GAMES

Was ik maar deze twee ladderzatte Nederlanders in de nieuwe Call of Duty

De game speelt zich af in Amsterdam, waar je twee mensen tegenkomt die een onnavolgbaar gesprek voeren over bitterballen en een vrouw die Susan heet.
Wouter van Dijk
Amsterdam, Netherlands
13.11.20
Call of Duty
Afbeelding via Activision

Het zijn drukke, onoverzichtelijke tijden voor iedereen die meer dan een beetje geïnteresseerd is in games. De nieuwe Xbox Series X verscheen deze week en we zijn nog maar een paar dagen verwijderd van de PlayStation 5. Trailers, reviews en flarden gameplay van nieuwe games vliegen je met een rotgang om de oren. Nieuwe Assassin’s Creed? Indrukwekkend. Nieuwe Spider-Man? Lache. Nieuwe FIFA? Poeh, whatever. 

Met zo’n groot aanbod, is de kans dat je iets essentieels mist aanzienlijk. Ik ben persoonlijk na World at War gekapt met het fanatiek spelen van Call of Duty, en was mede daardoor dermate slecht in Warzone dat ik tot vandaag alles rondom het uitbrengen van de laatste CoD vakkundig heb weten negeren. In het kort: in het nieuwe Call of Duty: Black Ops Cold War volg je een Amerikaanse CIA-agent aan het begin van de jaren tachtig, die op jacht is naar Iraanse oorlogsmisdadigers. Dit verhaal brengt je op verschillende plekken, waaronder het verdeelde Berlijn, Turkije en Vietnam. Maar de openingsmissie van het spel speelt zich af in onze prachtige hoofdstad Amsterdam. 

In principe iets om even huiverig als trots op te zijn, want laten we eerlijk zijn: wij Nederlanders komen er bijvoorbeeld in grote internationale filmproducties nou niet altijd even lekker af. We worden uitgelachen om hoe we onze patat eten, onze politie wordt te kakken gezet in een achtervolging, en toen Tom Holland (de ironie, mensen, de ironie) in die ene Spider-Man-film wakker werd in een celletje leek het voor de hele wereld alsof iedereen hier aardig, vrijgevig, zorgzaam en een beetje Jeroen van Koningsbrugge is. Zucht. Er is maar één Jeroen van Koningsbrugge, verdomme. 

Daarom was ik blij verrast, en haast een beetje ontroerd, toen ik in een clipje zag dat wij als trotse Nederlanders in Call of Duty eindelijk een keer waardig en zorgvuldig worden geportretteerd. 

Wat we hier zien is inderdaad een doodnormaal gesprek, tussen twee doodnormale Nederlanders. Ik denk een man en een vrouw. Het is het begin van de jaren tachtig. Punk, literatuur en Johan Cruijff waren nog springlevend, maar omdat dat zulke vanzelfsprekende clichés zijn als we denken aan die tijd (en omdat een Nederlands hart ragout in plaats van bloed rondpompt) hebben de twee het over het enige onderwerp met tijdloze relevantie: bitterballen. 

“Een portie…portie….portie bitterballen, portie bitterballen”, kraamt de man uit, terwijl zijn metgezel zichtbaar strontlazerus commentaar zit te leveren op mensen die blijkbaar nog dieper in het virtuele glaasje hebben gekeken dan zij. Terloops wordt nog een dj belachelijk gemaakt, wordt er gevraagd naar een likkie mosterd, is er zoals in letterlijk elke denkbare situatie een willekeurige Susan betrokken en wordt er uiteindelijk wel geopperd om bij elkaar te slapen maar lijkt het er niet op dat dit ook daadwerkelijk gaat gebeuren. 

Als je volledig nuchter in dit spel stapt, klinkt het alsof er twee stemacteurs niet helemaal lekker zijn geworden in een opnamehokje, en waarschijnlijk ligt dit niet ver van de waarheid. Maar hoe vaker ik dit fragment bekijk, en luister naar wat er gezegd wordt, hoe meer ik besef hoe waardevol deze gesprekken zijn. 

We zagen dit jaar koningsnacht, Koningsdag, Bevrijdingsdag en het gehele festivalseizoen aan onze neus voorbij gaan, en daarom is het zaak om dankbaar te zijn voor dit moment in Call of Duty. Want dit gesprek, deze ongefilterde en stomdronken conversatie, is een van de dingen die altijd zo vanzelfsprekend heeft geleken dat het extra emotie oproept nu we eventjes niet in de positie zijn om zelf op deze toeterzatte brallers te zijn. Dus tot er een werkend vaccin is, kan ik beter keer op keer dit eerste level spelen om dichter tot mezelf te komen.