Hoe Amerika de wereld overtuigde om een oorlog tegen drugs te beginnen

Voor het grootste deel van de wereld was drugsverslaving een medisch probleem, en geen crimineel probleem. Totdat Amerika zich ermee ging bemoeien.

|
aug. 23 2018, 12:16pm

Foto: vexedart / Alamy Stock Photo

Een jonge, zwarte man wordt in de Amerikaanse stad Baltimore opgepakt omdat hij wiet bij zich heeft. In Glasgow, in Schotland, wordt de deur van een huis ingetrapt door een drugsteam. In Afghanistan wordt een veld met klaprozen in de fik gestoken. In Mexico is de politie, gecorrumpeerd door drugskartels, betrokken bij verdwijningen en bloedbaden.

De strijd tegen drugs wordt als een wereldwijd probleem gezien. Elk land heeft zijn eigen drugswetten en zet deze op eigen wijze in. Ondanks kleine regionale verschillen horen we vaak dat de wereld altijd eenzelfde standpunt heeft ingenomen om de gevaren van drugs door middel van wetten tegen te gaan.

Dit is niet waar.

Als we teruggaan in de geschiedenis van de zogenaamde ‘war on drugs’ kom je er als snel achter dat deze strijd specifiek Amerikaans is. Hoe de oorlog tegen drugs zich wereldwijd heeft ontwikkeld is overduidelijk verbonden met de Amerikaanse wens om een grootmacht te worden. En daarbij, inderdaad, een direct gevolg van het Amerikaanse imperialisme.

Voor het begin van de twintigste eeuw werden drugs die nu illegaal zijn wereldwijd gebruikt. Opium diende als medicijn en ook cannabis werd gebruikt als pijnstiller. Beide werden veel minder gebruikt voor recreatief gebruik. De Britse koningin Victoria was groot fan van opium en cannabis, voordat ze een voorliefde voor cocaïne ontwikkelde.

Toen kwamen de Amerikaanse spoorwegen op.

Rond 1850 kwamen Chinese arbeiders naar Amerika om de Central Pacific Railroad aan te leggen. Toen deze spoorweg af was werden ze meteen gezien als bedreiging voor de witte Amerikaanse arbeiders. In 1882 nam het Amerikaanse congres de Chinese Exclusion Act aan, de enige Amerikaanse wet die een verbod legde op de immigratie van een volk puur gebaseerd op hun ras.

Mensen die opium roken in China, circa 1917 - 1923. Foto: CH Collection / Alamy Stock Photo

Een manier om de haat tegen de Chinezen aan te wakkeren was om hun opiumgebruik aan te vallen. Terwijl morfine en labdanum (een mix van opium en alcohol) populaire medicijnen in Amerika waren, stond Chinese opium niet in lijn met de ethiek van de christelijke Amerikaan, of liever gezegd van de christelijke Amerikaanse vrouw.

In 1881, terwijl het Amerikaanse congres nog in debat was over de Exclusion Act, doken er verhalen op over opium-krotten in San Francisco waar “witte vrouwen en Chinese mannen onder de invloed van drugs naast elkaar zaten – een vernederend aanzicht voor iedereen met een vleugje mannelijkheid.”

In de kranten gonsde het van de berichten dat het Chinese opiumgevaar geheel uitgeroeid moest worden. Ze schreven dat anders “de jeugd kapot wordt gemaakt, de komende generatie van hun mannelijkheid ontdaan worden of zelfs dat hele delen van de bevolking zullen sterven,” en dat, voor witte Amerikanen, het roken van opium “helemaal niet past bij hun taken als kapitalisten of christenen.”

Het is belangrijk om te weten dat dit verbodsregime helemaal niet uit Amerika afkomstig was, maar uit hun eerste kolonie. In 1898, tijdens de Spaans-Amerikaanse oorlog, veroverde Amerika de Filippijnen. Charles H.Brent, de Filipijnse, openlijk racistische bisschop van de Methodistenkerk, verafschuwde het gebruik van opium en deed een verzoek aan President Roosevelt om deze “kwade en immorele” gewoonte aan banden te leggen. In 1905 lukte het Brent om het eerste Amerikaanse verbod in te voeren – niet in Amerika zelf, maar op de Filippijnen.

Dit verbod mislukte, niet geheel verrassend. Bisschop Bent was ervan overtuigd dat het aanhoudende gebruik van opium de schuld was van de handel met China. Dus schreef hij President Roosevelt opnieuw, om hem erop te wijzen dat de VS de taak heeft om “de landen samen te brengen waar het gebruik van opium aan de orde van de dag is.” Het idee van internationale controle van drugshandel was geboren.

In Amerika werd drugsverslaving gezien als een besmetting van de witte Amerikanen door invloeden vanuit het buitenland. Dit beeld werd internationaal verspreid. Om de reinheid van de moraal van de witte Amerikanen te beschermen moest de aanvoer van drugs vanuit het buitenland aan banden worden gelegd. Zoals de campagneleider, Richard P. Hobson verkondigde: “zoals de invasies en de plagen uit het verleden, zo komt ook het kwaad van de verslaving aan verdovende middelen vanuit Azië.”

Een poster voor de film 'The Cocaine Fiends' uit 1936

In 1909 organiseerde de VS de eerste International Commission on Opium in Shanghai. Bishop Brent en dokter Hamilton Wright vertegenwoordigen Amerika. Wright werd later de kracht achter de beweging die zich hard maakte voor het verbieden van drugs in Amerika. Vervolgens werd ook elke grote internationale drugsconferentie vanuit Amerika georganiseerd.

Ondanks wat ons verteld wordt over hun ‘speciale relatie’, verzette Engeland zich het meest tegen het Amerikaanse drugsbeleid. Keer op keer dwarsboomde Engeland de gefrustreerde Amerikanen in hun poging om verboden in te voeren en om internationale protocollen op te zetten.

Het was moeilijk voor de VS om het drugsverbod in de rest van de wereld door te duwen als ze het zelf nog niet eens konden handhaven. Wright startte wederom een campagne om een volledig drugsverbod in Amerika in te stellen – weer gebaseerd op racistische vooroordelen.

Maar deze keer dook er een nieuwe drug op die de angstige Amerikanen in de greep nam, met een nieuwe etnische minderheid als ‘schuldige’. De drug heette cocaïne en de etnische minderheid waren de Afro-Amerikanen. In 1920 schreef Wright een rapport dat deze “nieuwe zonde, de zonde van cocaïne, negers ertoe zette om absurde misdaden te plegen.”

Er volgde een explosie aan krantenkoppen die zwarte mensen met cocaïne en criminaliteit in verband brachten. De New York Times publiceerde een verhaal met de kop “" NEGRO COCAINE FIENDS—NEW SOUTHERN MENACE .” Het verhaal ging over een “tot nu toe niet misdadige neger” die doordat hij, naar verluid, cocaïne had gebruikt doordraaide. De politie was gedwongen verschillende keren op hem te schieten. Er werd geïmpliceerd dat cocaïne van zwarte mannen brute supermensen maakte. Zoals de artsen in een artikel schreven: “De cocaïne-neger is nogal moeilijk te doden.”

Deze hysterie zorgde in 1914 voor de Harrison Narcotics Tax Act, een wet die drugsgebruik in heel Amerika verbood. Amerika deed er vervolgens alles aan om dit verbod over de wereld te verspreiden.

HL Sharman, hoofd van de Canadian Narcotic Control, in duscussie over het verbod van marijuana met Harry J Anslinger, hoofd van de US Bureau of Narcotics, en assistent secretaris van Stephen B Gibbons. Foto: Granger Historical Picture Archive / Alamy Stock Photo

In 1930 werd Harry J. Anslinger hoofd van de US Federal Bureau of Narcotics. Het alcoholverbod zou worden teruggetrokken en deze kleine afdeling leek ten dode opgeschreven. Maar Anslinger startte een nieuwe campagne om de politiek en media zo te manipuleren dat het drugsverbod de hoogste prioriteit van de Amerikaanse en buitenlandse politiek zou worden. Hij bleef 32 jaar hoofd van de FBN, diende onder vijf presidenten en zat langer op z’n plek dan welke ambtenaar dan ook, op oud-president Herbert Hoover na.

Anslinger was in vele opzichten de grondlegger van de oorlog tegen drugs – en het archetype van de Amerikaanse drugsbestrijder. Anslinger was genadeloos in zijn kruistocht, en gebruikte vaak methodes die onethisch en vaak zelfs illegaal waren – zeker in het controleren en vervolgen van artiesten, wetenschappers en intellectuelen die hij als dreiging zag.

Om de pers hysterisch op te zwepen speelde Anslinger de ‘rassenangst-kaart’ en strooide hij met het ene na het andere vooroordeel. Hij linkte cannabis aan hispanics, cocaïne aan Afro-Amerikanen en heroïne aan Chinezen.

Hij waarschuwde dat Chinezen een “zwak voor de charmes van blanke meisjes hebben,” en dat ze door het gebruik van opium, de dames tot onethisch seksueel verderf dwingen. De toename van het aantal drugsverslavingen was, volgens hem, “bijna honderd procent onder de negerbevolking,” die met witte vrouwen feestte, en die “door middel van hun verhalen over rassen vervolgingen sympathie afdwongen. Resultaat: zwangerschappen.”

Maar Arslinger nam geen genoegen met z’n kruistocht in Amerika alleen. De eerste dertig jaar van de vorige eeuw, lobbyde hij bij de Amerikaanse regering om de rest van de wereld eenzelfde verbod op te leggen.

Toen begon de Tweede Wereldoorlog. Elk land kwam een stuk slechter uit deze oorlog, behalve de Verenigde Staten. Anslinger benutte dit moment van nieuwe Amerikaanse heerschappij om de andere landen van de VN eenzelfde drugsverbod op te dwingen. De VN zorgde ervoor dat een versie van de Harrison Act in de wetten van de bezette As-mogendheden werd meegenomen, en Anslinger verkoos zichzelf als de Amerikaanse vertegenwoordiger van de Commission on Narcotic Drugs (CND) van de VN.

Elk aspect van de internationale relaties, van militaire beveiliging tot handelsakkoorden en hulpprogramma’s, werd door de VS aangegrepen om andere landen hun methodes te laten overnemen. Charles Siragusa, een hoge pief bij het Federal Bureau of Narcotics, presenteerde onder andere de volgende nare tactiek: “Ik heb gemerkt dat als je nonchalant laat vallen dat je bepaalde buitenlandse hulpprogramma’s wil stopzetten, onze werkzaamheden bijna meteen geaccepteerd worden”.

Het was duidelijk wat Amerika aan het doen was en de wereld reageerde fel op het opleggen van Amerikaanse normen om zo de rassendiscussie in Amerika aan te wakkeren. De Britse afgevaardigden klaagden tegen de CND dat als Amerika hun drugsproblemen niet had gehad, andere landen hun eigen koers hadden kunnen varen en kunnen kijken welke wetten werkten.

Een 'cocaïnekeuken' in de jungle van Bolivia. Foto: Jeff Rotman / Alamy Stock Photo

Aan het einde van de oorlog in 1945, na zestien jaar van tirannie, kreeg Bishop Brent eindelijk z’n zin. In 1961 werd de Single Convention on Narcotic Drugs Law door de VN aangenomen, waardoor alle wetten en ideeën over de behandeling van drugsgebruik op één lijn zouden komen te staan. Het was een Amerikaans beleid, dat het belang van Amerika behartigde.

Het volledig in kaart brengen van de Amerikaanse wereldwijde gemilitariseerde oorlog tegen drugs sinds het tekenen van de Single Convention-wet in 1961 zou meerdere boeken in beslag nemen. Van gesubsidieerde doodseskaders in Latijns-Amerika, tot drugsteams die speciale missies in Afghanistan uitvoeren, tot de ouderwetse methodes om het in aanmerking komen voor Amerikaanse hulp en handelscontacten te baseren op de bereidheid om mee te werken aan de Amerikaanse strijd tegen drugs – de War on Drugs heeft altijd gefunctioneerd als een tak van de Amerikaanse militaire en economische hegemonie.

Regeringen van over de hele wereld – zelfs de Engelse, die zich ooit verzette tegen de aanpak en een alternatief model presenteerde – beweren hun oorlog tegen drugs voort te zetten. Maar we moeten niet vergeten dat ze een Amerikaans beleid handhaven dat hen opgedrongen is. Een beleid dat voortkomt uit één van de meest schijnende en beschamende verhaallijnen uit de Amerikaanse geschiedenis. De oorlog tegen drugs is geen wereldwijde strijd – het is een Amerikaans gevecht dat een wereldwijd probleem is gemaakt. We moeten allemaal kijken naar wat er fout gaat en nog een keer goed nadenken of we dit gevecht willen voortzetten.

Dit artikel bevat fragmenten uit het boek Drug Wars , gepubliceerd door Ebury Press.

Meer VICE
VICE-kanalen