Waternoodsramp
Watersnoodramp

Ik sprak een overlevende van de watersnoodramp over brekende dijken en zeespiegelstijging

Jaap Schoof was negen toen de dijken in Zeeland braken in 1953. Ik zocht hem op om te praten over de dreiging van het water in het verleden en in de toekomst.
01 februari 2020, 6:00am

Op 1 februari wordt de Watersnoodramp herdacht, één van de grootste Nederlandse natuurrampen ooit. Grote delen van Zeeland en Zuid-Holland liepen onder water en 1800 mensen verdronken. Sindsdien is de verdediging van ons laagliggende land tegen de zee er een stuk sterker op geworden, maar met de stijgende zeespiegel en het veranderende klimaat is het niet geheel ondenkbaar dat het water in de toekomst nog eens over de dijken komt klotsen. En dan heb ik het nog niet eens over de doemscenario's waarbij steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag nog deze eeuw zonder pardon Atlantis achterna gaan. Uit een peiling van de NOS blijkt dat het allemaal niet echt indruk maakt: tachtig procent van de Nederlanders maakt zich totaal niet druk om de mogelijke catastrofe die de stijgende zeespiegel met zich mee zou brengen.

Omdat je er natuurlijk nooit zomaar vanuit kan gaan dat het allemaal wel goed komt, besloot ik alvast om wijze raad te vragen aan Watersnoodramp-overlever en -expert Jaap Schoof (76). Wat gebeurt er precies als de boel overstroomt, wat kan je doen om jezelf te redden van de verdrinkingsdood, en zijn de mensen die al eens een overstroming meemaakten extra bang voor het rijzende water?

Jaap en ik hebben afgesproken in het Watersnoodmuseum te Ouwerkerk, het dorp dat relatief gezien het hoogste percentage van haar inwoners kwijtraakte bij de ramp van 1953. Jaap was daar een tijdje directeur, en interviewde 350 andere overlevenden voor een project dat in het museum te bewonderen is.

Bij een rondje door het museum vertelt hij dat je overlevingskansen alvast flink verkleinen als je in een krakkemikkig huis vlakbij de dijk woont. “Bij de dijk stonden in ‘53 vooral arbeiderswoningen. Die hadden over het algemeen eensteensmuren, gemetseld met meer mortel dan cement. Als het mortel nat wordt, valt dat uit elkaar, de muren rollen om en het dak zakt naar beneden. Zit je dan als familie op zolder, dan ben je ten dode opgeschreven. Zit je op het dak, dan heb je misschien geluk.” Maar lang niet altijd: “Mijn oma en nicht zaten op een dak, dat kwam tegen een boom aan. Toen is het gekanteld en zijn ze verdronken. Ze zijn nooit teruggevonden.”

op de dijk

Foto door Raymond van Mil

Zelf woonde de toen negenjarige Jaap tijdens de ramp in een boerderij uit 1600 met de naam “'t Is niet anders”. Die was op een heuvel gebouwd, waardoor hij niet tot de ongelukkigen behoorde die plotseling met huis en al werden weggespoeld. “Op zaterdagavond was er nog geen paniek, het was niet de eerste keer dat de dakpannen van de schuur vlogen door de storm. Op zondagochtend waren de dijken doorgebroken.” Zijn vader was ook niet meteen onder de indruk. “Het water stond net zo hoog als in 1944, toen de Duitsers de polders hadden laten vollopen. Mijn vader heeft 's morgens gewoon de koeien en paarden verzorgd, en in de middag had het laag water moeten worden. Dat werd het dus niet, en dan zie je het volgende tij komen.”

Maar ook de aanzwellende watermassa leidde eerder tot actie dan tot angst. “Je leeft in deze omgeving, dan weet je dat er drie meter water bij komt. Mijn vader is toen begonnen het vee naar buiten te brengen, en we hebben wat spullen naar boven gebracht.” Vanaf de bovenverdieping zag hij hoe alles onderliep. “En dan wordt het donker en stil buiten. Al het vee is natuurlijk verdronken, zelfs de pieren in de grond zijn dood. En de volgende ochtend is het water weer gezakt.” Nuchterheid is een overlevingsstrategie, zo blijkt als we langs de trouwjurk van een verdronken vrouw lopen in het museum. “Ze is samen met haar baby'tje verdronken, omdat ze dacht te kunnen vluchten voor het water,” vertelt Jaap. “Het huis is gewoon blijven staan, ze had ook thuis kunnen blijven.”

Jaap Schoof wijst een foto aan op de computer

Jaap laat zijn foto's van de Watersnoodramp zien.

Jaap kwam dankzij zijn goede huis en de nuchterheid van zijn ouders relatief ongeschonden uit de ramp, en werd geëvacueerd naar Dordrecht. De chaos die de overstroming creëerde was voor hem als kind niet per se alleen maar ellendig. Zo maakte hij de blits bij de kinderen die de ramp niet hadden meegemaakt. "Ik zal niet zeggen dat ik een sensatie was, maar iedereen praatte alleen maar over de watersnoodramp. En ik was een slachtoffertje, dus dan heeft iedereen wel belangstelling voor je. Zo gaat dat.” Ook de terugkeer naar de boerderij was een avontuur. "Overal lag wrakhout. Je kon vlotten maken en hutten bouwen. Wat wil je als klein jongetje nog meer? Dat is toch geweldig?” En dan waren er ook nog waterplassen vol vis, waarvan hij emmers vol schepte met een hark. “Na een paar keer zei mijn moeder: 'Dat hoeft niet meer.' Zij wist namelijk waar al die vis van leefde: van lijken en kadavers.”

Tot op de dag van vandaag zijn de mensen in de polder alerter op hoog water. Maar volgens Jaap maakt niemand zich echt druk om de zeespiegelstijging. “De vraag is ook of dat nodig is. Ik zeg gewoon: het gebeurt, maar het zal mijn tijd wel duren. En de tijd van mijn kleinkinderen normaal gesproken ook.” Hij is bezorgder over de orkanen die door de klimaatverandering van richting afbuigen naar Europa. Toch wijst hij erop dat er, vooral sinds orkaan Katrina, al van alles gebeurt om toekomstige overstromingen in Nederland te voorkomen. Zo krijgen de rivieren meer ruimte en wordt er gewerkt aan nieuwe plannen om het zeewater tegen te houden.

Bovendien zullen we het waarschijnlijk ver van tevoren horen als er hels weer in aantocht is. “Bij het KNMI wisten ze dat het flink fout zou gaan in 1953. Maar ze konden dat niet meer naar buiten brengen: om 11 uur 's avonds was het laatste nieuws, met de laatste waarschuwing, maar die kon niet meer aangepast worden. Want de meneer die daar toestemming voor moest geven was naar een concert. Die was niet bereikbaar.”

Wat dat betreft is er sinds 1953 veel veranderd. De tijd dat het nieuws om 11 uur ‘s avonds ophoudt ligt ver achter ons. Maar ook al weet je op tijd van een ramp, zegt dat nog niet dat je ook kunt vluchten. “Er is in Zeeland een vierbaansweg, in de praktijk kan niet iedereen binnen 48 uur geëvacueerd worden. En dan moet je bedenken dat er in heel Zeeland net zoveel mensen wonen als in Rotterdam Zuid alleen al.” Jaap vertelt hoe nutteloos noodpakketten zijn, en dat je niks hebt aan een telefoon omdat de zendmasten niet werken als de stroom uitvalt. Ook zegt hij dat de autoriteiten vaak niet adequaat reageren op crisissituaties. “Een bepaalde burgemeester liep in 1953 over de dijk met zijn hoed en zijn wandelstok. Er moesten zakken komen om de dijk te verstevigen. En in al die dorpjes zaten aardappelen- en uienhandelaars, die natuurlijk zakken hadden. 'Maar die kun je toch niet zomaar gebruiken?' zei de burgemeester.”

Nee, als jouw woonplaats onderloopt is er volgens Jaap eigenlijk maar één ding dat je kunt doen: ergens op een hoge plaats gaan zitten wachten tot het over is. “Je moet voor jezelf zorgen. Je moet nooit van je leven op de overheid vertrouwen,” zegt Jaap. Uiteindelijk is het allemaal een kwestie van de juiste instelling. Jaap relativeert de natuurcatastrofe waar hij een groot deel van zijn leven aan wijdde: “Hier was 1800 doden de grote ramp, in Bangladesh zeggen ze bij zo’n dodental: het viel mee deze keer.”

Wier en zee

Zeewier.