Vrijdag 29 juni werd in Tour & Taxis Couleur Café afgetrapt. Ik was nog een maagd wat Couleur Café betreft, dus besloot ik samen met E een kijkje te gaan nemen. We vertrokken omstreeks 18 uur naar de hoofdstad. De trip door de grootste urbane jungle van België verliep vrij vlot tot we binnen een perimeter van 1 km waren gekomen. Hoelang we hebben aangeschoven weet ik niet, maar mijn baardhaar was opmerkelijk gegroeid toen ik per ongeluk in de achteruitkijkspiegel keek. Wat een idee is het ook om een festival te organiseren in het midden van de stad, op een plek waar een parkeerplaats schaarser is dan water in de Gobiwoestijn. Uiteindelijk vonden we er één in een obscure zijstraat. Deze straat zag er zo mistroostig uit dat een metafysisch gesprek over het leven met een suïcidale kankerpatiënt het lichtpunt van de dag zou zijn indien ik hier zou wonen. E was beter gemutst en hield de sfeer erin. Na een kwartiertje stappen door een wirwar van smalle steegjes verscheen de ingang aan de horizon. Omdat mij de belangrijke taak was toebedeeld om een verslag te schrijven en foto’s te maken gingen we op zoek naar de persruimte. Het plannetje dat ze ons hadden meegegeven aan de ingang was heel onduidelijk. Ik heb in mijn opleiding archeologie halfvergane Midden-Babylonische kleitabletten gezien die gemakkelijker te ontcijferen waren. Per toeval vonden we het waar we moesten zijn. De ruimte zag er best gezellig uit. Alleen de gebruikte hoeveelheid bamboe irriteerde me mateloos. Er stond een bar met lekkere cocktails die overigens betalend waren. Om de frustraties door te spoelen bestelden we er enkele. De cocktails waren best lekker en voorzien van een flinke scheut alcohol. Op dat vlak kunnen andere festivals iets leren van Couleur Café. In de verte hoorden E en ik de eerste verzen van Nas.

“De Pandakooi”, ook wel backstage genoemd.
We haastten ons naar de tent. Echt moeilijk was het niet om de juiste tent te vinden, door de walm van verschillende soorten cannabis. Volgens mij werd er rijkelijk White Widow en Purple Haze geconsumeerd. Het zorgde ervoor dat Nas de meute stoners zonder probleem naar zijn hand kon zetten. Hij was niet enkel vergezeld van een DJ, maar van een hele band. Bij aanvang klonk het allemaal een beetje rommelig, maar naar mate het optreden vorderde, geraakten ze op elkaar ingespeeld. Vreemd genoeg waren het niet de nummers van Illmatic die de tent op zijn grondvesten liet daveren maar eerder Get Down en Got Ur Self A Gun. Best een goede show, maar zijn promopraatjes voor Life Is Good waren er te veel aan.

Een Panasonic Lumix met 16 megapixels heeft duidelijk geen goede zoom. De oranje vlek is Nasir Jones.
Na het optreden van Nas vergingen E en ik van de honger. We besloten het eetstandje in de Pandakooi uit te proberen. Vermits er daar niet zoveel mensen mochten komen leek me dat de beste optie. Op het menu stonden dingen waarvan ik nog nooit gehoord had. Het eten bleek Ethiopisch te zijn. Ik ken Ethiopië van de zielige, uitgemergelde kindjes met absurd dikke buikjes, van de Jack Sparrows en het Suezkanaal. Dat ze er zo goed kunnen koken had ik absoluut niet verwacht. Het is zonder twijfel het beste voedsel dat ik ooit op een festival gegeten heb. Zelfs de mensen van de Michelingids hadden ongetwijfeld de vijfkoppige crew met sterren overladen.

Wie denkt dat ze in Ethiopië enkel sprinkhanen, rijst, gras en moddertaart eten, komt bedrogen uit.
Dankzij het goddelijke voedsel voelden we ons euforisch, klaar om de rest van het festival te gaan verkennen. Er bleek kortstondig niets noemenswaardig te beleven. Daarom gingen we nog enkele cocktails drinken. Licht aangeschoten trokken we langs de standjes met diverse snuisterijen. Opvallend was dat deze altijd uitgebaat werden door Aziaten, Afrikanen en hippies met dreadlocks en gebatikte T-Shirts. Batikken is een enorm saaie en complexe bedoening. De T-Shirts zien er meestal uit alsof er iemand concentrische kleurencirkels heeft op gekotst.


Ik snap absoluut niet wie aan zoiets 12 euro geeft. Deze prullaria zouden enkel mogen dienen om verdovende middelen over de grens te smokkelen
Tijdens het optreden van Jessie J leek het alsof alle zwakzinnigen uit hun krochten kwamen gekropen. Waar ze vandaan kwamen? Waarschijnlijk van de camping. De Syllabische klanken van Jessy J lokten ze allemaal naar het hoofdpodium.

Italiaanse man, Belgisch bier en verf zijn nooit een goede combinatie. Zeker niet op Couleur Café.

Deze vriendelijke West-Vlaming wilde wel even poseren aan de backstage in ruil voor een halve pint.

Kwantummechanica is nooit interessant. Ook niet op een festival.

Deze man is op de hoogte dat deze festivalzomer roostinten het nieuwe zwart zijn. Helaas voor hem geldt dit enkel voor vrouwen.
Tussen de optredens van Jessie J en de keizerin van de nu-soul Erykah Badu viel nog veel tijd te doden. Dronken marginalen zijn slechts 37 seconden lang grappig dus gingen we naar een dansworkshop kijken. Het was iets met djembé’s. Iedereen ging los op het Afrikaanse tromgeroffel. Leuk voor letterlijk 55 seconden. Op het onleesbare kaartje stonden een paar ecologische standen aangeduid. Ecologie is een heet hangijzer de dag van vandaag. De recyclage firma Fostplus had straatartiesten uitgenodigd die een performance deden met een soort zilverkleurige onderzeeër. Toen ik het debiele schouwspel te zien kreeg, werd ik heel boos. Fostplus is het leuke bedrijf dat mij maandelijks dertig euro aftroggelt voor mijn vuilniszakken en nu dus ook talentloze mimespelers sponsort. In het vervolg verbrand ik mijn vuil gewoon in mijn tuin. Dat kost mij niks en mijn new-age buurvrouw wordt er waanzinnig van.

De grote broer van Bart Cannaerts is een matige straatartiest.
Het festival werd tot het kookpunt gebracht door Erykah Badu. Ze was een uur te laat. Er bestaat zoiets als fashionably late maar er zijn grenzen. Toen ze uiteindelijk besloot om het podium op te sloffen met een nonchalante “je ne sais quoi”-attitude was mijn interesse in de muziek van de diva reeds tot de endeldarm gezakt. Het leek alsof ze anderhalf uur aan een leuter had gesabbeld om net genoeg geld te verdienen voor een lijntje. Haar outfit was alles behalve stijlvol. Ze droeg hoge hakken in combinatie met een jogging en een sportvestje à la High School Musical. Het vestimentaire klapstuk was zonder twijfel het meest weerzinwekkende wat ik ooit op een vrouwenhoofd heb gezien: een Peruviaanse mijnwerkershoed. Mocht de modepolitie echt bestaan dan had ze een boete gekregen. Vanaf het moment dat ze haar zwoele licht rokerige soulstem op de massa losliet had zij mij in haar greep als een soulsirene. Ik werd instant verlekkerd op haar keelklanken die als een fris audiobriesje mijn trommelvliezen kusten. Ik geloof niet dat een muzikaal orgasme bestaat maar haar optreden raakte mij toch in het diepste van mijn ziel. Spijtig dat mijn vriendin er niet bij was, want dit had misschien een muzikaal moment geweest dat we samen hadden kunnen koesteren tot één van ons alzheimer of een hartaanval krijgt.
