende wetenschappers in hagelwitte jassen. Ze boden duizenden chemicaliën aan, waaronder nieuwe drugs die in China legaal zijn voor recreatief gebruik.


Ik maakte een vals e-mailadres aan en begon verkopers te mailen. “Hallo! Ik zou graag wat meer info over jullie chemicaliën willen hebben,” schreef ik, met de vermelding dat ik bereikbaar was op Skype. “Bedankt!”

Al snel bleef ik tot vier uur ‘s nachts wakker om met mensen uit Shenzhen of Wuhan te chatten, die net klaar waren met werken. Ik zat in het donker achter mijn laptop, met een mok thee, en deed mezelf voor als ‘Johnny Webster’, een gast van in de twintig die graag zijn geest wilde verruimen en een profielplaatje had dat dat beeld bevestigde.

Ik vroeg ze naar de chemicaliën en de prijzen, en zei dat ik geïnteresseerd was in een drug genaamd BUC-3. “Hoeveel heb je nodig?” vroeg een verkoper die Jackie Jiang heette, en werkte voor het bedrijf Health222chem uit Wuhan. BUC-3 is een obscure opioïde; het bedrijf verkocht het omdat het soortgelijke effecten heeft als fentanyl, maar destijds nog wel legaal was in China. “100 gram is 900 dollar. We accepteren Bitcoin.”

Ik heb uiteindelijk nooit iets gekocht, maar met sommige verkopers heb ik uren chattend doorgebracht, omdat ik wilde begrijpen hoe iemand in de wereldwijde drugshandel verzeild kan raken. Zoals een 23-jarige verkoper, die net een studie “luchtvaartdiensten” had afgerond. Toen ik vroeg of ze zich zorgen maakte dat de fentanyl-precursors die ze verkocht tot dodelijke drugs zouden worden verwerkt, zei ze dat veel van haar klanten niet precies wilden vertellen wat ze ermee van plan waren. Een paar verkopers zeggen niet precies te weten wat fentanyl is, wat ook best begrijpelijk is als je bedenkt dat de drug niet veel gebruikt wordt in China.

Ik sprak ook eigenaren van bedrijven op de zwarte en grijze markt, waarvan sommigen bereid zeiden te zijn om me hun lab te laten zien. Al snel zocht ik contact met vertalers en plande ik mijn reis.Het begon steeds echter te worden. Ik vond het spannend, maar zocht troost in het gegeven dat er in China – vergeleken met in de VS – weinig wapens worden gebruikt en de operaties niet het werk zijn van kartels of bendes, maar zakenmensen die puur en alleen geld wilden verdienen. “Ze gaan je niet ontvoeren of vermoorden, al blijft het een risico,” zegt Mike Power, een Engelse journalist die al eerder de Chinese drugsindustrie onderzocht.


Dit verhaal was groter dan ikzelf. De drugsindustrie van tegenwoordig vindt plaats op een mondiale schaal, en maar weinig mensen wisten hoe het in elkaar zat. Er was nooit eerder een journalist in een Chinees fentanyl-lab geweest.Zo praatte ik mezelf erdoorheen, ondanks de (best begrijpelijke) zorgen van mijn vrouw, zoals dat ik misschien wel vastgezet zou worden in China. De banden tussen de VS en China waren immers weleens beter geweest. Maar ik dacht: fuck it, let’s go.Wuhan is een gigantische stad met elf miljoen inwoners, in het midden van China. Ik kwam er een paar uur aan voordat het jaar 2018 zou worden ingeluid. Mijn vertaler Jada en haar moeder haalden me op van het vliegveld, en door de futuristische architectuur en de eindeloze clusters van torenhoge appartementen zag ik de eerste smog al verschijnen.


Ze zetten me af bij mijn hotel, waar de kantoorbediende een kopie van mijn paspoort maakte. Ik moest een telefoon gebruiken die werd gemonitord door de overheid. Ik was banger dat ik opgepakt zou worden dan dat ik neergeschoten zou worden door een of andere drugsbaas, en deed mijn hotelkamer op slot. Op 31 december is oud en nieuw niet echt een ding in China, maar in het hotel waren mensen flink aan het feesten: er werd op mijn deur geklopt, en iemand belde naar mijn kamer. Ik nam niet op.
De volgende ochtend, na het beste ontbijt ooit (watermeloen, kidneybonen, paksoi en een donut) reed de moeder van Jada ons naar de rand van Wuhan, waar we hadden afgesproken met een drugsdealer die nog een tiener was. Zijn vriendin was er ook. Hij verkocht N-Bombs, een soort lsd, en andere drugs op sites als Baidu. We aten hotpot – de varkenshersenen sloeg ik over. Om in China drugs te dealen moet je best wat lef hebben, aangezien ook kleine vergrijpen tot lange gevangenisstraffen kan leiden, of zelfs de dood. Maar deze dealer had er niet zoveel moeite mee om deze nieuwe drugs te verkopen. “De politie houdt zich meer bezig met meth,” zei hij.


Op de terugweg smste ik een distributeur die zichzelf Mike_Health205 noemde, en mdma, nep-xtc en fentanylanalogen verkocht. Ik zei dat ik 4CL-PVP wilde bestellen, maar eerst zijn fabriek wilde zien “om zeker te weten dat zijn bedrijf te vertrouwen is en aan de kwaliteitseisen voldoet”. Hij wilde niet gelijk vertellen waar zijn lab zich bevond, maar zei dat zijn partner Du me op zou halen in een groot winkelcentrum, en we van daaruit samen konden rijden. Het gevolg was dat ik een uur buiten bij een Gucci-winkel heb staan wachten. Misschien was het een misverstand, maar ik denk eigenlijk dat hij me had bekeken en bang was dat ik undercover was. En ja, dat was ik natuurlijk ook gewoon.
In Wuhan had ik meerdere gesprekken met verkopers, best interessante ook, maar niemand wilde zijn lab laten zien. Ik maakte me zorgen dat ik nooit uit China terug zou keren zonder ook maar één lab te zien, wat aanvankelijk toch echt de reden was waarvoor ik hierheen was gekomen.
Ik had gelukkig nog een veelbelovend aanknopingspunt. De volgende dag namen Jada en ik de sneltrein naar Shanghai.


Nadat we bij een hostel hadden ingecheckt, kwamen we in de stromende regen aan bij het metrostation Nanchen Road. Daar hadden we afgesproken met een lab-eigenaar die ik ‘D’ zal noemen. We zouden naar zijn kantoor gaan, en ik was ervan uitgegaan dat we dat lopend zouden doen. Jada stond dichtbij met haar paraplu (maar niet té dichtbij), en zou ons vanaf een veilige afstand volgen. D wist niet dat Jada (of wie dan ook) bij me zou zijn.
D stapte in bij een kleine Chevrolet, dus ons plans viel in het water. Achter het stuur zat een bonkige man die hij “chauffeur” noemde. We reden weg.


D is mede-eigenaar van het bedrijf Chemsky, dat volgens zijn website chemicaliën produceert voor “grote farmaceutische en biotech-bedrijven over de hele wereld”, waaronder Johnson & Johnson – al wordt dit ontkend door een woordvoerder van dat Amerikaanse bedrijf. Chemsky is gespecialiseerd in synthetische wiet, fentanylanalogen, synthetische cathinonen, nieuwe benzodiazepinen en andere drugs met onuitspreekbare namen als AB-CHFUPYCA. Dat weet ik omdat D me een spreadsheet had gestuurd van hun producten, niet lang na ons eerste mailcontact in oktober 2017. Misschien verkochten ze ook wel legale geneesmiddelen, maar ze liepen in ieder geval vooral te koop met recreatieve drugs die in China nog niet verboden waren, en geliefd waren bij westerlingen.


Na wat mailwisselingen gingen we over op Skype, en na een paar maanden gaf D aan dat hij me graag zijn lab liet zien. Ik ontmoette hem als vriendelijke, 38-jarige man die een rond gezicht had en goed Engels sprak. Onze gesprekken nam ik stiekem op met mijn telefoon, die ik in de zak van mijn regenjas had gestopt.
Zijn ‘kantoor’ bleek eigenlijk gewoon zijn huis te zijn, een appartement op de bovenste verdieping van een luxe hoogbouw in een gated community. Daar begonnen we te praten over de verschillende chemicaliën die hij verkocht. Hij vroeg waar ik geïnteresseerd in was; ik mompelde als antwoord iets over fentanyl-analogen. Hij keek recht in mijn ogen.
“We zijn bang dat er journalisten naar ons lab komen, naar ons land, om uit te zoeken wat we met deze chemicaliën doen, of waarom we ze in jouw land verkopen,” zei hij. “Waarom we zo’n bedreiging vormen voor de gezondheid van jullie mensen. Dus ik vraag me af of ik je wel mee naar het lab zou moeten nemen.”


Ik ontkende dat ik journalist was, maar hij was duidelijk op zijn hoede. Hij wilde uitgebreider weten wat mijn intenties waren, en stelde voor om te lunchen. De gespierde chauffeur haalde ons op in zijn Chevrolet en bracht ons naar een lokaal restaurant bij de Shanghai-universiteit. Ondertussen sms’te ik Jada onze locatie.


Hij had varkensvlees, ik een soort roerei met courgette. Ik legde hem uit dat ik in opdracht van een vriend was gekomen die drugsdistributeur was, en op grote schaal fentanylanalogen en andere chemicaliën wilde inkopen. Als het lab aan de kwaliteitsstandaarden zou voldoen, zou mijn vriend met hem in zee gaan.
“Waarom is hij zelf dan niet gekomen?” vroeg D.
“Omdat ik sowieso al naar China wilde komen, om een vriend op te zoeken,” improviseerde ik.
“Een vriend? Waar?”
“In Wuhan.”
“Daar kom ik vandaan! Welk deel van Wuhan?”
Ik deed alsof ik hem niet goed verstond, en ging naar de wc. Toen ik terug was, belandden we bij een ander gespreksonderwerp, en toen we eenmaal klaar waren had hij blijkbaar besloten dat ik oké was.


Niet lang daarna raceten we over de snelweg, op weg naar het lab. Het was “ergens op het platteland”, lichtte D toe. Mijn hart ging steeds sneller kloppen. Het hielp niet mee dat er geen autogordels waren.
Ik probeerde enigszins te volgen waar we naartoe gingen, terwijl ik ondertussen de straatnamen en andere oriëntatiepunten naar Jada stuurde, mocht het helemaal fout gaan. “Shangzhong Road Tunnel,” typte ik. “Sanlu Highway.” “Richting het westen. Denk ik.” Uiteindelijk snapte ik voor geen meter meer waar we waren. De gps op mijn telefoon deed het niet, en de borden waren allemaal in het Mandarijn.


D zong ondertussen Take Me Home, Country Roads van John Denver. Na ongeveer een half uur rijden verlieten we de snelweg, en van een “platteland” kon je niet echt spreken: ik zag vooral kale percelen land die bezaaid waren met afval, afgewisseld met hoge gebouwen.
We stopten op de parkeerplaats van een kantoorgebouw, omringd door gebouwen van een paar verdiepingen hoog. In het midden was een fontein. Aan de buitenkant was amper te zien dat hier geen postkantoor of magazijn van een supermarkt zat, maar een gigantisch drugslab.
“Hier is het. We zijn er man!” Ik mocht verder geen foto’s nemen.


We stapten uit de auto, alleen de chauffeur bleef zitten. Ik nam alles nog steeds op met mijn telefoon, en aangezien ik geen notities kon maken mompelde ik mijn observaties zachtjes hardop. “Dit gebouw lijkt redelijk nieuw te zijn, vanbinnen is het blauw en grijs geverfd, en de trappen ruiken naar beton.” Het was D niet opgevallen, of hij vond me gewoon een weirdo. Hij vertelde dat ze hier nu vijf jaar zaten. We liepen twee trappen op, waarna hij even kort een kamer inging waar allemaal verkopers in zaten – of zo zagen ze er in ieder geval uit. Op de derde verdieping zat het lab, wat vooral neerkwam op allemaal kamers met laboratoriumapparatuur erin. Bijna alle ramen waren open, maar de ijzige wind was niet sterk genoeg om de sterke chemische geur te verdrijven.


D stelde me voor aan zijn partner, wiens naam ik niet goed verstond. Zelf kwam D over als iemand die vroeger op school best populair moet zijn geweest, maar zijn kompaan leek eerder een stereotiepe wetenschapsnerd, met veel tandvlees en een grote bril.

“We hebben bij elkaar op school gezeten, maar haalden niet dezelfde cijfers,” zei D. “Hij vond de cannabinoïdehandel ook wel interessant. Dus toen besloten we samen te werken.”
Zijn partner leek wat wantrouwig, maar spurtte niet tegen toen D me de faciliteiten liet zien, die zich in een stuk of tien andere kamers bevonden. Het waren vooral labs, vol glaswerk en andere dingen die iedereen die weleens een les scheikunde heeft gevolgd kent: bekers, buizen, trechters, weegschalen en machines waarvan de functie niet in een oogopslag gelijk duidelijk werd. In het midden stonden zwarte tafels en aan de zijkant zuurkasten. Een machine, van bijna twee meter lang, werd gebruikt om de chemicaliën te drogen, legde D uit. Op bordjes werd aangegeven dat de chemici altijd handschoenen en een veiligheidsbril moesten dragen, zowel in het Chinees als het Engels.


Het is best te begrijpen dat hier nooit een hygiëne-inspectie plaatsvindt, maar dat was ook meteen goed te merken: er zaten veel roestplekken op de apparatuur, en het glaswerk was vaak vies of bedekt met vergeelde, afbladderende aluminiumfolie. “We hebben veel oude spullen van andere chemici overgekocht, omdat dat goedkoper was,” verontschuldigde D zich. Los daarvan zag het er niet heel onveilig uit. Het ging er best professioneel aan toe.


“Ik synthetiseer nu zelden, maar vijf jaar geleden wel,” zei D. “Dat stinkt enorm.” Zijn partner nam samen met de vier andere chemici het zwaardere tilwerk voor zijn rekening. Ik zag niemand de apparatuur in de gaten houden, maar sommige machines waren wel actief. In de eerste kamer zag ik een kleverige, gele substantie in een grote rondbodemkolf, waar door een mechanische arm in werd geroerd. Een stuk of vijftien, zestien liter denk ik. Daarnaast draaide een identieke machine, met een identiek mengsel erin.


“Dat is BUF,” zei D. Oftewel: benzoylfentanyl, een obscure fentanylanaloog, dat het bedrijf verkocht voor 2400 dollar (dus ruim 2100 euro) per kilo. Het is nooit als medicijn verkocht, en door Chemsky gesynthetiseerd voor recreatieve doeleinden. “Als dit klaar is hebben we een kilo. We weten niet zeker of het hier verboden zal worden, dus we produceren een niet al te grote voorraad. Als het illegaal wordt, gaan we het ook niet meer produceren.”


Zoals meer fentanylanalogen, heeft BUF soortgelijke effecten als fentanyl (dat alweer een tijd terug verboden werd in China), maar de chemische samenstelling verschilt net genoeg dat bedrijven als Chemsky het gewoon konden verkopen. Het was een voortdurend kat-en-muisspel, waarbij China de fentanylanalogen een voor een verbood, en de chemici de formules vervolgens zo aanpasten dat ze weer nieuwe, legale samenstellingen kregen. Dit spel eindigde in mei dit jaar, toen China simpelweg alle fentanylanalogen in een keer verbood – inclusief de samenstellingen die nog niet ontwikkeld waren.


Toen we de volgende kamer binnenkwamen, kon ik amper mijn ogen geloven. D bedekte zijn mond en neus met zijn jas, om de damp tegen te houden die afkomstig was van een geel poeder dat in grote stapels op tafel lag.


Als Tony Montana aan het eind van Scarface achter zijn bureau zit, ligt dat bomvol cocaïne, maar niet zo bomvol als hier. Dit was genoeg om een hele stad high te krijgen. De stapels lagen op aluminiumfolie, misschien wel om te drogen. Ook de vloer was ermee bezaaid, en in de vaten zaten afsluitbare zakken van een kilo.


“5F-ADB,” zei D. Een soort synthetische wiet die ze verkochten voor 1000 dollar (904 euro) per kilo, die volgens hem vooral populair is in Nederland. De bedoeling is dat het spul wordt opgelost en daarna over een gedroogde plantenmassa wordt gesproeid.


In een andere kamer liet hij de grote glazen vaten die gebruikt worden om de 5F-ADB mee te produceren. Hij wees naar een kartonnen doos waarin zakjes zitten met een andere samenstelling: wit met een oranje tint. “Dit is 5F-MDMB-2201. In Rusland zijn ze er gek op.” Veel verder richting het westen sloeg het alleen niet zo aan, en online klaagden mensen vaak dat er nauwelijks informatie over beschikbaar was. “Het is heel sterk, en heeft al effect bij doseringen van minder dan een miligram,” schreef iemand op Drugs-Forum.com. “Het is heel intens, en kan best lastig of eng zijn voor mensen, zelfs voor de ervaren drugsgebruiker.”


Als de rondleiding voorbij is zitten we aan tafel in een kleine, niet per se gezellig ingerichte vergaderruimte. Een andere man komt binnen met een plastic zak met waterflesjes en blikjes Nescafé. De man vertrekt weer en sluit de deur. D, zijn partner en ik openen onze blikjes met zoete koffie en babbelen nog wat.


“Wij vinden chemicaliën die geschikt zijn voor de VS, of ze nou nieuw of oud zijn. Jij en je partner doen het werk.” Hij vertaalt het voor zijn partner. “Wat voor hoeveelheid?”
“Misschien tien kilo van het ene, en een kilo van het andere,” improviseerde ik wederom.
Ze fronsten hun wenkbrauwen. Toen herinnerde ik me dat je met sommige van deze chemicaliën minder dan een rijstkorrel nodig hebt om effect te krijgen. “Tien kilo per maand is een flinke klus,” zei D.


“Ik bespreek het nog even met mijn partner,” zei ik. “Dan kom ik erop terug.” Dit leek ze tevreden te stemmen. “Heb je nog vragen? Zo niet, dan denk ik dat we klaar zijn.”


We liepen naar buiten om op de lift te wachten. Na een paar minuten stond-ie nog steeds stil bij -1, dus namen we maar de trap. De bonkige chauffeur zat klaar in zijn Chevrolet. Hij reed ons terug naar Shanghai, en op de achterbank schreef ik wat aantekeningen op over het bezoek, die ik naar mezelf mailde. We kwamen terug in het centrum, en ze zetten me af bij een hotel.


Voordat we gedag zeiden, gaf D me wat toeristische tips. Het regende nog steeds, en hij stond erop dat ik zijn paraplu zou meenemen. Ik keek hoe de Chevrolet wegreed, nam diep adem en sms’te Jada dat ik oké was. Terug in het hostel kocht ik een kaartje voor de eerstvolgende trein naar Peking. De kans dat D door zou hebben dat ik een journalist was en me achterna zou zitten was klein, maar ik wilde geen enkel risico nemen. Ik nam afscheid van Jada.


Ik maakte snel een einde aan het contact met D, en hij kwam nooit meer terug op onze deal. Maanden later, toen ik al lang weer thuis was, stuurde hij me wel een berichtje op Skype, met een cake-emoji. Het was mijn verjaardag.

Ben Westhoff schreef het boek Fentanyl, Inc.: How Rogue Chemists Are Creating the Deadliest Wave of the Opioid Epidemic

Dit artikel verscheen oorspronkelijk bij VICE US.