Deze kunstenaar stelt het kapitalisme ter discussie met instantnoedels

Willem Schenk en Comfort Ball over het moeilijke huwelijk tussen kunst en het grootkapitaal.
13 juli 2020, 2:50pm
​Instant Feast, door Willem Schenk
Faux Kimchi Ramen uit Instant Feast, door Willem Schenk

In buurtsupermarkt Borneo, op het Amsterdamse Zeeburgeiland, kun je sinds kort een rekje met receptenkaartjes voor opgeleukte instantnoedels vinden. Twee grote stickers op de grond verwijzen de klanten naar de plekken waar je de noedels in de schappen kunt vinden, en alle andere ingrediënten voor de oogstrelende en culinair hoogstaande noedelgerechten zijn ook in de winkel te koop. Op het eerste gezicht helemaal niet zo gek, want in een supermarkt worden wel vaker producten aangeprezen. Toch is deze actie niet afkomstig uit de koker van een ingehuurd reclamebureau. De receptenkaartjes (getiteld "Instant Feast") zijn gemaakt door ‘cultural strategist’ Willem Schenk. Schenk, die pas afstudeerde van masteropleiding The Commoners Society aan het Sandberg Instituut, verkent nieuwe manieren waarop kunstenaars zich kunnen verhouden tot het kapitalisme. In deze wereld, waarin kunstsubsidies steeds verder worden afgebouwd, zou dat weleens de bittere realiteit kunnen worden. Deze samenwerking met de buurtsuper is een van die manieren.

Miso Ramen

Schenk werkte jarenlang in de mode en de textiel, onder andere voor trendvoorspeller Lidewij Edelkoort. Hij woonde voor zijn werk in New York en Parijs, en weet hoe het wereldje werkt. Zijn ervaringen in de commerciële hoek van de kunstwereld gebruikt hij nu in zijn kunst. Voor dit project werkte hij samen met het gastronomische collectief Comfort Ball (Bin Koh en Sumin Lee). Zij lieten eerder recepten maken door algoritmen, die er vreemde culinaire opvattingen op na bleken te houden (“Peel beefer a laliar and all of each piece of salad. MMMM”). Ook creëerden ze slijmerige berglandschappen van paddestoelen en groenten die er niet per se heel eetbaar uitzien. Nu lieten ze zich inspireren door de instantnoedelrecepten die in Zuid-Korea, hun land van herkomst, op Instagram circuleren: “Het is daar echt comfort-food.” Koh en Lee maakten variaties op dat soort recepten, waardoor de ingrediënten uit de toko gebruikt kunnen worden. De foto’s van de gerechten werden gemaakt door fotograaf Lonneke van der Palen.

Comfort Ball en Willem Schenk

Je zou de receptenkaartjes dus prima een kunstproject kunnen noemen, maar dat doet Schenk niet onomwonden. “Wat is kunst? Dat is een moeilijke vraag,” zegt hij. “De bedoeling van dit project is dat de supermarkt meer verkoopt,” zegt Koh. “Het is tricky om het kunst te noemen.” Schenk: “Bin en ik hebben bijvoorbeeld ook achtergronden in de marketing, en we maken commercieel werk. Ik denk dat het ergens in het midden tussen kunst en marketing ligt. We wilden met die beeldtaal spelen, het moest eruitzien alsof er een marketingteam voor was betaald.”

Sesame Ramen

Op het eerste gezicht lijken de receptenkaartjes inderdaad op kaartjes die je ook wel bij de Albert Heijn kan vinden. Het is een slim idee: mensen zullen zo immers precies kopen wat jij wilt. De reden dat Schenk er instantnoedels mee wilde aanprijzen in de buurtsuper, is juist ook vanwege een Albert Heijn, die zich hier op het eiland vestigde. “Dat frustreerde me. Borneo is een prachtige winkel met mooie producten, en de gemeente had een soort van beloofd dat ze hier de enige winkel zouden blijven. Er was natuurlijk weer niks getekend, dus kwam er toch een andere supermarkt.” Schenk is bang dat de concurrentie van dit soort grote ketens de nekslag is voor authentieke buurtsupers. Daarom besloot hij zijn creativiteit ter beschikking te stellen aan Borneo. “Ik wil dat dit soort spelers in het kapitalistische veld meer winst maken.”

De kunstenaar oefent zo invloed uit op het kapitalisme, dat anders al het geld in de zakken van grote bedrijven met grote marketingbudgetten speelt. Toch is het nog maar de vraag of het ook helpt. De eigenaresse van de supermarkt heeft nog geen gigantische omzetstijging gemerkt, al kan dat ook aan andere dingen liggen. “Het is de afgelopen twee weken enorm rustig, in verband met de vakantieperiode. Bovendien is het steeds slecht weer. Ik heb Aziatische klanten die hier als student wonen, maar die zie ik niet meer. Ik denk gewoon omdat ze weg zijn,” zegt ze. Toch zijn haar klanten blij met de toevoeging van Schenk en Comfort Ball. “Een vrouw zei: ik dacht dat je die noedels gewoon in kokend water deed, maar je kunt er heel veel dingen mee. Dat was wel een mooi commentaar.” Ook vragen veel klanten of ze de receptenkaartjes kunnen kopen. “Ik zeg dan: nee, die mag u zo pakken.” De klanten van de supermarkt herkennen duidelijk het verschil tussen het werk van de marketeer en dat van de kunstenaar.

Schenk wil kunstenaars en ontwerpers de “corporate arena” in trekken. “Die keiharde plek wil ik verzachten, ik wil de menselijkheid terugbrengen.” En het mes snijdt aan twee kanten: door samen te werken met het bedrijfsleven kunnen meer kunstenaars hun artistieke praktijken voortzetten, in plaats van na hun studie gedesillusioneerd iets anders te gaan doen. “Het gaat steeds om de vraag: rek ik zo de grens te ver op? Is dit nog kunst? Het is een grijs gebied, en elk project tast die grenzen af.” Al heeft deze kleine interventie bij Borneo misschien niet de beoogde impact op het kapitalistisch systeem, zowel de kunstenaar als de buurtsuper zijn tevreden. Toch verlopen de samenwerkingen niet altijd zo soepel.

Schenk: “Voor onze master zouden we een project doen hier aan de andere kant van het eiland. We hadden een utopisch idee: we zouden het stuk land delen met de gemeenschap, er zou geen grootkapitaal aan te pas komen. Maar toen bleek dat dit project deels gesponsord was door een groot bouwbedrijf, dat ook bepaald resultaat beoogde. Dat had de school er eerst niet bij verteld. Het werd een ramp: de studenten werden boos, we schreven een collectief manifest, en in het tweede jaar ging iedereen gewoon zijn eigen ding doen. Er is uiteindelijk niks gebeurd met dat stukje land, al zijn er nu wel een paar studenten, waaronder ik, gevraagd om er alsnog een kunstwerk op te zetten. De hele vraag van het project was: kan zoiets idealistisch als ‘the commons’ bestaan binnen het kapitalisme. Zijn er mogelijkheden om samen te werken met bedrijven op een nieuwe manier? Veel kunstenaars denken van niet, ik denk van wel.”

Eén van de fictieve advertenties.

Bij een ander project, dat hij samen met Koh en Jules van den Langenberg deed, werd wederom duidelijk dat er nog weleens wrijving kan ontstaan als kunst en kapitaal te dicht bij elkaar komen. Op uitnodiging van Project Space Dim-Sun in Lausanne, Zwitserland, maakten ze een serie fictieve advertenties. “We gingen naar de afstudeershow van een kunstschool, en we liepen over een pleintje. De beeldtaal van de bedrijven op dat pleintje combineerden we ongevraagd met het werk van de kunstenaars.” Zo ontstond onder andere een advertentie voor een nieuwe service van een uitvaartdienst, die daarvoor zou samenwerken met een aantal afgestudeerde kunstenaars. De esthetiek was gebaseerd op die van de jehova's getuigen. De advertenties hingen ze vervolgens op. Koh: “Ze werden boos.” Schenk: “Heel boos. Twee kunstenaars zagen ons als van die zelfingenomen curatoren, die even hadden besloten om zich hun werk toe te eigenen. Terwijl we ons ook de beeldtaal van de bedrijven hadden toegeëigend. Veel mensen zijn een beetje bang om de wereld van de kunst en van het kapitalisme te mengen. Dat begrijp ik ook, maar ik wil dat juist wel doen.”

Schenk zegt dat hij de taal van advertenties inspirerend vindt. “Ik haat het kapitalistische systeem, maar ik hou van de kleur die het aan de wereld geeft. Het doel van die esthetiek is om te verkopen: het moet zo gemaakt zijn dat het je aandacht trekt en er aantrekkelijk uitziet. Dat is leuk. Het is ook verrot wat het doet met de wereld en met de mens, maar je kunt er niet omheen.” Koh beleeft er minder plezier aan: “Advertenties kunnen ook heel saai zijn. Adverteren is zo duur dat je een hele toegankelijke beeldtaal moet gebruiken om zoveel mogelijk mensen te bereiken.” Toch beaamt ook zij dat het kapitalisme een onontkoombare realiteit is. “Je moet toch je huur betalen. Ik accepteer de precaire situatie waar ik inzit, maar ik wil ook niet een totale slaaf van het systeem zijn.” Ze vindt dat kunstenaars bedrijven ervan moeten overtuigen dat het oké is om kunst te sponsoren zonder daar voorwaarden aan te verbinden. Schenk noemt als voorbeeld een vriend van hem die een schilderij maakte in opdracht van een grote bank. “Ze vonden de kleur niet bij het interieur passen. Het is echt bizar dat een bedrijf zulke eisen aan een kunstenaar stelt.” Hoe minder publiek geld er is voor kunst, hoe meer invloed bedrijven zullen hebben. “Bedrijven worden dan curatoren. Dat is bijna censuur,” zegt Schenk. Volgens Koh is het belangrijk voor de voortgang van cultuur dat kunstenaars op hun eigen voorwaarden leren samenwerken met het bedrijfsleven. “Na het postmodernisme kwam de hedendaagse kunst, daar zitten we nu al een hele tijd in. Het wordt tijd voor wat nieuws. Volgens mij ligt het aan het kapitalisme, dat dat er nog niet is.”

Peanut Butter Noodle

Schenk ziet de oplossing in het creëren van een sterke gemeenschap in de kunstwereld. Hij woonde een tijdje in New York, waar ondanks het barre subsidieklimaat toch een bloeiende kunstscene is. Door veel mensen te kennen en steeds aan het hosselen te zijn, valt er te overleven. “Ik denk dat we hier ook die kant op gaan. Volgens mij is dat een onontkoombare realiteit. We moeten als kunstenaars daarmee om leren gaan. Er moet een gemeenschap komen die niet misbruikt wordt door het systeem en door mensen die er eigenlijk niet toe doen.” Een soort informele vakbond? “Dat is mooi verwoord,” zegt hij.

Yoghurt Curry Noodle