Identiteit

Ik wist niet of ik een een- of twee-eiige tweeling was, tot ik een DNA-test deed

Eeneiig of twee-eiig: mijn identiteit hangt er niet meer van af

door Laura Scholte
23 april 2019, 10:55am

L: Isabelle R: Laura Scholte

“Zeg je dat ook nog even tegen Laura?” Ik zucht. “Je spréékt met Laura,” Voor de zoveelste keer werd ik door de war gehaald met mijn tweelingzus Isabelle. Mijn stem klinkt aan de telefoon blijkbaar precies als die van haar. We lijken ontzettend op elkaar: op foto’s van vroeger kan ik mezelf niet herkennen en moet ik aan mijn moeder vragen wie van de twee ik ben. Gelukkig heeft ze ons nooit in exact identieke kleding gestoken.

Wat het betekent om een tweeling te zijn is voor iedereen anders. Voor mij betekende het dat ik van jongs af aan altijd sprak over ‘wij’ in plaats van ‘ik’ – een gewoonte die ik actief moest afleren toen mijn zus en ik allebei naar een andere universiteit gingen. Eigenlijk is het ook niet gek: mijn zus en ik deelden ontzettend veel. Niet alleen onze familie, maar ook vrienden, onze school en natuurlijk onze verjaardag. Ik werd altijd boos als mensen zich erover verbaasden dat Isabelle en ik allebei een eigen verjaardagstaart kregen. “We zijn toch zeker ook twee mensen!”

Het toe-eigenen van bepaalde karaktereigenschappen en talenten werd steeds belangrijker voor mij. Ik hield enorm van schrijven, en was apetrots toen ik in groep vier een verhalenwedstrijd won. Later won mijn zus dezelfde prijs. Haar cijfers waren misschien beter, maar creatief zijn, dat was van mij.

Op mijn zestiende ging ik een jaar op uitwisseling naar Japan. Daar leerden mensen mij voor het eerst kennen zonder mijn zus. Nadat we ook naar verschillende universiteiten gingen, begonnen we steeds meer gescheiden levens te leiden. Ik zag er op gegeven moment tegen op om mensen te vertellen dat ik een tweelingzus had. Ik was bang dat mensen me anders zouden gaan zien; minder uniek.

laura-en-isabelle-klein
Laura Scholte

Mijn moeder hield altijd stug vol dat we twee-eiig waren. “Er waren twee vruchtvliezen en twee placenta’s bij de geboorte. Een twee-eiige tweeling dus. Dat zei de gynaecoloog. Ik vond jullie altijd zo verschillend dat ik nooit hebt gedacht dat jullie misschien eeneiig waren. Heel zeker wisten we dat niet, maar ik heb altijd gedacht dat jullie dat wel zelf konden uitzoeken als jullie volwassen waren.”

Dat laatste heb ik gedaan. Nadat ik de zoveelste vraag op het zoveelste feestje kreeg en moest uitleggen dat ik nou eenmaal niet wist of ik een- of twee-eiig was. Na de zoveelste blik van ongeloof. Nadat iemand voor de honderdste keer verbaasd uitriep: “Hoe kán je dat niet weten?” Nou, gewoon, omdat je dat niet met het blote oog kan zien.

Bij een twee-eiige tweeling worden twee eicellen apart bevrucht door een zaadcel. Er zijn twee vruchtvliezen voor de embryo’s en twee placenta’s bij de geboorte. Bij een eeneiige tweeling wordt er één eicel bevrucht, die zich daarna in tweeën splitst. Vaak is er sprake van een gedeeld vruchtvlies en een gedeelde placenta, maar niet als de bevruchte eicel zich al vroeg splitst. Alleen afgaan op de nageboorte is dus niet betrouwbaar.

Geslacht en bloedgroep kunnen uitsluitsel geven, maar ook niet altijd. Een tweeling die bestaat uit een jongen en een meisje is altijd twee-eiig. Hetzelfde geldt voor een tweelingzussen of -broers met verschillende bloedgroepen. Dat betekent niet dat tweelingen met hetzelfde geslacht of dezelfde bloedgroep dan per definitie eeneiig zijn. De meest betrouwbare manier om erachter te komen is met een DNA-test.

Een twee-eiige tweeling deelt vijftig procent van hun DNA, net als gewone broers en zussen. Zij zijn dan ook goed uit elkaar te houden. Een eeneiige tweeling deelt honderd procent van hun DNA. Door recente onderzoeken weten we inmiddels dat het DNA wel van elkaar te onderscheiden is, omdat omgevingsfactoren er invloed op hebben. Het cliché uit tv-soaps van de eeneiige tweeling die wegkomt met moord gaat dus niet op (bovendien heeft iedereen een unieke vingerafdruk, ook tweelingen).

Mensen keken altijd naar mijn zus en mij alsof ze een potje zoek de verschillen speelden. Niet alleen werden onze gezichten onder de loep genomen (“jouw neus is iets spitser, haar gezicht iets smaller”) maar ook onze manier van praten, humor en interesses. Daardoor heb ik mijn hele leven lang geworsteld met mijn identiteit. Naarmate ik ouder werd, overtuigde ik mezelf ervan dat het niet uitmaakte of ik een eeneiige tweeling was of niet. Maar hoe hard ik dat ook probeerde te geloven, werd ik toch telkens als ik nieuwe mensen leerde kennen weer met die vraag geconfronteerd. Mensen wilden een duidelijk antwoord, en vonden het vreemd dat ik dat niet kon geven.

Ik was bang om een test te doen, omdat de uitslag een teleurstelling zou kunnen zijn. Ik wilde helemaal geen eeneiige tweeling zijn. Ik wilde anders zijn, uniek, en geen kopie van mijn tweelingzus. Toch moest ik het weten. Al was het alleen maar om al die mensen die continu riepen dat we zoveel op elkaar leken ongelijk te kunnen geven.

Een paar weken nadat ik de wattenstaafjes met wangslijm had opgestuurd, kreeg ik de uitslag: eeneiig.

Nu ik eindelijk antwoord heb, besef ik pas dat het ergens veilig aanvoelde om niet zeker te weten of ik een eeneiige of twee-eiige tweeling was. Ik was bang dat als ik mensen zou vertellen dat ik een eeneiige tweeling ben, ze zouden denken dat er ergens een ‘tweede Laura’ rondloopt – iets wat een vriendin er een keer uitflapte. Daarom stak ik liever een verhaal af over vruchtvliezen en DNA, dan maar gewoon toe te geven dat ik het niet wist.

Ik ben nog steeds dezelfde persoon als voordat ik wist dat mijn zus en ik hetzelfde DNA hebben. Natuurlijk zullen er nog steeds mensen zijn die het verschil tussen ons niet zullen zien, maar dat maakt me niet meer uit. Alles wat mij anders maakt dan mijn zus zit niet in mijn DNA, maar in hoe ik me heb ontwikkeld door de jaren heen.

De reactie van mijn zus op de uitslag van de DNA-test zal ik nooit vergeten: “Dit is eigenlijk best cool! Hoeveel mensen op de wereld kunnen nou zeggen dat ze uit dezelfde gesplitste eicel zijn geboren? Er was gewoon te veel awesomeness voor één persoon,” zei ze lachend tegen mijn verbouwereerde gezicht. Zo had ik het nog niet bekeken. Misschien ben ik toch unieker dan ik dacht.