Sport

Ik werd als Nederlandse amateur international voor Bonaire

“Ik kende de tekst van het volkslied niet, maar ben met mijn hand op mijn hart richting de vlag gaan staan.”

door Robbert Barendse; zoals verteld aan Tim van Boxtel; foto's door Robbert Barendse
12 mei 2020, 1:00pm

Robbert Barendse (27) vertrok halverwege 2018 voor zijn werk bij de Marechaussee naar Bonaire. Een jaar later vond de man uit Etten-Leur zichzelf op voetbalschoenen terug in het Ergilio Hatostadion van Curaçao. Met zijn hand op zijn hart richtte hij zijn blik op de vlag van Bonaire, terwijl het volkslied Tera di Solo y Suave Biento werd gespeeld.

Over een jaar keert hij terug naar Nederland, met vooral veel voetbalherinneringen op zak. Barendse werd namelijk international van Bonaire. Dit is zijn verhaal, over schijtende ezels, brandwonden van het kunstgras en discriminerende scheidsrechters.


1589287435025-DSC_0982

Als Nederlandse amateurvoetballer stond ik opeens tussen de lokale Antilliaanse jongens. Op 6 september 2019 maakte ik mijn debuut in het Ergilio Hatostadion, tegen de Britse Maagdeneilanden. Toen we in een rij stonden en het volkslied van Bonaire werd afgespeeld, voelde ik me wel echt even trots. Ik kende de tekst niet, maar ben gewoon met mijn hand op mijn hart richting de vlag gaan staan. De camera ging langs de rij met spelers, net als in de Champions League.

Ik had nooit verwacht international te worden voor Bonaire, maar heb wel een speciale band met de Antillen. Mijn vader was marinier en we hebben vroeger een tijd op Curaçao gewoond. Ik vond het daar erg fijn, dus ik wilde er graag nog eens terug naartoe. Wat vandaag niet kan, komt morgen wel: die levenswijze hangt op de Antillen. Vijf jaar geleden heb ik kanker overwonnen. Sindsdien geniet ik nog meer van de kansen die ik krijg in het leven. Dus toen ik zag dat er in 2017 een vacature voor een opsporingsambtenaar binnen de Marechaussee op Bonaire vrijkwam, heb ik dan ook gesolliciteerd.

Ik kwam totaal niet naar Bonaire met de intentie om te voetballen, ook al heb ik mijn hele leven wel bij de amateurs gevoetbald, als senior niet hoger dan de eerste klasse. Maar toen een collega me vroeg om mee te trainen bij SV Vitesse, heb ik mijn voetbalschoenen toch op laten sturen. Bonaire heeft 20.000 inwoners en één voetbalcompetitie met daarin tien teams. Je speelt dus gelijk op het hoogste niveau. Elke club vertegenwoordigt een wijk, en de kwaliteiten zijn heel verschillend. De ene keer win je met 12-1 van een ploeg die in de Nederlandse vijfde klasse thuishoort, om een week later tegen een goede hoofdklasser te spelen.

1589287449427-Training-BONAIRE

De meeste spelers zijn Antillianen, maar de topploegen willen nog weleens een Colombiaan of Venezolaan halen en die dan hier werk aanbieden. De communicatie is vaak wel lastig voor mij. Ik ben verbaal heel aanwezig op het veld, maar kan niet iemand aanspreken die alleen Papiaments of Spaans begrijpt. Dan moet ik eerst in het Engels of Nederlands naar een andere speler roepen, die het vertaalt. Ik moest ook gigantisch wennen aan het voetbal. Veel teams gooien de lange bal naar voren, houden die vast en dan is het rennen, rennen en rennen. En dan is het ook nog eens heel erg warm.

Mijn kracht in de competitie is mijn lengte: ik win bijna al mijn kopduels. Ik hoef eigenlijk niet eens te springen, gewoon knikken is genoeg. Er zijn twee velden waar we op voetballen. Het ene ligt vlakbij mijn huis en heet Stadion Kralendijk – eigenlijk is het gewoon een veld met een omheining, een sintelbaan en één tribune. Het kunstgrasveld daar is echt verschrikkelijk, het lijkt wel schuurpapier. Ik heb echt brandwonden opgelopen op die mat. De huid op mijn linkerheup is zo dun geworden, dat het na elk stootje opengaat. Het tweede veld is beter, maar ligt aan de andere kant van het eiland.

De faciliteiten zijn basic. De kleedkamer is een schuur. Er zitten wel douches in, maar alleen met koud water. We trainen op een kunstgrasveldje in de wijk, maar zijn niet de enige gebruikers. Op Bonaire heb je heel veel ezels lopen, die alles kapotmaken. Ze vernielen de hekken, rammen het veld op en schijten daar de hele boel onder. Daar moet je dan omheen lopen tijdens het trainen.

De derde helft spelen we in een buitenbar. Dan gaat de barbecue aan, kun je een bak rijst met kip kopen en vliegen de whisky-cola's over de tafel. Als je denkt dat we in Nederland goed kunnen zuipen, dan moet je maar eens naar Bonaire gaan. En dansen doen ze natuurlijk ook, maar dan blijf ik verstandig aan de bar. Ik ben zo houterig als een bezem.

Andere clubs toonden al snel interesse in mij. Ik koos na anderhalf jaar voor SV Uruguay. Ik had inmiddels met wat andere voetballers een projectje opgezet om het jeugdvoetbal op Bonaire naar een hoger niveau te tillen. Die jongens gingen bij Uruguay spelen, een van de topploegen op het eiland. Ik ben meegegaan. Dat viel niet lekker bij Vitesse – ze zeiden dat ik het puur voor het geld deed. Er gingen geruchten op het eiland dat Uruguay een maandsalaris zou betalen aan spelers die een transfer maakten, maar dat is onzin. Het ging mij echt om de klik op voetbaltechnisch gebied. Hier bij Uruguay spelen we opbouwend voetbal, dat heb ik er samen met die jongens van het project en de trainer ingebracht. Maar zo'n overstap voelt voor hen toch alsof je van Feyenoord naar Ajax gaat.

Ik word inmiddels ook herkend op straat. Mensen lopen hier gewoon rond in shirtjes van SV Uruguay met de naam van een speler achterop. Dat is heel apart om mee te maken. Het gaat er bij wedstrijden fanatiek aan toe, zeker bij de toppers zitten er zo duizend mensen op de tribune. Toen ik voor het eerst bij zo'n duel was, en al die toeters hoorde, de shirtjes van de clubs zag en het fanatisme van de toeschouwers aanschouwde, was ik echt verbaasd. Ze zaten daar met spandoeken, er werd vuurwerk afgestoken en de fans gingen los tegen elkaar. Er wordt ook om grof geld gewed. Laatst speelden we tegen Atlétiko Flamingo, daar hadden mensen een maandsalaris op ingezet.

Tijdens dat soort heetgebakerde wedstrijden merk ik wel dat ik de enige makamba – een scheldwoord voor een witte Nederlander – op het veld ben. De supporters gingen echt los. Ik versta het enigszins en hoorde ze dingen als 'coño', 'puta' en 'morto' [dood, red.] roepen. Ze weten dat ik toch maar de helft snap en vuren alles op me af. Ik merk bij scheidsrechters ook dat ik vooraf al met 1-0 achtersta. Dan breekt een tegenstander bijna mijn enkels en doet hij niks, om mij een gele kaart te geven voor een duwtje. Als dat één keer gebeurt, kan het toeval zijn, maar dit is wekelijks zo.

1589287467191-DSC_0601

Ik val op hier, als grote, blonde Hollander. Maar ook vanwege mijn opbouwende speelstijl. Ook bij de bondscoach, Brian van den Bergh, die vroeg me mee te doen aan de selectietrainingen vorig jaar. Die mogelijkheid is er, omdat Bonaire binnen het Koninkrijk der Nederlanden valt. Ik vond het in het begin heel ongemakkelijk bij het nationale team, want ik kende er niemand. Ik was de enige makamba en ik merkte dat ik mezelf echt moest bewijzen. Ze spraken onderling alleen maar Papiaments. Tot de eerste wedstrijd. Toen liet ik zien wat ik kon. Daarna gingen ze opeens Nederlands met me lullen, namen ze me mee naar barbecues of op stap. Ze zagen dat ik echt kwaliteit wilde leveren voor hun land. Grappig detail: we trainden in oude tenues van het Nederlands elftal.

Ik heb tot nu toe drie interlands gespeeld, twee gewonnen en één verloren in de Nations League van ons continent. De eerste wedstrijd was in het Ergilio Hatostadion op Curaçao, omdat de velden op Bonaire zijn afgekeurd door de CONCACAF. Het Ergilio Hato is wel een serieus stadion, daar kunnen 15.000 mensen in en het heeft moderne faciliteiten. Het was echt een bijzondere ervaring, alles van vlucht tot hotel was piekfijn verzorgd. Eenmaal in het stadion werden we behandeld als profs. We stonden achter elkaar in de spelerstunnel en liepen vervolgens na de vlaggendragers het veld op. Vijf jaar geleden overwon ik kanker, nu stond ik klaar om international van Bonaire te worden. Onwerkelijk.

We versloegen in die eerste wedstrijd de Britse Maagdeneilanden met 4-2, ik speelde de volle 90 minuten. Het was midden in de nacht in Nederland, maar mijn familie keek mee via internet. Het uitduel tegen de Britse Maagdeneilanden wonnen we ook. De bijzonderste wedstrijd was tegen de Bahama's. We hadden de dag daarvoor 12 uur gereisd. Via Curaçao, Aruba en Miami waren we aangekomen op de Bahama’s, waar we in een serieus stadion met 30.000 zitplaatsen voetbalden – er zat alleen geen hond in het stadion, want er was net een hevige orkaan geweest die flinke schade had aangericht. Er lag wel een enorme emotionele lading op dat duel. Die spelers wilden hoe dan ook winnen voor hun land, om de bevolking wat positiviteit en trots te geven. Je zag het in hun ogen, aan de beleving waarmee ze speelden. We hebben daar dan ook met 2-1 verloren.

Mijn interlandcarrière is nu voorbij, aangezien ik over een jaar weer terugga naar Nederland. Het is gek om te beseffen dat ik officieel international ben. Ik ben totaal geen toptalent ofzo, gewoon een leuke amateur. Maar volgens mij mag ik nu niet meer voor het Nederlands elftal uitkomen.

-

Dit is een verhaal uit de serie VICE Sports Avonturiers, waarin Nederlandse sporters vertellen over hun ervaringen in het buitenland. Zie hier alle verhalen uit deze serie. Naast onze geschreven verhalen en video's hebben we nu ook een podcast: De Wereld van VICE Sports. De afleveringen zijn hier te luisteren bij Apple of hier op Spotify:

Tagged:
voetbal
Antillen