schelden

Waarom schelden we in Nederland zo vaak met ziektes?

Waar andere landen het houden op geslachtsdelen en God, maken wij elkaar uit voor ‘kankerdebiel’ en ‘tyfuslijer’.
24.11.17
Een zieke vrouw.

De afgelopen tijd vrezen mensen nog weleens dat de Nederlandse identiteit verloren gaat. Maar wat is die identiteit? Het antwoord daarop gaat eigenlijk zelden over iets waar wij Nederlanders echt uitzonderlijk in zijn: de neiging om er flink op los te schelden met de meest dodelijke ziektes.

In België en Duitsland houden ze het liever op geslachtsdelen en uitwerpselen, in andere landen zijn God en het oudste beroep ter wereld vooral populair, maar wij gunnen elkaar de vliegende vinkentering, of de gierende blafkanker. ‘Kanker’ gebruiken we ook gewoon als werkwoord, en zelfs om te duidelijk te maken wanneer iets eigenlijk gewoon heel positief is: ‘kankervet’. Ergens in de geschiedenis moet er blijkbaar een moment zijn geweest waarop dit gebruik is ontstaan, waarna het zich als een hardnekkige epidemie door onze taal heeft verspreid.

Advertentie

Aan de ene kant kun je zeggen dat het ook maar woorden zijn, die inmiddels al lang los staan van hun daadwerkelijke betekenis. Als iemand zich de pleuris verveelt, realiseert diegene zich waarschijnlijk niet dat-ie daarmee een vergelijking maakt met een borstvliesontsteking. Toch is het ene geval het andere niet. De enige keer dat ik er zelf echt moeite mee had was toen iemand op de middelbare school “je kankermoeder” tegen me zei – mijn moeder had toen ook echt kanker.

Waarom schelden we zoveel met ziektes, en wat zegt dit over ons Nederlanders? Ik besloot het eens te vragen aan een aantal experts op het gebied van schelden en verwensingen.

Als eerste bel ik Nicoline van der Sijs, taalkundige en etymoloog aan het Meertens Instituut. Zij geeft het ietwat teleurstellende antwoord dat er eigenlijk nooit een vergelijkend, systematisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar de herkomst van deze gewoonte. “Ik denk dat het onderzoeken van scheldwoorden en verwensingen zélf ook een lange tijd taboe is geweest; in de negentiende en het grootste deel van de twintigste eeuw deed je dat echt niet. Pas de laatste tijd verschijnen er allerlei boeken over.”

Ook kan ze zich voorstellen dat onderzoeksbronnen tegenwoordig toegankelijker zijn. “Historische woordenboeken en oude teksten zijn steeds vaker digitaal beschikbaar, waardoor je ze veel makkelijker kunt doorzoeken.”

Misschien dat dat onderzoek er binnenkort dus alsnog van komt. Maar voordat het zover is, moeten we het doen met theorieën. En die zijn er genoeg, want het is niet zo dat er nooit een taalkundige is geweest die over dit vraagstuk heeft nagedacht.

Invloed uit het Jiddisch

Een daarvan is de Duits-Amerikaanse wetenschapper Reinhold Aman, die beschouwd wordt als wereldwijde autoriteit op het gebied van agressief taalgebruik. Hij is de oprichter en hoofdredacteur van het academische tijdschrift Maledicta, ook wel bekend als The International Journal of Verbal Aggression. Inmiddels is dat tijdschrift gestopt; Aman is met 81 jaar ook de jongste niet meer.

Volgens Aman zou de Nederlandse voorkeur voor ziekteverwensingen weleens uit het Jiddisch zou kunnen komen, een van de weinige talen waarin óók met ziektes wordt gescholden. “Omdat er in Nederland altijd zo veel joden gewoond hebben,” legde hij uit in een interview, “denk ik dat het heel goed mogelijk is dat een aantal van die ziekteverwensingen uit het Jiddisch vertaald zijn.”

In het Jiddische scheldvocabulaire komen inderdaad veel ziektes voor. Wie “krijg het gelaas!” zegt (iets wat mensen daadwerkelijk ooit riepen) wenst iemand bijvoorbeeld een gezwel toe, en als iemand je een oud-Hollandse “darme-reising” gunt, dan gaat het om een darmscheuring. En “krijg een weitig” betekent zoiets als: krijg lekker alle ziektes die er bestaan, en dat allemaal tegelijkertijd.

Wie er ook zo zijn ideeën over heeft, is Rob Tempelaars van het Instituut voor de Nederlandse taal. Ook is hij projectleider van het Algemeen Nederlands Woordenboek. Samen met taalhistoricus Ewoud Sanders schreef hij het boek Krijg de Vinketering! uit 1998, waarin ze 1001 Nederlandse en Vlaamse verwensingen verzamelden.

Advertentie

Als ik hem opbel, zegt hij te betwijfelen of dit verband met het Jiddisch juist is. “De eerste Nederlandse ziekteverwensingen dateren al uit de zeventiende eeuw, terwijl de Jiddische een stuk jonger zijn. Daarnaast kunnen Jiddische verwensingen ook een heel specifiek karakter hebben, waardoor je ze vaak niet in een keer snapt.” Een voorbeeld daarvan is “jullie lijken op elkaar”. Waarmee niet wordt bedoeld dat je er hetzelfde uitziet als iemand anders, maar dat je dode lichaam op dat van een ander gestapeld zou moeten worden.

Misschien wel leuk om in het voetbalstadion eens "jullie lijken op elkaar" te roepen naar de scheidsrechter, in plaats van bijvoorbeeld "kankerscheids je moeder is een hoer!"

Jiddische verwensingen verwijzen ook vaak naar typische joodse gebruiken, gaat Tempelaars verder. “Dan zijn ze voor buitenstaanders meestal onbegrijpelijk, waardoor het logischer zou zijn dat ze eerder in kleinere kringen blijven circuleren.”

Als je bijvoorbeeld “je huis vol gasten en jij niet thuis!” naar je toegeslingerd krijgt, begrijp je daar waarschijnlijk niets van. Tenzij je toevallig bekend bent met de Sjivve, de zevendaagse rouwperiode in het jodendom waarbij het huis van de overledene wordt bezocht door zijn naasten – je huis zit dus vol, maar jij bent er niet bij. Jij bent namelijk dood. Wat dan wél weer pleit voor deze theorie, vertelt Tempelaars, is dat er zowel in het Jiddisch als in het Nederlands ook met fictieve ziektes wordt gescholden. Nederlandse varianten zijn bijvoorbeeld “krijg een nagelpiepverzwiepering” of een “reetscheetvereelting”.

Calvinistische geschiedenis

Als het dan niet de invloed uit het Jiddisch zou zijn, wat dan wel? Tempelaars vermoedt dat de ontkerkelijking een rol zou kunnen spelen. “God heeft in Nederland een lange tijd bovenaan de taboeladder gestaan, op de voet gevolgd door de dood en dodelijke ziektes – die zou je gerust in een adem kunnen noemen. Maar die laatsten hebben God nu van de troon gestoten.”

Daarin verschillen we met mediterrane landen als Spanje en Italië, waar religie juist een grote rol speelt in het scheldvocabulaire. “In Italië gaat het ook vaak om de moederfiguur; er wordt veel verwenst met familieleden. Dat heeft duidelijk met hun cultuur te maken. In Nederland hebben we niet zo’n matriarchale samenleving.”

1511529674972-holy

In mediterrane landen wordt meer met religie en familieleden verwenst. Foto via Pixabay

Dat zou dus iets kunnen zeggen over het verschil tussen Nederland en landen uit Zuid-Europa. Maar daarmee weten we nog niet waarom Duitsland en België zoveel meer ophebben met ‘arschlog’ en “ge kunt mijn kloten kussen,” en ziektes links laten liggen.

Nederland mag dan met zijn buurlanden gemeen hebben dat er nauwelijks wordt gespot met de Heilige Maagd Maria, maar er is wel een ander religieus aspect waarmee Nederland zich onderscheidt, en wat ook invloed op ons taalgebruik zou kunnen hebben: de calvinistische geschiedenis.

Advertentie

Volgens emeritus hoogleraar lexicologie Piet van Sterkenburg zorgde de calvinistische mentaliteit er namelijk voor dat “een mens bij een ziekteverwensing net dat gebruikt wat hij zelf het meeste vreest.” De dood dus, of ziektes die daartoe kunnen leiden. Ook Boele de Raad en Jan Pieter van Oudenhoven maakten dit verband, nadat ze voor de Rijksuniversiteit Groningen het scheldgedrag van 3000 studenten uit elf verschillende landen onderzochten. Volgens de hoogleraren psychologie werden ziektes in het calvinistische Nederland “nogal eens gezien als een straf van God.”

Een randje eczeem

Ook die theorie klinkt lang niet gek. Maar omdat het verband met het calvinisme nooit tot in de puntjes is uitgezocht, kunnen we ook hier geen harde conclusies uit trekken. Voor hetzelfde geld heeft het met onze directe omgangsvorm te maken; wij Nederlanders zeggen graag waar het op staat, waardoor de grenzen van onze grofheid wat zijn opgerekt.

Het zou ook allemáál een rol kunnen spelen. Zeker is in ieder geval dat de ziekteverwensingen van vandaag niet die van morgen zijn. Niet alleen omdat we tegenwoordig andere ziektes krijgen, maar ook omdat we snel op dingen uitgekeken raken. Waar het eerst volstaat om iemand de tering toe te wensen, vinden we dat na een tijdje misschien wat saai worden, en zeggen we “krijg de vliegende vinkentering met een randje eczeem erop.”

We blijven nieuwe variaties verzinnen. Anders treedt er slijtage op, en we willen natuurlijk wel dat onze verwensingen een beetje origineel blijven. Zoals Gerrit Komrij in de inleiding van Krijg de Vinketering! schreef, verwensen we “zoals we ons visitekaartje presenteren: in de hoop dat de ander nog eens aan je zal denken.”

Ondertussen is de taalwetenschap aan een inhaalslag bezig, als we Nicoline van der Sijs mogen geloven. Dus misschien dat onderzoekers ons gedrag binnenkort voor eens en voor altijd kunnen verklaren. Laten we ze succes wensen – en daarbij gelijk ook een gezond leven, zonder al te veel ziektes.