FYI.

This story is over 5 years old.

Fotos

Schonkig Schuimen

Geen graffitti, geen dj's, geen wazige vintage-zweem - Bruce Gilden weet dus wèl hoe je straatfotografie aanpakt.
24.10.11

Als we niet beter zouden weten, zouden we op basis van de vele pitches van ‘straatfotografen’ die we dagelijks binnenkrijgen bij VICE bijna gaan geloven dat het betekent dat je een graffitiliefhebbende dj bent met een exclusieve petjescollectie en een fascinatie voor menselijke interactie in clubs. En dat je een onverklaarbare aversie hebt tegen scherpe foto’s. Gelukkig weten we wel beter en realiseren we ons dat ‘straatfotografie’ vroeger een heel andere, letterlijkere definitie had: fotografie gevoed door onvoorziene gekte, spontane vreugde, vertrapte zielen, criminele activiteiten, waterspuwende brandkranen en alle andere dingen uit het spectrum van vuil en moois op straat, die je kunt vinden door simpelweg een onbekende straat in te slaan.

Één van de voorvaderen van het genre—en wellicht één van de beste beoefenaars—is Bruce Gilden. Bruce begon zijn carrière op de straten van New York, waar hij een fixatie ontwikkelde voor de bonte verzameling figuren die daar de straten bewandelen. Bruce fotografeerde onder andere de Japanse Yakuza, de schrijnende armoede in India en Haïti, Ierse gokverslaafden, prostituees, leden van motorgangs en willekeurige mensen die zijn aandacht wisten te trekken. VICE bemachtigde wat ongepubliceerd werk van Bruce en we spraken hem kort over zijn talent om vrijwel iedereen tevreden voor zijn lens te krijgen. VICE: Ik las dat je als kind niet per se droomde van een toekomst als fotograaf.
Bruce Gilden: Ik was nooit echt van plan om fotograaf te worden. Ik had slechts drie doelen in mijn leven: ik wilde bokser worden, een aap als huisdier en leren drummen. Ik mocht geen bokser worden, want mijn vader wilde niet dat iemand me de hersens insloeg. Ik mocht geen aap omdat apen vies zijn en ik mocht niet leren drummen omdat dat te veel lawaai gaf. Jaren later ging ik studeren, maar wist ik nog niet goed wat ik wilde. Ik stopte met mijn studie en nam wat fotografie- en acteerlessen. Acteren ging me redelijk goed af, maar toen ik voor het eerst in mijn leven een foto maakte, ontwikkelde en afdrukte, dacht ik echt: “Jezus Christus, kijk nou.” Ik was onder de indruk van wat ik had gemaakt, want het enige waar ik in mijn leven ooit goed in was geweest, was sporten. De film Blow-Up was destijds net uitgekomen en plotseling was het heel hip om fotograaf te zijn. Ik vond Blow-Up niet zo’n bijzondere film, maar ik kwam wel door die film op het idee om fotograaf te worden. Je benadert je modellen bijna alsof het personages zijn uit een boek of film. Heb je mensen en vreemden altijd op die manier bekeken?
Ik ben al mijn hele leven geobsedeerd door mensen. Mijn vader was al zo’n opvallend figuur. Hij zag eruit als een oplichter, was maar 1 meter 70, woog 100 kilo, droeg hoeden en diamanten ringen en had altijd een grote sigaar in zijn mond. Ik aanbad hem. Voor mij was hij George Washington en een brandweerman tegelijk: alles wat ik wilde worden als ik later groot was—tot ik beter wist, natuurlijk. Ik denk bijvoorbeeld dat de reden waarom ik mensen het liefst van dichtbij fotografeer, te herleiden valt tot het feit dat als je zoiets bij mijn vader zou hebben gedaan, hij je een klap zou hebben verkocht. Het is mijn manier om hem terug te pakken, denk ik. Ben je weleens in de problemen gekomen om de manier waarop je op mensen afstapt als je ze wilt fotograferen?
Weleens, ja. Ik heb slaande ruzies gehad. Ik heb ze nog nooit verloren, maar mijn camera is wel een keer gemold door een jongen die ruzie zocht. Ik zette mijn camera toen op de grond, ironisch genoeg om te voorkomen dat die nog meer klappen te verduren zou krijgen, maar de jongen raapte hem op en smeet hem weg. Over het algemeen ben ik vriendelijk en welgemanierd, dus dat soort dingen gebeuren me niet vaak. Ik weet de juiste mensen uit te kiezen. Maar ik duld geen onbeschoftheid, ook al ben ik 64 jaar. Ik was een keer op Mardi Gras en toen stormde er een vrouw op me af en die zei: “Wil je een foto van m’n tieten maken?” Ik zei, “Ja hoor.” Ik maakte de foto en zij greep vervolgens mijn camera, die nog om mijn nek hing, en sleurde me mee. Ik geloof dat ze het grappig bedoelde, maar dat gebeurt me niet nog eens. Ik ben heel benieuwd naar je werk met leden van de Yakuza. Hoe kreeg je ze zover dat ze met je wilden werken?
Ik schakelde hier en daar wat mensen in, maar leden van de Yakuza zijn niet heel lastig te vinden. Aan de tatoeages zie je wie er wel of niet bij de Yakuza zit. Ik ben opgegroeid tussen gangsters, dus ik kan vrij makkelijk met ze overweg en ik behandel ze gewoon als mijn gelijke. Als ik een probleem heb, zeg ik dat en ik verwacht van hen hetzelfde. Voor het boek fotografeerde ik ze ongeveer zes dagen lang, verspreid over een periode van tien maanden. De meeste foto’s nam ik op straat. Ze hadden er weinig moeite mee. Je hebt ook wat motorgangs gefotografeerd toen je in Japan was. Was je niet bang dat die uiteindelijk heel gemaakt zouden zijn, zoals die vreemde Japanse Greasers?
Van tevoren verwachtte ik inderdaad dat het gewoon van die slappe aftreksels zouden zijn, mensen die er graag anders uit wilden zien. Maar ze waren heel echt. Daarmee bedoel ik dat je bijvoorbeeld kon zien wie de baas zou worden, wie degene met spieren was, wie hersenen of een goed gevoel voor mode had en wie er alcoholist zou worden. Er was meer te zien dan alleen hun uiterlijk. Wat staat er nu op je planning?
Ik ga weer naar Haïti om meer foto’s te maken van de nasleep van de ramp, en ik ben bezig met een project over mensen die uit hun huizen gezet worden omdat ze hun hypotheken niet meer kunnen betalen. Dat is zo walgelijk. Het is een en al oplichting door de overheid en bankiers en ik fotografeer de slachtoffers van die oplichterij. Daarnaast werk ik aan een langetermijnproject over zware jongens. New York, New York, 1982 New Orleans, Louisiana, 1975 New York, New York, 1979 New Orleans, Louisiana, 1975 Lourdes, France, 1992 New York, New York, 1980 New York, New York, 2004