FYI.

This story is over 5 years old.

Sothern Exposure

Een nomadisch bestaan in Saoedi-Arabië

Lastig kiezen tussen een opblaaspop in een mannenkamp of een nomadisch bestaan met drie vrouwen aan je zijde – een reis door de woestijn met een camera.
5.2.14

In 1983 woonde ik een jaar lang in Saoedi-Arabië, omdat ik een baantje had  geregeld via olieconcern Aramco Oil. Ik moest dia’s en video’s maken van trainingsprogramma’s, waarvoor ik vanuit een helikopter foto’s maakte van booreilanden en olieraffinaderijen. De technologie was hier toen nog niet zo ver ontwikkeld als in Amerika, waar men al vanaf het begin van de twintigste eeuw aan auto’s en radio’s knutselde. Dus betaalden de Arabieren flink voor onze kennis van computers en techniek, zo probeerden ze minder afhankelijk te worden. Maar eigenlijk wilden ze ons hier helemaal niet hebben: veel Amerikaanse expats gedroegen zich namelijk als klootzakken, vooral in een land waar iedereen een donkere huidskleur had en geen Engels sprak, geen broeken droeg, en niet in Jezus geloofde.

Ik woonde in een kamp, een paar kilometer landinwaarts vanaf de Perzische Golf. Er woonden ongeveer drieduizend mannen, waarvan de meesten hardwerkende locals waren met lange werktijden en lage lonen. De paar honderd Amerikanen die er zaten kregen hun meer dan goedbetaalde loon belastingvrij en woonden in enorme campers met zes kamers en drie badkamers. Mijn kamer had een eenpersoonsbed, een kast, een bureau en een stoel, een wastafel met spiegel, kleine koelkast, en een zwart-wit televisie. De badkamer deelde ik met mijn buurman.

Vrouwen waren niet toegestaan in het kamp (daar had je opblaaspoppen voor), net als alcoholische drankjes. Werd je toch betrapt op drank, dan ging je de gevangenis in en kreeg je zweepslagen. Zelf dronk ik het liefst het gesmokkelde drankje sadiki, dat ik vermengde met Pepsi. Ik controleerde het goedje door het aan te steken. Als het een blauwe vlam bevatte, was het te vertrouwen.

Maandag was mijn officiële vrije dag. Een uur voor zonsopgang was ik nog steeds wakker, en ruilde ik net mijn sadiki in voor koffie. Die dag zou ik samen met een collega in mijn Toyota de Arabische woestijn doorkruisen. Deze trip maakten we buiten medeweten van de autoriteiten, dus ontkoppelden we de kilometerteller. Grote snelwegen of verkeersborden waren er niet. We sloegen linksaf bij het verroeste wrak van een auto en rechts bij de opgeblazen kameel. Vervolgens stopten we in Dammam om onze gids en tolk, een vriend van mijn collega, op te halen.

Foto’s maken van zwervende bedoeïenenstammen, en vooral van vrouwen, was officieel verboden in Saoedi-Arabië, daarom had ik juist nu mijn camera en genoeg filmrolletjes mee. Onze gids wist waar we de nomadische families konden vinden en wees de weg. Tijdens onze reis vertelde hij dat hij naar Amerika wilde om met de vrouwen daar te neuken. Hij had van zijn Amerikaanse collega’s gehoord, die hem naaktfoto’s lieten zien om hun argument kracht bij te zetten, dat het allemaal hoeren waren die je alleen maar geld hoefde te geven om ze in bed te krijgen.

Twintig minuten lang zag ik niks behalve een uitgestrekte leegte. Tot ik een kudde kamelen en een paar kinderen in onderbroek spotte aan de horizon. De nomadische familie woonde in een gestreepte tent en de vrouwen waren dik ingepakt. De gids vertelde dat we langskwamen om hun cultuur beter te begrijpen en dat vonden ze goed, na het zien van onze achterbak vol met ijs, Pepsi en een doos Milky Ways.

We zaten naast een oudere man en zijn drie vrouwen, aan de andere kant een jongere gast met maar één echtgenote. De mannen roken naar zweet en een soort gember, en de vrouwen geurden naar bloemetjes. Van de dames waren alleen hun handen, voeten, haar en ogen te zien. De jongere man vertelde dat ze elk jaar naar Mekka afreisden. Grote steden bezochten ze niet, ’de stad komt naar ons’, spraken ze filosofisch.

Het was tijd om te eten maar ik had geen honger. De hitte, lange rit, de koffie, het snoep en mijn kater van de sadiki zorgden dat ik me niet goed voelde. Mijn nekspieren voelden gespannen, mijn kaak stond strak en mijn hoofd bonkte.

Als eerste ging er een grote pot dadels rond met vliegen die erboven cirkelden. Ik koos er beleefd eentje uit, alsof het een doos bonbons was. Vervolgens kregen we een kopje hete thee, dat zo gezoet was dat het leek op siroop. Toen verscheen er een grote pan met geroosterde geit en Biryani-rijst, waaruit we met onze handen balletjes draaiden.

Er werd een Toyota-wieldop met kamelenmelk, stukjes dromedarishaar, en woestijnafval doorgegeven in de groep alsof het een joint was. Ik probeerde een vlieg van de rand af te blazen, maar die belandde in de melk, waarin hij ronddobberde als een speelgoedbootje. Ik deed alsof ik een slok nam en gaf de kom door aan mijn buurman, die de vlieg verloste en hem in het zand stopte. Hij klokte de melk naar binnen, lachte zijn tanden (waarvan er eentje miste) bloot en vroeg of ik nog wat wilde. Onze gastheren overtroffen zichzelf.

Meer informatie over het leven van Scot vind je op zijn website.