Advertentie
Drugs

Ik kwam mijn verslaafde vader na jaren tegen en hij herkende me niet

Ik ging een hoek om en ineens zag ik hem daar een sigaret staan roken. “Holy shit,” was het eerste wat ik kon uitbrengen.

door Jordan Foisy
17 augustus 2019, 5:00am

Toen ik mijn vader tegenkwam, stond hij in al zijn schrale glorie een sigaret te roken. Illustratie door Cathryn Virginia

Twee weken geleden was ik weer eens terug in mijn geboortestad Sault Ste. Marie in het noorden van de Canadese provincie Ontario. Ik was er een weekje, omdat twee afzonderlijke jeugdvrienden gingen trouwen. Tussen de bruiloften door slenterde ik nostalgisch en melancholisch door de herstellende staalstad.

Tijdens een van deze wandelingen fantaseerde ik dat ik mijn vader zou tegenkomen. Hij woont nog steeds in de stad, maar ik had hem al drie jaar niet gezien, omdat hij een cokeprobleem heeft. Ik vroeg me af hoe het zou gaan als ik hem zou tegenkomen, en wat ik zou voelen. Ik ging een hoekje om en ineens zag ik hem. Mijn vader. Hij stond in al zijn schrale glorie een kromme sigaret te roken. Hij keek angstig, alsof hij iemand moest vertellen dat hij diegene niet kon terugbetalen.

“Holy shit,” zei ik. Ik schold om mijn plotselinge zenuwachtigheid te onderdrukken. Hij keek me verbaasd aan en wist niet zeker of ik het tegen hem had.

“Ik ben het,” zei ik.

“Vriend, ik ken jou niet,” antwoordde hij.

“Pap, ik ben het… Jordan.”

Ik kwam mijn vader voor het eerst in drie jaar tegen en hij herkende me niet.

De afgelopen drie jaar wist ik nauwelijks meer over mijn vader dan geruchten. Elke keer als ik mijn geboortestad bezocht, vertelden mijn vrienden me waar ze hem hadden gespot, alsof hij een figuur uit een verhaal was.

Die verhalen zorgden er altijd voor dat ik schuld, spijt en opluchting voelde. Ik maakte mezelf wijs dat ik mijn vader nooit zag, omdat het onmogelijk was om hem te pakken te krijgen. Dat was een leugen. De echte reden was dat ik het niet wilde. Het deed te veel pijn. Ik kon het niet aan om mijn vader steeds meer in een erbarmelijk figuur te zien veranderen – zonder tanden, met bloeddoorlopen ogen en permanent gehuld in tweedehands versleten kleding.

Ondanks alles hou ik van hem. In mijn jeugd en puberteit was ik vaak teleurgesteld. Ik moest zowel omgaan met mijn vader als met de man die dagen achtereen op de bank lag te slapen. Mijn hopeloosheid en teleurstelling maakten me gefrustreerd. Omdat ik een goede zoon was, deed ik alsof alles in orde was, ook al was dat natuurlijk niet zo. Daardoor werd ik woedend als ik hem zag, omdat ik het niet kon hebben over de olifant in de kamer die alles kapot aan het stampen was.

Celebrating my birthday. Photo courtesy of Jordan Foisy
Mijn verjaardag. Foto eigendom van Jordan Foisy

Ik wilde niet met hem praten, juist omdat ik zo graag met hem wilde praten. Ik verlangde naar een soort catharsis, antwoorden, afsluiting. Door alle films die had gezien, fantaseerde ik over wat ik Het Grote Gesprek noemde. Als ik maar genoeg moed had, kon ik mijn vader redden – en daarmee mezelf. Aan het einde van het gesprek zouden we elkaar snikkend in de armen vallen. Mijn vader zou clean worden en zich verontschuldigen voor alles wat hij had gedaan en ik zou herboren zijn, vol vertrouwen en rust.

De afgelopen drie jaar verlangde ik naar deze confrontatie en afsluiting, maar was ik te bang om ervoor te gaan. En nu stond hij plotseling voor me.

Hij vertelde me dat hij wachtte om opgehaald te worden voor een baantje. Het was half zes ’s middags, maar ik had geleerd om dat soort observaties te negeren. Hij vroeg me wat ik aan het doen was en hoe het met mijn broers ging. Het was prettig. We maakten een afspraak om de volgende dag te gaan lunchen. Een schimmige oude man kwam op een fiets het steegje in. Mijn vader zei dat hij met de oude man moest praten over spullen die hij nodig had voor het baantje.

De volgende dag was ik nerveus. Zou hij komen opdagen? Wilde ik wel dat hij zou komen opdagen? Hij had gezegd dat hij rond lunchtijd zou komen. Toen ik hem had gevraagd hoe laat dat was, had hij geantwoord: “Ik weet het niet… gewoon lunchtijd.” Ik zat in het huis van mijn moeder af te wachten wat mijn vader precies bedoelde met lunchtijd, alsof ik op een monteur zat te wachten die mijn jeugd ging repareren.

Om half een ’s middags hoorde ik iemand op de deur kloppen. De hond van mijn moeder begon wild te blaffen. Het hoofd van mijn vader verscheen in de deuropening, maar hij zei dat hij buiten zou wachten. Hij was al eens eerder door een hond gebeten en deze maakte hem nerveus.

Ik wist niet dat hij door een hond was gebeten. Het werd een van de vele verhalen die we die middag uitwisselden. Ik vertelde hem over een vriend van me die gearresteerd was omdat hij een kilo wiet bij zich had. Dat inspireerde mijn vader. Hij vertelde het ene na het andere romantische verhaal over zijn losbandige leven. Hij beschreef hoe hij vroeger zonder rijbewijs rondreed, omdat de boete toch maar 25 dollar was. Hij vertelde hoe hij eens per ongeluk met wiet de grens over was gegaan en in de cel was gegooid. Hij had rondgehangen met autodieven en gangsters, hij had enorme vechtpartijen op het strand meegemaakt en geflirt met huisvrouwen op vacaturesites. Ik hing aan zijn lippen. Het was alsof hij iemand was uit een liedje van Bruce Springsteen.

We waren uren samen. We probeerden een potje pool te spelen, maar de poolhallen waren dicht, dus dronken we nog maar ergens een biertje. Ik kon me niet herinneren dat ik ooit zoveel lol met hem had gehad. Het gesprek verliep vloeiend. We praatten over politiek. Hij klaagde erover hoe zwaar het was voor arme arbeiders en vond Donald Trump een nazi. Het herinnerde me eraan waar veel van mijn overtuigingen vandaan kwamen.

Het was fijn en ging gemakkelijk, omdat hij eindelijk eerlijk tegen me was – niet alleen over zijn verleden, maar ook over zijn verslaving. Hij had het trouwens ook niet echt kunnen verbergen. Hij mist tanden en is gekleed alsof er een container van het Leger des Heils over hem heen heeft geniesd. Hij woont op dit moment in een motel. Hij deed bizarre dingen die alleen verslaafden doen. We gingen naar de bank om een cheque voor hem te verzilveren. Hij pakte een gratis pepermuntje van de balie en smeet die meteen kapot op de grond. “Ik eet niet graag het hele pepermuntje in één keer,” zei hij nonchalant tegen me.

Ik vond het niet gek en schaamde me niet voor hem, omdat hij op z’n gemak leek. Hij praatte openlijk over het “coke-ding” dat hij had – niet om op te scheppen of excuusjes voor zijn gedrag te verzinnen, maar gewoon omdat het zijn realiteit was. Ik had mijn hele leven in teleurstelling doorgebracht en me constant afgevraagd waarom hij de dingen deed die hij deed, en nu zag ik eindelijk de persoon naar wie ik op zoek was geweest. Het was de eerste keer dat ik geen stille hoop had dat hij zou veranderen en hij niet deed alsof hij iemand was die hij niet was. Dit was het. Het was vreemd en hartverscheurend, maar dit was mijn vader. Het voelde bevrijdend.

Natuurlijk was het ook pijnlijk. Hij klaagde voortdurend dat hij zijn tenen niet kon voelen en had last van een constante pijn in zijn opgezwollen buik. Ik smeekte hem om naar een dokter te gaan, maar hij wuifde het weg en zei: “Het is mooi geweest.”

Ik realiseerde me dat zijn eerlijkheid voortkwam uit fatalisme. Hij is toegewijd aan drugs en laat zich erdoor vermoorden. Hij wil niet beter worden, want wat voor ander leven is er nog voor hem? Hij is oud en heeft alle banden met de mensen in zijn leven kapotgemaakt.

Er bestaan een hoop mythes over verslaving en nuchter zijn. Zo zou clean worden een gloednieuw begin zijn – alles wat er nodig is. Maar soms laat het je alleen maar zien hoe erg je alles hebt verpest en dat je niemand meer hebt. Als hij dat niet onder ogen wil komen, snap ik dat wel. Ik weet niet of ik dat zelf ook zou doen.

My dad and me. Photo courtesy of Jordan Foisy
Mijn vader en ik. Foto eigendom van Jordan Foisy

Hij zei dat hij van een paar dingen spijt had. Hij verontschuldigde zich ervoor dat hij er niet altijd was geweest voor mijn broers en mij. Hij wou dat mijn moeder niet nog steeds boos op hem was. En hij vond het vooral vreselijk dat de mensen die het dichtst bij hem stonden alleen zijn verslaving hadden gezien – dat die alles had overschaduwd wat hij nog meer in zijn leven had gedaan. Medelijden opwekken is weliswaar de superkracht van alle verslaafden, maar ik kon het toch niet helpen om over mezelf na te denken. Hoe ik me er niet toe had gezet om toenadering tot hem te zoeken en dat voor mezelf had gerechtvaardigd door hem weg te zetten als een verslaafde mislukkeling.

Ik dacht aan de mensen die ik nog steeds zo behandel, aan degenen die ik dagelijks tegenkom en afwimpel als ik naar een of ander feest op weg ben. Er was veel verdriet in het leven van mijn vader, maar ook een gevoel van gemeenschap. Een warmte die je voelt als je helemaal aan de grond zit en door iedereen vergeten bent, behalve door degenen die daar ook zitten.

Misschien is dit hoe vergeving eruitziet. Het is geen explosie catharsis of heftige bekentenissen, maar een beoordeling. Een eerlijke afweging van wat je hebt verloren, maar ook wat je nog hebt. Het leven van mijn vader is tragisch, maar ik zag er ook schoonheid in. Hij heeft zijn hele leven buiten de samenleving geleefd en dat heeft hij volgens zijn eigen regels gedaan.

Toen we samen waren, zag ik hem talloze deuren voor mensen openen. We hielpen vrouwen dozen uitladen bij een kinderdagverblijf. Hij klaagde over jonge verslaafden die niet voor hun geld wilden werken. Hij had sterke overtuigingen en was grappig, eigenwijs, hypocriet, charmant, vreemd en liefdevol. Hij was mijn vader en ik ben zo blij dat ik eindelijk de kans kreeg om hem echt te leren kennen.

We spraken af om twee dagen later weer te lunchen. Hij is nooit komen opdagen.