Advertentie
Dit artikel is meer dan vijf jaar oud.
Stuff

Ik werkte als beveiliger bij een van de grootste kunsthandelaren ter wereld

Ik moest vooral veel en lang staan, omdat klapstoeltjes de esthetiek van de ruimte zouden verpesten.

door George Addison
11 december 2013, 9:45am

De auteur van dit artikel die een groep dronkenlappen de galerie binnenlaat.

De meeste mensen zijn onder de indruk als ik vertel dat ik voor één van de bekendste en succesvolste kunsthandelaars en galeriehouders ter wereld heb gewerkt. Het klinkt ook wel als een prima baantje, omringd door prachtige kunst en de aparte figuren die daarbij horen. Maar de mensen die iets meer wisten van de kunstwereld waarschuwden me vooral voor mijn baas, die we even ‘die man’ zullen noemen. “Die man is verrot van binnen,” zeiden ze. Of: “Hij is satansgebroed.” Mijn favoriete waarschuwing kwam in een e-mail van een vriendin die, net als ik, lange tijd in de moslimwereld heeft doorgebracht: “De kunstwereld is nog gevaarlijker en tribaler dan het Midden-Oosten,” schreef ze toen ze net had gehoord dat ik het baantje had gekregen.

Er ging weinig glamour met mijn baan gepaard. Die man is obsceen rijk en zit vuistdiep in de kunstwereld: hij is een soort hogepriester wiens galerieën bijna religieuze eerbied voor de tentoongestelde werken afdwingen. Maar al snel kwam ik erachter dat ik op dagelijkse basis oog in oog zou staan met de enorme leegte van de hele kunstwereld. Bewakers van de galerie hebben een vrij onplezierige baan: ze staan uren achtereen zwijgend in de doodstille en vaak verlaten ruimtes een beetje naar de kale muren te staren, en mogen niet eventjes gaan zitten.

In zo’n werkomgeving neigen je gedachten rond te gaan echoën en vergroot te worden – of je denkt teveel, of helemaal niet. Maar het is onmogelijk om helemaal in gedachten te verzinken of het even allemaal uit te schakelen. Want als je niks hebt om je op te concentreren, dwaalt je hoofd automatisch af naar de pijn in je voeten. Om aan dit alles ook nog een gevoel van zinloosheid toe te voegen, vertelde de directeur van de galerie me tijdens het sollicitatiegesprek dat er eigenlijk helemaal niet zoveel bewakers nodig zijn. Ze worden alleen aangenomen om een expositie wat toegevoegde schijnwaarde te geven.

Welkom in de kunstwereld – waar handelaren op een veiling bieden op kunstwerken die ze eigenlijk al bezitten, alleen om de waarde ervan te vergroten. Waar handelaren er bij hun kunstenaars op aandringen om enorme kunstwerken te maken, zodat er een even enorme prijs opgeplakt kan worden. Dat wist ik al voordat ik er ging werken, want ik had aan jaar eerder al eens een dagje ingevallen voor een bewaker die ziek was.

Midden in de zomerhitte stond ik die dag bij de vooringang te zweten in mijn pak en stropdas, om de deur te openen voor mensen die me negeerden. Ik had een kater en verveelde me kapot. Totdat zich een gelegenheid voordeed om mijn werkdag een stukje interessanter te maken. In naam van de gelijkheid en een leukere dag heette ik een groep zwabberende dronkenlappen welkom. Kom maar binnen, drankorgels, en laaf je aan de spierwitte muren en sculpturen van miljoenen euro’s. Kunst is voor iedereen! Een van hen probeerde een boek te stelen van de receptie, wat het allemaal net iets spectaculairder maakte en ervoor zorgde dat de bewakers zich heel even niet volledig nutteloos voelden.

Kort nadat ik een jaar later terugkeerde naar de galerie om te beginnen aan mijn vaste baan als beveiligingsmanager, vond ik een foto van een beveiligingsvideo-opname waarop ik de dronkenlappen de tent binnenlaat. Mijn nieuwe werkgevers hadden duidelijk geen idee dat ik degene was die ze had binnengelaten – ze vertelden me wel dat dit het enige akkefietje was dat ze “in jaren” hadden gehad. Vandaar het waarschuwende printje van de beveiligingsvideo.  

Ik leerde mijn collega’s in de beveiliging in korte tijd goed kennen en ontdekte al snel dat ze altijd één van de volgende twee kwaliteiten bezaten. Of ze waren militaire types – in staat om roerloos op wacht te staan zonder te vragen waarom – of ze waren van het creatieve soort, bereid om een betekenisloze functie te vervullen om zich daarnaast te kunnen wijden aan hun werkelijke roeping. Miles, ‘De Kolonel’, was duidelijk van de eerste soort: in 2000 was hij naar Groot-Brittannië gevlucht nadat hij gevochten had voor de Revolutionary United Front in de burgeroorlog van Sierra Leone. Hij was gespierd, overdreven schoon, fluisterde met een lage kraakstem en had met zijn dreadlocks tot schouderlengte iets weg van de Predator. Soms grapte hij daar zelfs over, maar niet als hij herinneringen ophaalde aan de jaren van therapie die hij nodig had gehad na de gruwelijkheden die hij in Sierra Leone had waargenomen en zelf had gepleegd.

Op een dag vroeg ik hem hoe het kon dat hij als puber in een groep oorlogscriminelen terecht was gekomen.  “Er staat een gewapend kind voor je, dat jou kan vertellen wat je moet doen,” legde hij uit. “Dan krijg jij een wapen en dan kan hij je niet meer vertellen wat je moet doen, want dan schiet je hem neer.” Ik vroeg hem of hij ooit is teruggekeerd naar Sierra Leone. “Nee,” zei hij. “Straks herkent iemand me nog en zegt ‘Je hebt mama vermoord’ of ‘Mijn vader is dood door jou.’”

Het hele beveiligingsteam werd op een avond samen superdronken en het gesprek ging over het vreemdste dat we ooit hadden gegeten. Om de beurt moesten we antwoord geven, maar Miles zei dat hij het ons niet kon vertellen omdat “we nooit meer hetzelfde over hem zouden denken.” Ik zei dat hij poep of mensenvlees gegeten moet hebben om dat voor elkaar te krijgen. Daarop zei hij dat hij er niet over mocht vertellen vanwege een eed die hij er ooit over had afgelegd. Hij weigerde het verder toe te lichten. Iedereen dronk maar door en we veranderden van gespreksonderwerp. Maar toen ik in de bus naar huis op Google zocht naar “kannibalisme”, “Sierra Leone burgeroorlog” en “Revolutionary United Front”, bleek dat sommige onderdelen van het RUF weldegelijk mensenvlees hebben gegeten.

Adam at juist alleen maar poep. Hij was een kleine, blonde, werkeloze acteur van veertig jaar oud met een permanent bloeddoorlopen linkeroog. Hij deed veel audities voor reclamecampagnes en televisierolletjes. In zijn toewijding werkte hij al jaren voor de galerie, terwijl hij een er een enorme hekel aan had. Ik vertelde hem ooit dat ik hem zo bewonderde vanwege zijn vermogen om het fysieke ongemak en de verveling zo goed aan te kunnen. Even keek hij terneergeslagen: “Dat kan ik helemaal niet,” antwoordde hij.

Adam was sympathiek en deed de belachelijk rijke mensen die door de galerie walsten vakkundig na. Wel was hij een gemakkelijk doelwit om te pesten omdat hij zijn onzekerheid niet goed kon verbergen. Mannen van veertig zouden om verschillende redenen niet gepest moeten worden, en toch ontkwam hij er niet aan. Hij was getraumatiseerd door de kostschool waar zijn vader, een marineofficier, hem naartoe had gestuurd. De kinderachtige macho-omgeving van de galerie plaatste hem weer terug in die vreselijke tijd. Ik kan me één rol die Adam had gekregen nog goed herinneren. Hij was ingehuurd door een marketingbureau om verkleed als beer filmende nieuwspresentatoren te photobomben, die buiten het ziekenhuis waar prins George werd geboren aan het werk waren. Het deed me denken aan een droevige clown: lachend van buiten, huilend van binnen.

Mijn taak (die ongeveer vijf procent van de dag innam) was het in het gareel houden van de zes beveiligingsmannen, het afhandelen van verzoeken of klachten van het personeel van de galerie en het zorgen voor de veiligheid van de kunst en het gebouw zelf. Ook moest ik de secretaresses en gallerina’s(de strenge museumdames) tevreden houden: zij verachtten de beveiligers – ondanks dat de mannen er goed uitzagen en welbespraakt waren – alleen maar omdat ze een trede hoger in de museumhiërarchie stonden. Op hun beurt haatten alle beveiligers de receptionistes, zoals mensen met teveel tijd om handen dingen kunnen haten. Het was een problematische relatie.


Ik kreeg mijn functie toen mijn voorganger, een Braziliaanse ex-agent van de speciale eenheid, slordig werd. Hij werd ontslagen omdat hij ’s morgens een uur na aanvang zijn werk al verliet. Hij kwam alleen maar terug om op het eind van de dag het gebouw op slot te draaien. Net zoals de rest van de galerie, lag het succes in het oppervlakkige – zolang ik maar stoer en scherp overkwam, en genoeg controle had over de mannen zodat ze in een hoek bleven staan zonder te klagen. Ik hoefde alleen maar eerbiedig te zijn naar mijn superieuren en dan was het een lucratieve baan met veel vrijheid. Ik zat dagenlang te lezen en drama’s of detectives te kijken op mijn laptop in een achterkamertje. Bovendien schoolde ik mezelf bij in de moderne kunst, met boeken uit de bibliotheek van de galerie.

Ondanks deze gezelligheid, had ik nog steeds moeite met de visie van die man – door kapitalisme en schoonheid zo met elkaar te verbinden, stimuleert hij irritant elitarisme. Mede daarom besloot ik om te verhuizen en in een camper in de buurt van het park Hampstead Heath te gaan wonen. Ik kreeg een kick van het werken voor de “Goldman Sachs van de kunstwereld”, terwijl ik in het geheim mijn nachten achterin een bestelwagen doorbracht en ’s ochtends badderde in de vijver van Hampstead Heath.

Mijn andere hardnekkige verzet tegen het kapitalistische bewind van die man was dat ik sterk aandrong op stoelen. Die man is groot, maar de National Gallery is nog groter en daar zie je de bewakers ook niet uren achter elkaar stil als een standbeeld staan. Ik vertelde de directeur dat als mensen de industriële sculpturen zouden willen beschadigen, ze een slijptol moesten meeslepen – met bovendien een verlengsnoer om hem van stroom te voorzien. Om de kunst te stelen, zouden ze bovendien een hijskraan en vrachtwagen nodig hebben.

De directeur was een strenge maar begripvolle man. Hij liet zich overhalen en bestelde acht opvouwbare krukjes. Ik stond versteld. De bewakers – die de plek beter kenden dan ik – konden hun oren werkelijk niet geloven. Hun scepsis bleek gegrond. Vijftien minuten nadat de stoeltjes waren bezorgd, kwam de beheerder ze al weer weghalen. Ik vroeg hem waarom hij dat deed, waarop hij zei dat de stoelen “de esthetiek van de ruimte verpestten”. Volgens die man wint esthetiek het van pijn, misschien zelfs van menselijkheid. Mijn collega, een charismatische, kordate zanger in een progressieve rockband, reageerde op het nieuws met: “Ik zei het toch; het is alsof we werken voor de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog.” Er zijn hier te veel Joden bij betrokken om een vergelijking met het Derde Rijk steekhoudend te maken, en ik denk niet dat die man echt zo’n hellevorst is als mijn vrienden beweren. Maar dat hij heult met de duisternis, dat mag duidelijk zijn.

Het was een hele opgave om er weg te komen, vanwege alle voordelen die bij mijn verantwoordelijke positie kwamen kijken. Hoewel ik die man nooit in levende lijve heb gezien, had hij me in zijn ban: ik werd goed betaald, was vrij om me bezig te houden met mijn eigen interesses en ik was, hoewel onbeduidend, onderdeel van iets groots. Maar het opvolgen van de visie van die man voelde als het staren in de felle zon. Als ik de leiding had willen hebben over mensen die blindelings taken uitvoeren die schadelijk en vernederend zijn terwijl ze dubieuze orders opvolgen van hogere hand, was ik wel bij het leger gegaan.

Illustraties door Cei Willis.

Tagged:
Gallerie
Kunst
Londen
beveiliging