architectuur

Waarom er een Bauhaus-droomwereld voor pinguïns bestaat

De ontwerpers maakten met een spiraal van beton een statement over hoe ver we van de natuur af staan.

door Erin Schwartz
12 februari 2018, 1:22pm

Beeld: Topical Press Agency/Hulton Archive/Getty Images

In de jaren dertig van de vorige eeuw ontvluchtten veel Bauhaus-architecten het naziregime en verhuisden bijvoorbeeld naar het Verenigd Koninkrijk. Daar vonden ze een bondgenoot in de bioloog Julian Huxley, de broer van de schrijver Aldous Huxley. Hij was een hoge pief in de London Zoological Society en onder zijn leiding werden de dierentuinen van Londen voorzien van allerlei vooruitstrevende modernistische ontwerpen. Zo kreeg de London Zoo in 1934 een pinguïnverblijf in de stijl van het Bauhaus. Het ontwerp van Berthold Lubetkin bestond uit twee betonnen hellingen die als een DNA-streng om elkaar heen draaiden. Het pinguïnverbijf kreeg veel commentaar van dierentuincritici – jep, dat was toen een echte baan – die het veel te veel een circus vonden worden.

De ontwerpers wilden juist een belangrijk punt over de moderne maatschappij maken. “Ze wilden duidelijk niet de natuurlijke habitat van pinguïns nabootsen, maar de wereld laten zien dat pinguïns ook in een radicaal andere omgeving kunnen overleven,” zegt professor Peder Anker, de auteur van het boek From Bauhaus to Ecohouse: A History of Environmental Design. Het ontwerp van het pinguïnverblijf stond dus symbool voor het snel moderniserende Europa, waarin de mens steeds meer ging leven in een omgeving die vrij ver van de natuur verwijderd is, met name in de stad. “Wat het zo revolutionair maakt,” vervolgt Anker, “is het idee dat we ook in een radicaal andere wereld zouden kunnen leven.”

Beeld: Fox Photos/Getty Images

Professor Anker vertelt dat het Bauhaus altijd een buitengewone fascinatie voor wetenschap had. Als voorbeeld noemt hij László Moholy-Nagy, die een van de introductielessen van de school gaf. Hij liet zijn studenten biologieboeken lezen. “Als je erover nadenkt, is het best radicaal als je mensen die gebouwen en meubels willen ontwerpen eest de biologie laat bestuderen,” zegt hij. “Zelfs nu zou dat nog radicaal zijn.”

De Bauhaus-school werd in 1919 in Duitsland opgericht. In zijn manifest schreef architect Walter Gropius wat het doel van de school was: het verzet tegen de oppervlakkigheid van de neoklassieke architectuur – gebouwen die eruitzien alsof ze door de Romeinen of Grieken zijn gebouwd, zoals bijvoorbeeld de Brandenburger Tor in Berlijn. Bauhaus stond lijnrecht tegenover die overdadigheid aan decoratie, en vierde juist de stalen constructies, het beton en het glas van gebouwen. De school wordt meestal geassocieerd met gestroomlijnde meubels en technologisch utopisme, maar het Bauhaus had ook een wat minder bekende liefde voor bomen, planten en dus pinguïns.

In de gedachte van het Bauhaus was de natuur veel meer dan de laatste decoratieve touch – een laagje stucwerk in vorm van bloemetjes – maar juist het fundament van een goed ontwerp. De school droomde van een utopische samenleving waarin alles – net als de natuur – tegelijkertijd in beweging én in evenwicht is. In de jaren twintig van de vorige eeuw, te midden van een grote voedselschaarste, kocht het Bauhaus verlaten landbouwgrond op, waar de studenten allerlei soorten groenten leerden te verbouwen. Grondlegger Gropius had het in het boek The New Architecture and the Bauhaus zelfs over het gebruiken van platte daken voor landbouw, waarmee hij de huidige trend van groene daken ook enigszins voorspelde.

Dit artikel verscheen eerder op Garage USA.