FYI.

This story is over 5 years old.

Dit is wat ik als portier allemaal meemaak in het Amsterdamse nachtleven

Een beveiliger die al negen jaar aan de deuren van verschillende clubs en festivals staat, vertelt hoe het is om het nachtleven te bewaken.
8.2.16

Welkom bij ontboezemingen, een rubriek waarin we de anonieme verhalen delen van mensen uit de muziek- en feestwereld. Deze keer spreken we een portier die al negen jaar aan de deuren van verschillende clubs en festivals in Amsterdam staat.

Het woord ‘portier’ past eigenlijk beter bij onze baan dan ‘uitsmijter’. Van het clichébeeld dat we allemaal semi-criminele bullebakken zijn die er elk weekend op los rammen en met veel plezier mensen aan hun nekvel de club uitsleuren, is weinig waar. Ten eerste zijn we normale kerels, die naast het werk als portier vaak een fulltime baan hebben. Sommige van mijn collega’s zijn accountmanager bijvoorbeeld, een ander studeert voltijd rechten. Ten tweede is mensen uit de club zetten maar een heel klein onderdeel van wat een portier doet. Over het algemeen zijn we vooral bezig met bezoekersstromen reguleren, problemen oplossen en getuige zijn van een hoop bizarre situaties.

Advertentie

Ik ben in dit vak gerold toen ik twintig was en naast mijn studie achter de bar van een club werkte. Toen de clubeigenaar portiers nodig had ging ik dat doen, en nu, negen jaar later, beveilig ik nog steeds feesten en festivals in het centrum van Amsterdam. Een beginnend portier fouilleert of loopt in de club rond om bijvoorbeeld rokers aan te spreken. Wie meer ervaring heeft komt aan de deur te staan, waar de lastigste problemen zich voor doen. Het soort problemen waarmee je te maken krijgt verschilt heel erg per feest, en het hangt ook samen met welke drugs daar genomen worden.

In de gayscene en op technofeesten, waar veel GHB gebruikt wordt, krijgen we bijna elk weekend te maken met mensen die compleet out gaan en hun broek vol schijten. Ze worden naar buiten gedragen door de beveiliging en zien eruit alsof er geen leven meer in te krijgen is. Onze taak is dan om de ambulance te bellen en ze wakker te krijgen. Het gebeurt wel eens dat vrienden vragen of we die persoon niet gewoon een uurtje kunnen laten slapen totdat hij vanzelf weer wakker wordt, maar dat kan gevaarlijk zijn. Daarbij kunnen we er niet aan meedoen dat we mensen laten slapen in de club totdat het weer beter gaat met ze. Totdat de ambulance er is, moeten we de persoon wakker zien te houden door in hun vel te knijpen. Dat is een gore taak, want mensen die out gaan van GHB laten vaak alles lopen, dus in principe staan we minutenlang in een stankwalm, gebogen over iemand die net zijn broek heeft volgescheten.

Advertentie

Jammer genoeg zijn er vaker poepincidenten in het Amsterdamse nachtleven. Onlangs heb ik nog een meisje uit een club moeten zetten omdat ze in een hoekje van de rokersruimte zat te poepen, en er zijn ook behoorlijk wat vrouwen die het normaal vinden om in de zaal te wildplassen. Ik herinner me ook een keer dat mensen kwamen klagen dat het stonk op de dansvloer; een gast die middenin de zaal stond te dansen, had zoveel drugs gebruikt dat hij in zijn broek had gepoept en het zelf niet door had.

Achtergelaten op de wc

Soms sta ik er echt van versteld hoe jonge feestgangers het normaliseren dat ze afgevoerd worden door drugs. Een paar jaar geleden bijvoorbeeld werd een jongen door de ambulance meegenomen, en om zeven uur ‘s ochtends stond hij plots opnieuw voor mijn deur. Hij kwam net uit het ziekenhuis, met de stempel van het feest nog op zijn hand, en wilde verder feesten. Vrienden laten elkaar ook in de vreselijkste staten achter. Als we na afloop van een feest een rondje doen, vinden we heel vaak iemand die op de wc met zijn broek op zijn knieën zit te slapen.

Ik werk het liefst op technofeesten waar veel 25-plussers komen. Iedereen neemt gezellig een pilletje en daar heb je als portier weinig last van. Het enige vervelende is dat ik de politie moet bellen als iemand meer dan vijf pilletjes bij zich heeft. Dat is in de regel een dealershoeveelheid, maar de mensen die ik betrap zijn meestal arme sukkels die vergeten zijn dat er nog een zakje pillen van vorige week in hun broekzak zat. Het voelt hypocriet om een tof iemand, waarvan ik weet dat het geen dealer is, op te laten pakken, terwijl kutkindjes van achttien die hun drugs wel goed hebben weggestopt op dat moment de zaal doorstuiteren. Ik begrijp dat er regels zijn voor drugsgebruik, maar deze gaat keihard tegen mijn gevoel in.

Advertentie

De problemen die we moeten oplossen op r&b-feesten, waar vooral alcohol gedronken wordt, zijn van een heel ander kaliber. Mensen die dronken zijn hebben er geen idee van hoe vervelend ze zijn. Ik heb het niet over een incidentele berg kots die ergens in de loop van de nacht naast mijn schoenen belandt; dat vind ik inmiddels normaal – misschien ben ik door dit werk een beetje afgestompt. In zo’n geval tik ik de kotser op de schouder en vraag of hij of zij alsjeblieft niet op mijn werkplek zou willen kotsen. Het meest vervelende is als ik bij een deur sta waar ik niet weg kan, en dat dronkenlappen dat als een kans zien om lekker tegen me aan te gaan lullen. Om aan eindeloze bullshitverhalen te ontsnappen doe ik soms alsof iemand me roept via mijn oortje. Ik antwoord via de portofoon dat ik eraan kom, ga naar binnen, en stuur iemand anders naar buiten om me even af te lossen.

Een portier die toch zijn vuisten gebruikt, is de lul

Een dronken persoon die de club niet (meer) in mag, kan er in slagen mijn hele nacht te verzieken. Sommigen blijven urenlang doorzeuren: ‘He, ik heb een vraagje, mag ik nog één vraagje stellen, ik begrijp het niet, ik wil nog één ding vragen, kun je het nog even uitleggen?’ Ze begrijpen dan écht niet dat ze er niet meer in mogen omdat ze net iemand in elkaar hebben geslagen, of omdat ze van alles kapot hebben gemaakt. Dronken mensen veranderen gewoon in kleine kinderen. Een gast die ik al vier keer weggestuurd had, probeerde bijvoorbeeld toch binnen te glippen toen ik de deur opendeed om mensen naar buiten te laten. Ik pakte hem beet en trok hem weer naar achteren, waardoor hij omviel omdat hij zo dronken was. Dat is vervelend, want wie is in zo’n geval de lul denk je? De portier.

Advertentie

De hoofdregel die we opgelegd krijgen van gemeente Amsterdam is dat we geen geweld mogen gebruiken. Ik moet toegeven dat ik al af en toe op mijn tanden heb moeten bijten om me daaraan te houden. Soms word je als portier urenlang uitgescholden, uitgedaagd en zelfs bespuugd door dronkenlappen of mensen die de club niet in mogen. Bij Leidseplein komt de politie ertussen als iemand langer dan vijf minuten een portier uitscheldt, maar in de andere districten van Amsterdam komen ze alleen langs als ze iemand daadwerkelijk ergens voor kunnen aanhouden, voor een vechtpartij bijvoorbeeld. Dan moet je dus tot honderd tellen en ervoor zorgen dat je rustig blijft.

Een portier die toch zijn vuisten gebruikt, is de lul. Hij verliest zijn pasje – een soort legitimatie die je moet hebben als beveiliger – en kan niet meer als portier aan de bak. Op zich is dat een goeie zaak, want 99 procent van de problemen die zich voordoen, kunnen opgelost worden met woorden. Als ik iemand de club uit zet, ga ik diegene bijvoorbeeld niet optillen en naar buiten dragen. Ik zeg binnen dat ik wil praten, geef ze rustig de tijd om hun spullen bij elkaar te zoeken, en beslis buiten aan de hand van het gesprek of ze weer naar binnen mogen.

Het gebeurt natuurlijk ook wel eens dat je in gewelddadige situaties terechtkomt; een collega kreeg ooit een lemmet van een mes in zijn hoofd omdat hij iemand toegang weigerde, en een andere collega moest een keer een bungelend oog terug in z’n kas duwen nadat iemand het er met een longdrinkglas uitgedrukt had. Maar dat zijn uitzonderingen. Over het algemeen kan een portier perfect zijn shift doorkomen zonder spierballen te gebruiken.

Met een fout heuptasje kun je het vergeten

Scheldpartijen en dronken mensen zijn dingen die je snel vergeet, maar wat ik écht naar vind is dat mensen soms officieel klagen over een portier, zonder dat die iets verkeerd gedaan heeft. Een jongen diende een keer een klacht in tegen mij omdat hij blauwe plekken had op zijn schouders nadat ik hem een tijdlang geknepen had toen hij out was gegaan. Er was ook een keer een advocaat die een klacht indiende omdat ik zijn horloge gestolen zou hebben, terwijl ik gewoon voor hem had gezorgd toen hij helemaal slecht ging op allerlei drugs en zijn kleren uittrok en het park inliep. Zulke verhalen brengen onze baan in diskrediet. Mensen zijn geneigd de versie van het verhaal in het nadeel van de portier te geloven, omdat het aansluit bij het idee dat portiers hele agressieve mensen zijn.

Gelukkig is het niet allemaal slecht. We lachen heel wat af onder collega’s, vooral met de rare dingen die mensen proberen om binnen te komen. Het gebeurt verrassend vaak dat iemand net voor het begin van een uitverkocht feest aankomt en zich voordoet als medewerker of dj. Soms komen ze letterlijk met dj-spullen aanzetten. Een andere klassieker is dat mensen beweren dat ze op de lijst staan, of doen alsof ze bevriend zijn met de clubeigenaar. Onlangs nog deed een jongen alsof hij met de eigenaar aan het bellen was, terwijl die gewoon naast me stond. Dat is wel lachen.

Veel mensen denken nog steeds dat portiers er plezier uit halen om iemands feest te verzieken door hem te weigeren of eruit te zetten. Maar onthoud goed: het is een feestje voor jullie, niet voor ons. Wij zijn gewoon aan het werk. Of je erin komt of niet hangt af van je houding, je stijl en hoezeer die twee passen bij het feest waar je naar binnen wilt. In een pak kom je geen technofeest in, en met zo’n fout heuptasje om je bovenlijf en een halfleeg blik bier in je handen kun je het ook vergeten. Elk feest wil een bepaalde sfeer creëren, en dat begint bij de portier en het soort publiek dat hij binnenlaat.