Identiteit

Hilly vocht vanuit haar flat in de Bijlmer voor Surinaamse vrouwen in Nederland

In de jaren tachtig hielp de moeder van Humberto Tan Surinaamse vrouwen met aarden in het individualistische Nederland.

door Amarens Eggeraat
23 september 2019, 12:26pm

Foto via familie Tan, beeldbewerking door Dymphie Huijssen

In 2010 stond presentator Humberto Tan met een plechtig gezicht te midden van een grote groep mensen, vooral veel Surinaamse vrouwen, op een pleintje in Amsterdam-Zuidoost. De belangstelling was dit keer niet zozeer voor hem, maar voor zijn moeder: Hilly Axwijk, de ‘Bigi Misi’ van de Bijlmer, die zes jaar eerder was overleden. Samen met zijn zus Palmira onthulde Humberto het Hilly Axwijk-plantsoen, een klein stukje groen tussen de hoge Bijlmerflats. “Er is geen mens in dit stadsdeel, en zelfs daarbuiten, die haar naam niet kent,” zei een geëmotioneerde omstander.

Hilly Axwijk verhuisde in 1967 naar Nederland. Ze was 33 jaar en had al een heel leven achter zich: in Suriname had ze gewerkt bij een bank, ze was administratief medewerker geweest, ze had als verslaggever artikelen geschreven voor De West en had zich in columns voor De Vrije Stem druk gemaakt over de achtergestelde positie van de Surinaamse vrouw. Daarnaast was ze twee keer getrouwd geweest, en twee keer weer gescheiden. Ze had vier kinderen gekregen: drie zonen en een dochter. Voor die kinderen besloot ze naar Nederland te verhuizen – ze vermoedde dat ze daar een betere toekomst konden opbouwen.

Er waren in die tijd al behoorlijk wat Surinamers die naar Nederland trokken, en hun aantal nam gedurende de jaren zeventig alleen maar toe. De economische situatie in Suriname was aan het verslechteren, er waren stakingen en politieke spanningen, die vooral rondom de Onafhankelijkheid van 1975 hoog opliepen.

Maar in Nederland was het leven voor Surinamers niet altijd makkelijker: de Nederlandse overheid was slecht voorbereid op de toeloop van medelanders uit Suriname, er was niet genoeg opvang beschikbaar. Hele gezinnen brachten maandenlang door in haastig ingerichte kazernes – de situatie was zo belabberd dat een groep Surinaamse activisten in 1974 een flat in de Bijlmer kraakte, om zo zelf maar voor huisvesting te zorgen.

Sommige witte Nederlanders bekeken hun Surinaamse landgenoten met argwaan. Veel Surinamers kregen niet alleen een serieuze culturele schok te verwerken, ze hadden ook te maken met discriminatie, armoede en werkloosheid. Ondertussen was Amsterdam in de ban van heroïne, dat daar was geïntroduceerd door Amerikaanse Vietnam-veteranen die het gebruikten om hun trauma’s mee weg te spuiten. Veel gedesillusioneerde Surinamers trokken zich terug in eindeloze drugsdromen, of raakten verzeild in druggerelateerde criminaliteit. Al snel kreeg de Bijlmermeer, waar een groot deel van de Surinamers terecht was gekomen, een slechte reputatie.

De Surinaamse vrouw en haar 'onvolledige' gezin

Ook Hilly Axwijk had een flatje in de Bijlmer gevonden, in de Grubbehoeve, waar ze woonde met haar vier kinderen en haar moeder. Dat alleen al klinkt als een druk bestaan, maar daarnaast werkte ze ook nog ontzettend hard, aanvankelijk bij de gemeente en later als maatschappelijk werker. ’s Avonds zorgde ze voor haar kinderen en studeerde ze: in 1980 haalde ze een hbo-diploma in maatschappelijk werk met scriptie De Surinaamse vrouw en haar ‘onvolledige’ gezin in Nederland, waarin ze haar eigen situatie en die van de vrouwen om haar heen onderzocht. Daarnaast vond ze nog de tijd om naar de problemen haar buurtgenoten te luisteren, die vrij waren om bij haar naar binnen te lopen en aan te schuiven bij de warme maaltijd.

Axwijk trok zich die problemen heel erg aan. Ze zag hoe Surinaamse vrouwen bekneld raakten tussen Surinaamse familietradities en de realiteit van de meer individualistische Nederlandse maatschappij. Net als in Suriname hadden ze de rol van kostwinner en spil van het gezin, maar hier moesten ze het stellen zonder de steun van een uitgebreide familie en buren die klaar stonden om te helpen.

Veel Surinaamse moeders gingen gebukt onder constante spanningen, wat de sfeer binnen de gezinnen er ook niet beter op maakte. De Nederlandse overheid toonde weinig begrip, een ook witte feministische bewegingen hadden nauwelijks oog voor de specifieke moeilijkheden van Surinaamse vrouwen.

Axwijk begon daarom steeds luider actie te voeren. In november 1981 opende ze het Surinaamse Vrouwencongres in Rotterdam met een vlammende toespraak. “De strijd die wij voeren is een dubbele strijd,” zei ze, “een strijd als Surinamers en een strijd als vrouwen!” Ze hekelde het ‘koloniale denken’ van overheidsinstanties, die beleid maakten voor minderheidsgroepen zonder hen daarbij te betrekken. Ook was ze streng tegenover de Surinaamse vrouwen zelf, die volgens haar te snel bereid waren hun hachelijke situaties te accepteren:

“Zowel cultureel, maatschappelijk als ook mentaal moeten onze zusters geholpen en gestimuleerd worden. Ik zeg ook mentaal, mensen, want de Surinaamse vrouw blijkt mentaal niet opgewassen tegen haar problemen. Wij brengen onvoldoende strijdvaardigheden op: onze mentaliteit heeft iets van gelatenheid en berusting. Dit werkt nu funest, daar wij gefrustreerd raken en de toekomst niet meer zien zitten.”


Niet veel later hielp ze met het oprichten van de SVB (Surinaamse Vrouwen Bijlmer), een organisatie die zich inzette voor de emancipatie van de Surinaamse vrouw. Ook werd Axwijk politiek actief: op verzoek van de Rooie Vrouwen sloot ze zich aan bij de Partij van de Arbeid.

Emancipatie onder Surinaamse vrouwen

In juni 1985 vond de SVB-manifestatie plaats, een groots opgezet evenement dat vijf dagen duurde. Er waren literaire avonden, het werk van vrouwelijke Surinaamse en Molukse schilders werd tentoongesteld, je kon er anjisa’s (Surinaamse hoofddoeken) bekijken en meedoen aan groepsdiscussies rond thema’s als arbeid en gezondheidszorg. Oudere Surinamers gaven workshops in Surinaamse handnijverheid, er werd een toneelstuk opgevoerd met de titel ‘ Een dikke zwarte vrouw als ik’.

In haar openingsrede hamerde Axwijk erop hoe belangrijk de rol van cultuur was binnen het proces van emancipatie, en hoe belangrijk het was voor vrouwen om bekend te zijn met hun eigen cultuur en geschiedenis: “Bewustmaking van mensen, die in een koloniale sfeer zijn opgegroeid, is een aparte taak. Vormingswerk en kulturele opbouw zijn daarom noodzakelijke en harde vereisten voor dit soort werk.”

Vanuit die gedachte reikte ze de Sophie Redmond-onderscheiding uit, vernoemd naar de beroemde arts, politica en feminist uit Paramaribo. De prijs, voor een vrouw die zich buitengewoon inzet op maatschappelijk en cultureel gebied, wordt nog steeds ieder jaar uitgereikt, nu onder de naam De Gouden Vioolspeld.

Axwijk schreef ook een boek over het leven van Redmond. Als eerste vrouwelijke arts in Suriname was zij niet alleen vasthoudend en moedig genoeg geweest om het tien jaar lang uit te houden tussen de overwegend witte mannen op de medische faculteit, ze hielp in haar vrije tijd mensen mensen voor wie reguliere medische zorg onbetaalbaar was. Dit was een vrouw in wie “veel progressieve en actieve vrouwen vandaag een voorgangster menen te herkennen die hen sterk aanspreekt. Een figuur waar ze zich sterk mee identificeren,” schrijft Axwijk in haar voorwoord.

Plantsoen in de Bijlmer

Dat zij zich in Sophie Redmond herkende, is niet zo vreemd. Axwijk was dan wel geen dokter, ze was minstens zo maatschappelijk betrokken en vol energie om de wereld beter te maken. Veel zinnen uit het boekje zouden dan ook evengoed over haarzelf kunnen gaan: “Ze heeft geen hoogdravend leven gehad. Ook heeft ze niet erg aan de weg getimmerd, dat wil zeggen: niet voor zichzelf. Sophie Redmond heeft enorm veel gedaan,” schrijft ze.

In zijn boekje Rondom Tan herinnert Humberto Tan, haar jongste zoon, een advies dat zijn moeder hem ooit gaf: “Doe niet zoals ik heb gedaan. Ik was vaak veel te bescheiden. Wacht niet op anderen om je een compliment te geven.”

Hilly Axwijk bleef zich jarenlang inzetten voor emancipatie van Surinaamse vrouwen. Ze overleed in 2004 op 69-jarige leeftijd aan een hartaanval, een paar maanden nadat haar zoon Patrice overleden was aan de gevolgen van AIDS. Haar begrafenis, op de Nieuwe Ooster Begraafplaats, werd door ontzettend veel mensen bezocht. En nu is er dus een plantsoentje dat haar naam draagt, naast de Grubbehoeve. Op die manier biedt ze zelfs na haar dood nog troost aan onthechte Bijlmerbewoners.