Oud-bokskampioen Orhan Delibas vertelt over zijn boksschool en het trainen van radicaliserende jongeren

Laatst trainde hier iemand die dacht dat hij Jezus was. Ik zei: “Ik ken iemand, een vriend, met wie je kan praten,” en dat is dan een psychiater.

|
jan. 12 2018, 2:38pm

De meeste mensen kennen Orhan Delibas als de bokskampioen die in 1992 de zilveren medaille op de Olympische Spelen won. Onder de boksnaam ‘Turkish Delight’ vocht Delibas 250 wedstrijden in het halfmiddengewicht, waarvan hij er slechts 24 heeft verloren. Ook werd hij in 1995 militair wereldkampioen, en vocht hij talloze wedstrijden tegen andere wereldtoppers.

In 2008 stopte Delibas met professioneel wedstrijdboksen. Hij ging aan de slag bij jongerenhuis Harreveld, een instelling voor intensieve jeugdzorg. Daar heeft hij zeven jaar lang jongeren begeleid bij het vinden van werk, scholing en onderdak. Deze ervaring nam Delibas mee toen hij vijf jaar terug de Boksacademie in Arnhem oprichtte. Naast het geven van bokslessen – van beginners tot professioneel – biedt Delibas ook maatschappelijke ondersteuning op zijn school. Delibas helpt jongeren met de meest uiteenlopende problemen, van identiteitscrises en geloofskwesties tot het vinden van werk of een woning. Ook probeert hij radicaliserende jongeren te helpen, door middel van bokstrainingen maar ook door met ze in gesprek te gaan.

Ik sprak Orhan over zijn bokscarrière, zijn strenge opvoeding en hoe hij radicaliserende en probleemjongeren helpt.

VICE: Hoi Orhan, waarom vind je het belangrijk om jongeren te helpen?
Orhan Delibas: Ik ben een zorgzaam en sociaal mens. Ik geloof dat je altijd moet samenwerken als je iets wil bereiken. Zeker tijdens je jeugd is dat heel belangrijk. Dus daar ligt ook mijn hart: bezig zijn met jongeren, ze de goede weg laten zien en ze goede keuzes laten maken. Na mijn bokscarrière heb ik veel ervaring opgedaan in de jeugdzorg. Ik begeleidde jongeren van vijftien tot achttien jaar vanuit de gevangenis en jeugdinrichtingen. Daar stoomde ik ze klaar voor de maatschappij. Die ervaring heb ik meegenomen naar de boksacademie, waar ook veel jongens en meiden trainen die worstelen met allerhande problemen.

Wat voor soort problemen bedoel je dan?
Denk aan het vinden van werk en onderdak, maar ook psychische problemen. Er traint hier bijvoorbeeld een jongen die niet goed weet wie hij is, omdat hij tussen twee culturen is opgegroeid: de Turkse en de Nederlandse. Die probeer ik dan te helpen, door daar met hem na de trainingen over te praten. Dus ik geef niet alleen bokslessen. Ik ben naast coach ook mentor, een persoon bij wie de jongeren die hier trainen altijd terecht kunnen.

Hoe kom je erachter dat iemand zich niet goed voelt, als je vooral bezig bent met trainen en boksen?
Soms kom ik er tijdens de training achter dat er problemen zijn. Als je ergens mee zit, dan kan je ook niet goed boksen. Ik merk dat meteen. Laatst was hier een asielzoeker die heel droevig was tijdens de training. Toen ik vroeg wat er was, begon hij te huilen. Hij zei dat hij niet in Nederland mocht blijven, en terug moest naar Afghanistan. Ik hielp hem toen door hem door te verwijzen naar een advocaat die hem kon helpen met zijn asielaanvraag. Jongeren zoals hij hebben zoveel meegemaakt, en dat vind ik zo naar. Tijdens de beste jaren van hun jeugd zijn ze hun land ontvlucht, stiekem de grens over gegaan en onderweg geweest. En dan moet deze jongen nu terug naar het land waar hij door de Taliban is verdreven…

Daarnaast werken we nauw samen met de politie wijkteams. De politie brengt regelmatig probleemjongeren naar mijn boksschool. Denk aan hangjongeren, maar ook jongens die geradicaliseerd zijn. De politie zegt dan: “pak ‘m maar aan”. Dan is het idee dat ik ze door middel van boksen een beetje discipline bij breng.

Hoe zorg je ervoor dat radicaliserende jongeren weer op het juiste pad komen? Is boksen dan een uitlaatklep?
Door ze te trainen. Kijk, over het algemeen zijn die jongens al gehersenspoeld. Ik voer daarom vaak discussies met ze, met name over de islam. Ze vinden mij bijvoorbeeld een slechte moslim, omdat ik voor ‘ongelovigen’ werk. Maar dan zeg ik: mijn ouders zijn voor een beter bestaan naar Nederland gekomen, omdat het moslimland waar we vandaan komen ons niet kon onderhouden. Dus je moet wel werken hier, om je gezin te onderhouden. Mijn geloof zegt ook niet dat jouw hoofd eraf moet omdat je geen hoofddoek draagt. Dat heeft volgens mij niets met het zijn van een goede moslim te maken. Met dat soort gesprekken probeer ik ze dus te helpen. Maar vaak bereik ik er niet zoveel mee. Meestal zijn ze al bedorven… Qua gedachten dan. Dus dan kan ik alleen nog proberen hun hoofden een beetje leeg te maken tijdens de trainingen.

Zijn er ook succesverhalen over radicaliserende jongeren die bij jou hebben getraind?
Nee, succesverhalen ken ik helaas niet. Er traint hier een jongen die echt heel goed kan boksen. Ik denk dat hij een wereldtopper kan worden. Maar helaas vindt hij zijn geloof belangrijker dan boksen. Hij wil ook niet naar de Nederlandse selectie. Daar lig ik wel eens wakker van… Maar het is zijn keuze. Als hij niet wil, dan is dat zonde, maar ik kan hem niet dwingen. Ik heb natuurlijk wel geprobeerd om hem op andere gedachten te brengen, door met hem te praten over de islam, en uit te leggen dat het er uiteindelijk om gaat dat je aan Allah kan laten zien dat je een goed leven hebt geleid. Maar wat de moskeeën vertellen vindt hij belangrijker dan mijn mening. Hij wil wat betekenen voor zijn moslimbroeders, denk ik.

Waarom is boksen volgens jou een goede manier om met mentale of sociale problemen om te gaan?
Voor veel mensen lucht het echt op om op zo’n bokszak in te slaan. Naast de bokslessen geef ik ook agressietrainingen. Dan probeer ik te achterhalen waar de agressie vandaan komt, waarna we dat er allemaal uitslaan via de zak of de pads. En meestal zijn de jongeren die zo’n training volgen na een uurtje wel voldaan. Het is natuurlijk beter om je op zo’n zak uit te leven, dan om iemand in elkaar te slaan.

Lukt het ook weleens niet om te helpen, omdat de problematiek te moeilijk of vergevorderd is, bijvoorbeeld?
Als ze iets vragen wat ik niet kan, dan zeg ik dat ook eerlijk. Gelukkig werk ik samen met de gemeente en een zorginstelling, dus ik kan mensen vaak doorverwijzen. Psychische stoornissen kan ik bijvoorbeeld niet oplossen. Laatst trainde hier iemand die dacht dat hij Jezus was. Ik zei toen natuurlijk niet: “Je bent gek man!" Ik zei: “Ik ken iemand, een vriend, met wie je kan praten,” en dat is dan een psychiater. Zo gaat dat.

Je helpt ook mensen met het vinden van onderdak.
Ik ken heel veel mensen, en veel mensen kennen mij. Er trainen hier bijvoorbeeld veel asielzoekers die een woning zoeken. Als ik dan in een Turks café zeg dat ik een woning voor iemand zoek, dan is er altijd wel iemand met connecties die kan helpen. Ik doe gewoon mijn best, en uiteindelijk vinden we altijd wel een oplossing. Maar het hangt ook wel van de vraag af hoor. Als iemand op zoek is naar een relatie, dan kan ik natuurlijk niet echt helpen.

Je vindt dat de boksacademie een plek moet zijn waar iedereen op een gelijke manier wordt behandeld. Hoe krijg je dat voor elkaar?
Er trainen hier allerlei mensen met uiteenlopende doelen. Die radicaliserende jongeren boksen naast advocaten en wethouders. Hoe verschillend iedereen ook is: iedereen komt met de intentie om te leren boksen. En ik ben de docent van wie ze dat kunnen leren. Het heeft dus met respect en discipline te maken. Boksen is een contactsport, dus als je niet oplet of doet wat ik zeg, dan kunnen er best wel ongelukken gebeuren. Dus voor één uurtje ben ik de baas, en doe je wat ik zeg. Daarna mag je grappen maken, en dikke vrienden of vijanden zijn. Maar je bent naar mijn boksschool gekomen om te trainen, niets anders. Natuurlijk hebben mensen weleens politieke discussies, maar het gaat nooit verder dan dat. Het wordt nooit hardhandig.

Hoe zorg je daarvoor?
Dat krijgen ze met de training mee. Je hebt altijd jongens die gaan discussiëren met elkaar, maar dan zeg ik: mond houden, en doen waarvoor je bent gekomen. Gewoon trainen.

Hoe heb jij zelf die discipline gekregen?
Met klappen. Ik heb een hele strenge vader. Twee maanden nadat we uit Turkije naar Nederland waren verhuisd, moest ik van m’n vader gaan boksen. Ik was namelijk een heel beweeglijk en agressief kind. Altijd was ik aan het vechten of worstelen met mijn zusjes. Dus ik denk dat mijn vader heeft gedacht dat boksen een goede sport voor mij zou zijn, zodat ik mijn energie kwijt zou kunnen. Maar ik mocht ook echt niets anders doen dan boksen. Toen ik bijvoorbeeld zestien jaar was, gingen al mijn vrienden stappen, maar mijn vader zei: “Je hebt de keuze gemaakt om te gaan boksen, en stappen en boksen gaan niet samen.” Dus ik moest altijd vroeg naar bed. De eerste keer dat ik een vriendin had, was ik eenentwintig. Dat was na de Olympische Spelen. Daarvoor mocht ik niets. Achteraf gezien ben ik hem daar wel heel dankbaar voor.

Waarom? Het lijkt me een heftige manier van opgroeien.
Dankzij boksen heb ik zoveel van de wereld gezien. Ik had toernooien in Oost-Duitsland, wat toen nog de USSR was. Ik ben in Australië geweest, Amerika, overal in Europa… Als ik niet had gebokst, had ik dat allemaal nooit gezien. Boksen heeft me dus veel gebracht. Ook veel pijn, overigens. Ik heb alles gebroken wat kan breken. Bovendien ben ik heel vergeetachtig, omdat ik ook wel eens lichte hersenschuddingen heb gehad na wedstrijden. Dat kan nooit goed zijn. Het is de allermooiste sport, zolang je maar geen wedstrijden doet.

Wat is jouw gouden tip om mensen die het even niet meer weten op weg te helpen?
Ik denk dat je een voorbeeld moet hebben. Iemand zoals ik, of een docent, waar je naar opkijkt en mee kan praten. Dat is mijn advies.

Orhan Delibas is onderdeel van het project ‘Echoes of IS’, een webdocumentairereeks van Submarine Channel waarin mensen die - op wat voor manier dan ook - getroffen zijn door de Islamitische Staat hun verhaal vertellen. Die documentaire bekijk je hier.

Meer VICE
VICE-kanalen