Identiteit

Hoe het hoarden van mijn moeder mijn jeugd beïnvloedde

“Er lag thuis altijd wel ergens rottend eten. In mijn vroegste herinneringen komt al rommel voor.”
30 juni 2020, 9:51am
Het huis van een hoarder

“Ik groeide niet alleen op met een hoarder, maar ook in wat mensen ‘ellende’ of ‘smerige omstandigheden’ zouden noemen,” zegt Ceci Garrett als ik haar vraag naar haar jeugd. “Er lag thuis altijd wel ergens rottend eten. En we hadden huisdieren toen ik op de middelbare school zat, dus dierlijke uitwerpselen en pis zaten er vanaf dat moment ook bij.”

Ceci groeide op in een huis buiten Washington DC met haar moeder, die een ernstige hoarder was. Ze was ook bipolair en had een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Ceci had een moeilijke jeugd. Ze zegt dat door de woon- en eetkamer in haar huis moest navigeren via smalle paadjes tussen enorme stapels rotzooi. Vanuit haar bed kon ze haar speelgoedkist en bureau wel zien, maar ze kon er niet bij komen vanwege alle spullen die ertussen lagen. Ze had één vierkante meter vrije ruimte waar ze kon zitten en spelen. Als keukenapparatuur kapot ging, werd dat niet gerepareerd of vervangen – wat betekende dat de keuken geleidelijk aan een soort opslagruimte werd.

“Ik groeide op met fastfood, zoals eten uit goedkope restaurants en drive-throughs,” zegt ze. “Thuis kookten we gewoon niet. Er kwamen ook nooit vrienden langs.”

“In mijn vroegste herinneringen komt al rommel voor,” vervolgt ze. “Rond dezelfde leeftijd dat kleine meisjes meestal voor verjaardagen en slaapfeestjes bij vrienden en vriendinnen thuis worden uitgenodigd, begon ik me echt bewust te worden van de situatie bij ons thuis.”

Ceci was zich ervan bewust dat haar woonsituatie niet normaal was, maar het kostte haar tientallen jaren voordat ze begreep wat ze precies met haar hoardende moeder had meegemaakt. Ceci is nu 43 en probeert hoarden al het grootste deel van haar leven te begrijpen. Ze doet op dit moment een master klinisch sociaal werk, ze is twee keer met haar moeder in het tv-programma Hoarders verschenen en ze heeft zelfs een TEDTalk op haar naam staan: ‘Hoarding as a Mental Health Issue’.

Hoarding, ook wel een verzamelstoornis genoemd, werd in 2013 officieel erkend als psychische aandoening in de DSM-V (het diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen). Hoarding is een onvermogen om dingen weg te gooien, wat tot een disfunctionele leefruimte leidt. Hoarders zijn niet per se vies – soms zijn ze zelfs erg schoon en verzorgen ze zich goed – maar langdurig hoarden kan leiden tot een rotzooi, en dan wordt een huis onhygiënisch.

Ceci had het als tiener vooral moeilijk toen ze de ziekte van Pfeiffer kreeg. Ze kon niet meer naar school en moest met haar moeder in hun smerige, rommelige huis blijven. Ze herinnert zich dat ze in die tijd van de trap viel. “Een versluierde poging tot zelfmoord”, zegt ze nu.

“Er zat in mijn slaapkamer op zolder een open trapgat, en ik dacht: ik kan er een einde aan maken, dan hoef ik hier niet meer mee om te gaan. Ik wierp mezelf door het trapgat, maar dat leverde me helaas alleen wat vreselijk gekneusde ribben op en een bezoek aan de eerste hulp. Het loste voor de rest niets op.”

Ceci herinnert zich dat toen de ambulancemedewerkers Ceci op een brancard wilden leggen, zij zich door alle rommel geen weg konden banen door het huis. Uiteindelijk moesten ze de brancard verticaal omhoog houden om haar het gebouw uit te krijgen. Dit gebeurde in de jaren negentig, lang voordat hoarden als psychische stoornis werd erkend. Dat verklaart misschien waarom het medische personeel haar levensomstandigheden niet rapporteerden aan de Kinderbescherming. Ceci weet nu dat ze dat hadden moeten doen.

Dr. Jan Eppingstall is een onderzoeker uit Melbourne die al zeven jaar lang hoarding bestudeert. Ze zegt dat hoarden steeds vaker voorkomt, vooral bij oudere mensen. Tussen de 2 en 5 procent van de bevolking wordt nu door de stoornis getroffen.

“Het is een chronische aandoening, die na verloop van tijd alleen maar erger wordt,” zegt dr. Eppingstall. “Ik denkt dat de psychopathologie niet per se in de loop van de tijd verandert, want dat is volgens mij iets onderliggends, maar ik denk dat de rotzooi gewoon alsmaar groter en groter en groter wordt.”

“Ze voelen zich misschien verantwoordelijk voor het object,” vervolgt dr. Eppingstall. “Ze hebben mogelijk het gevoel dat zij als enige verantwoordelijk zijn om het product of object te gebruiken totdat het ‘op’ is, of totdat zij het gevoel hebben dat het ‘op’ is. Net zoals ze een fles shampoo gebruiken totdat alle druppels shampoo eruit zijn – alsof dat hun verantwoordelijkheid is.”

Ik zeg tegen dr. Eppingstall dat een deel van dit gedrag relatief normaal klinkt of op z’n minst geregeld voorkomt. Maar wanneer kan je klinisch gezien over hoarden spreken?

“Dat is het lastige,” zegt ze. “De drempel is fysiek. Als je je niet comfortabel en veilig door je huis kunt bewegen, als je de kamers niet kunt gebruiken voor hun beoogde doel en je werk mist, of als andere mensen in het huis – zoals kinderen of bejaarde ouders – niet kunnen doen wat ze thuis zouden moeten kunnen doen.”

We leven nu meer dan ooit in een consumptiemaatschappij, en dat treft hoarders meer dan anderen. Het gemak waarmee je aankopen doet op Bol.com, Amazon of Facebook Marketplace kan als een trigger werken voor hoarders.

“Algoritmes passen zich daarop aan,” zegt dr. Eppingstall. “Ze weten wie naar die sites kijkt, waarna je ze overal ziet verschijnen. Dan wordt het moeilijker om je impulsen onder controle te houden. Mensen zullen denken: wat als ik die aanbieding mis? Dit ding is alleen de komende twee dagen afgeprijsd, dus ik moet het nu maar kopen. En dan beland je ineens met een hoop spullen voor je voordeur.”

Ceci snapt de psychologie hierachter wel. “We gingen in mijn jeugd en toen ik een tiener was bijna elke dag winkelen. Tegenwoordig komt dat best vaak voor, maar noemen we het anders: retail-therapie.” Tegenwoordig waakt ze ervoor dat ze niet gaat winkelen als coping-mechanisme. “Ik wil niet die persoon zijn die elke keer gaat winkelen als ze een slechte dag heeft gehad.”

Het herstelproces van Ceci heeft lang geduurd. Ze trouwde en ging op haar achttiende uit huis, twee maanden na het afronden van haar middelbare school. Later ging ze naar een psychotherapeut en begon ze aan haar probleem te werken. Tussen 2009 en 2012 studeerde ze aan de universiteit en las ze zowat elk wetenschappelijk artikel dat er over hoarden te vinden was. Ze kwam ook in contact met andere volwassen kinderen van hoarders, wat voor haar een belangrijke ontdekking was.

“Mijn hele leven dacht ik dat ik het enige kind was dat zo opgroeide, maar dat is niet zo. En het was verschrikkelijk en pijnlijk, maar wat als ik dat kan omzetten in iets goeds?”

Ze beschrijft het keerpunt in haar herstel: “Ik maakte de beslissing dat ik mijn moeder niet kon beheersen. Ik kan mijn moeder niet beter maken, maar haar keuzes hoeven mij niet langer in bedwang te houden. Ik ben nu een volwassene. Ik kan extreem moeilijke keuzes maken, die beter voor me zijn.”

Ceci is nu 43, heeft een gezin en werk als officemanager bij een GGZ-organisatie. Ik vraag of haar opvoeding nu nog invloed op haar heeft. Merkt ze van zichzelf dat ze ook weleens aan het hoarden slaat, of is ze juist een hardcore minimalist geworden?”

“Ik zou niet zeggen dat ik een hardcore minimalist ben, maar ik denk er zeker wel twee keer over na voordat ik iets aanschaf. Ik denk dat ik vaker dingen weggooi, doneer of cadeau doe dan de meeste mensen,” zegt ze. “Als mijn bureau vol raakt, leg ik dat over het algemeen in nette stapels – ook op het werk. Als iets ongeorganiseerd raakt, moet ik even stoppen en alles opruimen – anders kan ik niet functioneren. Ik schakel dan uit.”

Tegenwoordig doet Ceci alles wat ze kan om instanties en instellingen voor te lichten over hoarden en de effecten die dat kan hebben op kinderen die opgroeien in een huis als het hare. “Ik wil in de toekomst kinderbeschermingsorganisaties voorlichten over wat hoarden is, wat het niet is en wat de gevolgen zijn voor de kinderen thuis,” zegt ze.

“We waren geïsoleerd. Onze ouders erkenden niet dat ze een probleem hadden en ons werd van kinds af aan geleerd dat wij het probleem waren – niet de spullen of onze ouders.”

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op VICE Australië

Advertentie