Advertentie

Mijn vriend heeft anorexia, samen zochten we uit waar dat vandaan kwam

“Ik heb destijds nooit wat gemerkt van zijn anorexia. Matthijs was altijd vrolijk, en niet tot op het bot mager – zoals je vaak op tv ziet.”

door Ruben de Theije
25 juli 2018, 12:45pm

Matthijs. Foto van de auteur: Ruben de Theije.

“Ik denk dat m’n anorexia nooit helemaal weggaat,” zegt Matthijs plotseling. We zitten in zijn studentenkamer in Breda. Hij is een hechte vriend van me en vorige week hebben hij en ik besloten om samen een verhaal te maken over zijn anorexia-periode. Matthijs was 16 toen hij anorexia nervosa ontwikkelde en anderhalf jaar lang was afvallen zijn grootste focus. Ruim vier jaar geleden werd hij genezen verklaard door een behandelaar – die echter veel op eten focuste, en weinig op de dingen die voor Matthijs veel meer uitmaakten.

“Hoezo, nooit weggaat?” reageer ik iets te bot. Met een spraakrecorder en twee biertjes op tafel hebben we ons eerste ‘interview’. “Je bent er toch vanaf?” Hij schudt zijn hoofd. “De negatieve gedachtes van de anorexia; er blijft altijd iets van hangen. Ik merk dat ik soms weer neig naar het obsessieve te gaan. Ik probeer dat dan te onderdrukken.” Ik kijk hem verbaasd aan.

"Ik zie Matthijs als een rustige, positieve en spontane vriend. Iemand die zich niet druk maakt om van alles. Hoe krijg je jezelf zo ver om amper te eten?"

Matthijs en ik zijn al sinds onze puberjaren bevriend. We groeiden op in hetzelfde Brabantse dorpje, Rijsbergen. Nu is hij 22, ik 21. Ik heb destijds nooit wat gemerkt van zijn anorexia; niemand in onze vriendengroep wist het. Matthijs was ook niet tot op het bot mager, zoals je vaak op tv ziet.

Foto van Matthijs.

Ik heb zijn anorexia ook nooit echt begrepen. Voordat ik aan dit verhaal begon was ik onwetend over de eetstoornis. Ik kende vooral de stereotiepe beelden van magere lichamen en dacht: mensen met anorexia, die zullen van nature vast veel peinzen en snel stresserig zijn. Hoe krijg je jezelf anders zo ver om amper te eten? Die karaktereigenschappen stonden haaks op hoe ik Matthijs zie: als een rustige, positieve en spontane vriend. Iemand die zich niet druk maakt om van alles. Waarom zou juist iemand als Matthijs dit zichzelf aan doen?

Nu, zittend aan tafel, legt hij me uit hoe bang hij is voor een volledige terugval. “Ik heb nooit helemaal begrepen waar het vandaan kwam.” “Maar als je dat beter weet,” zeg ik, “kun je dan een terugval voorkomen?” Hij twijfelt. “Ja, ligt eraan wat het is.”

Matthijs’ angst is heel reëel, lees ik later. Onderzoekers van de Universiteit van Cambridge volgden in 2003 en 2004 bijvoorbeeld 51 vrouwelijke anorexia-patiënten, die ontslagen en ‘genezen’ waren verklaard door verschillende ziekenhuizen. Van deze groep viel 35 procent binnen 18 maanden terug in de eetstoornis. We besluiten ons hier de rest van dit verhaal verder op te focussen: de oorzaken van zijn anorexia. Voor hem, om zijn angst voor een terugval te verlichten. En voor mij, om meer te leren over wat hij heeft doorgemaakt, en het taboe op mannen met anorexia – en eigenlijk psychische problemen in het algemeen – tegen te gaan. Voor mij speelt er nog een belangrijke motivatie mee: door de onbekendheid van zijn probleem zag zijn omgeving het niet. En die omgeving was ik.

“Ik wilde wat afvallen, begon met sporten en het overslaan van kleine hapjes. Toen kwam ik op een punt dat ik een gezond gewicht had, maar sloeg ik door,” begint Matthijs zijn verhaal. Hij vertelt het luchtig, zoals hij altijd praat. “Ik begon calorieën te tellen; voedingsschema’s te maken. Het eten woog ik af, zodat ik precies wist wat ik binnen kreeg. Ik at niks vettigs, dronk geen alcohol en sportte superfanatiek. Dagelijks at ik ongeveer 1400 calorieën.” Gemiddeld wordt aangeraden dat een man 2500 calorieën per dag binnenkrijgt.

Foto van Matthijs tijdens zijn anorexia.

“Als ik thuiskwam ’s middags had ik in totaal 16 kilometer gefietst van en naar school. Daarna vertrok ik naar de fitness in Breda. 10 kilometer fietsen. Dan ging ik twee uur sporten en fietste ik weer 10 kilometer terug. Laxeermiddelen innemen of braken heb ik gelukkig nooit gedaan. Maar uiteindelijk viel ik 15 kilo af, naar een gewicht van 52 kilo.”

Zijn doel was een gespierd, ‘mannelijk’ frame krijgen. “Maar met zo weinig voeding, is dat onmogelijk. Ergens weet je dat, maar daar tegenover staat die intense angst om aan te komen. Dat vind ik achteraf het ergste van de anorexia: ik was er constant mee bezig. Als ik een keer tóch dat snoepje pakte, dan gaf dat me enorm veel stress.”

“Ik denk dat het ruim een jaar geduurd heeft, voordat we zagen dat hij anorexia had”, vertelt Matthijs’ moeder me. Zijn vader zegt: “De eetstoornis bouwde sluipend op. Daarom hadden we het pas door toen zijn zus, moeder en ik een item over jongeren met anorexia op het Journaal zagen. Toen keken we elkaar aan en beseften we...” hij wijst naast zich naar Matthijs. “Dat is onze zoon waar het over gaat.”

Zodra het gezin dat besefte, confronteerden ze Matthijs. “Daarvoor besefte ik nog niet dat ik anorexia had.” Na die interventie ging Matthijs naar de huisarts. “Die man had in een anorexia-kliniek gewerkt. Op zijn verzoek stelden we een eetschema op, waarin we langzaam opbouwden naar 3000 calorieën.” Matthijs’ ouders schakelden ook hulp in van een sportinstructrice. Zij liet zien hoe je op een gezonde manier kan sporten. Na een paar maanden hield Matthijs weer een gezonde levensstijl aan.

Als hoofdoorzaak noemen zijn ouders en zus apart van elkaar één factor: onzekerheid. Zus Lonneke: “Matthijs heeft altijd de pech gehad dat zijn twee broertjes en ik qua bouw superdun zijn. En hij… Ja, hij was gewoon ‘normaal’, maar kreeg toch soms wat opmerkingen van ons dat hij ‘de mollige’ was. En hij zat in de puberteit. Dan is je zelfvertrouwen niet op een hoogtepunt.”

“Na een tijdje ging ik het heel erg opzoeken, die plaatjes. Op internet bijvoorbeeld. Ik dacht: zo hoort een mannenlichaam te zijn; zo hoor ik te zijn.”

Om dieper in te gaan op de angst voor een terugval, rijden we een week later naar Ron Meijering, oprichter van Stichting Anorexia Jongens en eetstoornis-coach. In de auto hebben we het nog eens over de oorzaken. “De opmerkingen die ik soms kreeg, vatte ik als kind heel persoonlijk op. In die periode voelde ik me ook nutteloos op school; niet op m’n plek. Ik werd niet gepest en had vrienden. Maar ik heb met niemand daar écht een goede connectie gevoeld.”

Hij vertelt over hoe hij vervolgens opkeek naar de gespierde mannenlichamen op tv en internet. “Na een tijdje ging ik het heel erg opzoeken, die plaatjes. Op internet bijvoorbeeld. Ik dacht: zo hoort een mannenlichaam te zijn; zo hoor ik te zijn.”

Meijering herkent dat: “Ik werd gepest om mijn ‘dikke kont’,” vertelt hij ons. Je niet fijn voelen in een sociale omgeving was ook voor hem een oorzaak van zijn anorexia. Ron was 11 toen hij anorexia ontwikkelde en werd opgenomen op zijn veertiende. Ik dacht: als ik die zogenaamde dikke kont dunner maak, word ik vast leuker gevonden.”

“Ik zie dat behandelingen in Nederland nog te vaak gericht zijn op eten. Dat vind ik jammer: het gaat niet over eten. Dat is het topje van de ijsberg. Je krijgt ook geen eetstoornis van magazines, tv of internet,” zegt Ron resoluut. “Het is een wens onder een andere wens. Wat maakt dat afvallen zo belangrijk voor je? Vaak is dit omdat mensen zich niet gewaardeerd voelen.”

Ron werd op zijn 18e ontslagen uit de eetstoorniskliniek en ‘genezen’ verklaard. Na zijn ontslag ging hij bij een bakker werken. “Lekker dubbel, hè? Maar dat deed me goed. Ik voelde me gewaardeerd op de werkvloer. Die eetstoornis, ik had hem niet meer nodig.” Lichtelijk verbaasd kijkt Matthijs hem aan: “Je had iets gevonden wat de plek innam?” Ron knikt overtuigend zijn hoofd. “Precies! Iets positiefs waarin ik me kon ontwikkelen.”

We reizen door naar Greta Noordenbos, psycholoog en universitair docent bij de Universiteit van Leiden. In de auto denk ik na over Rons woorden. Het is misschien naïef, maar ik besef nu pas in hoeverre anorexia gaat over de psyche. In de behandelmethode bij Matthijs zag ik vooral de eetschema’s, de sportinstructrice: allemaal gericht op het eetgedrag. Precies wat Ron hekelt.

“Een eetstoornis ontstaat vaak door een combinatie van sociale, psychische en soms erfelijke factoren, gevolgd door een trigger. Die triggers komen vaak uit de samenleving,” legt Greta uit. “Bijvoorbeeld gepest of geplaagd worden.” Ze doet al tientallen jaren onderzoek naar eetstoornissen, vooral toegelegd op het patiëntenperspectief. “De puberteit is een lastige overgangsfase. Ten eerste ontwikkelt het lichaam, maar je weet niet in welke vorm. Hoe gaat dat voelen met die slungelige armen en lange benen? Ten tweede verkast een puber naar de middelbare school; naar een nieuwe, onzekere plek. Zo geeft de puberteit over het algemeen veel onrust. De anorexia kan dan zekerheid bieden.”

Volgens Greta begint anorexia altijd met hetzelfde patroon: “Het begint altijd met afvallen en controle op het eetgedrag. Dat geeft veel mensen een gevoel van ‘wow, hier ben ik goed in. Ik kan precies mijn calorieën tellen; precies op de weegschaal zien hoeveel ik ben afgevallen’. Het wordt zo heel meetbaar en controleerbaar. Mensen met anorexia kunnen vaak al van nature heel obsessief met iets bezig zijn. Daarnaast zijn ze veelal introverte mensen. Niet snel zal een anorexia-patiënt met een deur gaan slaan. Ze spelen het zonnetje in huis. De negatieve emoties kroppen zich op. De anorexia biedt een ‘fijne’ controle. De persoon ziet dit vaak als oplossing tegen de negatieve, onzekere gevoelens.”

“Wat ik vaak hoor, is dat een kind met anorexia overbezorgd is. Over bijvoorbeeld een broertje of zusje. Om die reden houden ze binnen het gezin de schijn op blij en gelukkig te zijn.” Zodra de psycholoog dat zegt, kijkt Matthijs op. Hij heeft nog niet veel gezegd tijdens het gesprek. “Ik was ook altijd het zonnetje in huis,” zegt hij nu. “Om zo niet tot last te zijn voor m’n ouders.”

“Matthijs is de tweede van vier kinderen,” vertelt Matthijs’ moeder. Een paar dagen na Greta’s uitleg over zonnetjes-in-huis zijn we terug in Brabant om met zijn ouders te spreken. Ik herken het gedragspatroon ook bij Matthijs. Het gaat altijd goed met hem; ik kan in al die jaren vriendschap geen moment opnoemen dat hij niet lekker in zijn vel zat, en dat liet blijken.

Verontschuldigend reageert Matthijs' moeder: “Ik denk dat het beter met je was gegaan als papa en ik meer aandacht aan je hadden geschonken.”

“En Matthijs’ broertje, die autisme heeft,” vervolgt zijn moeder, “vroeg veel aandacht.” Ze zegt het stamelend. “Denk je dat het daar iets mee te maken heeft gehad, Matthijs?” Hij reageert kalm, zonder verwijt. “Ik denk het wel. Ik liet nooit weten hoe ik me daadwerkelijk voelde; hield mijn emoties altijd binnen. Zodat jullie meer aandacht aan hem konden schenken.” Verontschuldigend reageert ze: “Ik denk dat het beter met je was gegaan als papa en ik meer aandacht aan je hadden geschonken.” Maar Matthijs heeft toch niet het idee dat hij aandacht tekort is gekomen. “Het was meer een houding vanuit mijzelf.”

Matthijs’ moeder vertelt ons ook dat ze zelf als kind ook graag slanker wilde zijn. “Toen ben ik heel overdreven gaan hardlopen en extreem gezond gaan eten. Maar ik zou het geen anorexia noemen. Het zat op het randje.” Dat zet me aan het denken, in hoeverre was Matthijs’ risico op een eetstoornis al bij zijn geboorte bepaald?

Matthijs met zijn moeder.

“In families van mensen met anorexia, komen vaak familieleden voor met dezelfde of vergelijkbare stoornissen,” zegt psycholoog Greta Noordenbos. “Soms is alcohol een probleem, soms depressie: allemaal psychologische problemen die te maken hebben met het onderdrukken van het emotionele functioneren. Sommige mensen zijn genetisch kwetsbaarder voor het omgaan met emoties.”

“Zou je dan kunnen zeggen dat die kwetsbaarheid bij de ene anorexia ontwikkelt, bij de ander een drankprobleem?” vraagt Matthijs, wat Greta bevestigt.

Een paar dagen praten we in Matthijs’ studentenhuis na over alle gesprekken die we hebben gehad. Waar zou Matthijs emotionele geremdheid vandaan komen? “Misschien omdat we nooit over emoties praatten thuis. Misschien zit het een beetje in mij. Mijn opa had dit ook erg.”

“Je vader vertelde dat het bij jou 0 of 100 was,” zeg ik. Dat zou kunnen meespelen, beaamt mijn vriend. “Dat ik dacht: dit kan ik goed, dat sporten en afvallen. Nu ga ik er helemaal voor. Ik besef nu dat mijn anorexia niet het probleem was. Er lag van alles onder. Het had zich net zo goed anders kunnen uiten, in bijvoorbeeld een alcoholverslaving.”

“Ik herken het gevoel van de anorexia nu beter,” vertelt Matthijs me een paar maanden later. “Daardoor kan ik mijn focus op zulke momenten makkelijker verleggen naar positieve dingen, zoals werk, studie of met vrienden afspreken. Tot nu toe werkt het goed. Maar hoe sterk het gevoel van de anorexia aanwezig is, voelt toch als iets ongrijpbaars.” Hij voelt zich nu sterk genoeg dat hij niet opnieuw hulp zoekt. “Ik ben nog steeds kritisch op mijn lichaam, sport regelmatig en let op m’n voeding, maar nu op een gezondere, niet-obsessieve manier. Ik hoop dat dit gevoel ooit volledig weggaat.”

Ik hoop het ook, Matthijs. Ik begrijp jouw anorexia en deze eetstoornis nu beter. Ja, je bent een positieve, spontane en blije gast. Maar met dit karakter weet je ook je werkelijke emoties te verbloemen naar de buitenwereld. En van die buitenwereld was en ben ik een deel, en van die rol ben ik me meer dan ooit bewust. Ik hoop dat je de zelfverzekerdheid blijft voelen om de anorexia onder controle te houden. Dat je negatieve gevoelens – door wat dan ook – niet opkropt, maar uitspreekt tegen mij of iemand anders. En dat ik je kan zien, begrijpen, kan steunen en helpen.

Een paar maanden geleden waren we samen met wat vrienden aan het indrinken voor CATCH Festival. Je liet ons je oude pasfoto zien, van voor de anorexia. “Dik was ik toen, hè?”

Foto van Matthijs voordat hij anorexia ontwikkelde.

-

Worstel jij met een eetstoornis en heb je hulp nodig? Je kunt landelijk direct terecht bij MIND Korrelatie, Stichting Human Concern of ISA Power, of zoek een behandelaar bij jou in de buurt. Daarvoor heb je wel een verwijzing van je huisarts nodig.

Tagged:
Health
anorexia
Man
Tonic
geestelijke gezondheid
eetstoornis