FYI.

This story is over 5 years old.

Hoe een violist en een straatkunstenaar de kunst ter discussie stelden

Als je een meesterwerk zou zien, zou je het dan herkennen?
15.10.13

Als je een wereldberoemde kunstenaar op straat anoniem zijn ding laat doen, herkent of waardeert niemand het. In januari 2007 stond in een hoek in een druk zakencentrum in Washington DC een wereldberoemde violist drie kwartier lang te spelen op zijn Stradivarius uit 1713. Joshua Bell, één van de meest geprezen violisten ter wereld, speelde wat misschien wel de meest elegante muziek uit de geschiedenis is op een viool van 3.6 miljoen dollar.

Het optreden was georganiseerd door de Washington Post als een experiment. In een

prachtig artikel

dat in 2008 met de Pullitzer Prize is bekroond (

Lees dat artikel.

) beschrijft Gene Weingarten zijn onderzoek als een openhartige kijk in de publieke smaak: zou de bijna 'perfecte' muziek in een banale context toch nog zijn schoonheid laten doorstralen?

Blijkbaar niet dus. Over de spanne van 45 minuten bleven er misschien tien mensen staan om te luisteren. Als je het grootste kunstwerk ter wereld neemt, en je laat alle dikdoenerij en herkenning eromheen weg, dan valt bijna niemand het nog op.

Ook Banksy, de beroemde graffitikunstenaar, bevestigde dat cynische feit dit weekend nog weer eens. Hij zette zaterdag, als onderdeel van zijn maandlange bezoek aan New York, in Central Park een kraampje op met een hele rits van zijn werken, origineel en gesigneerd op doek. De doeken, die normaal gesproken voor duizenden dollars geveild zouden kunnen worden, verkocht hij voor 60 dollar per stuk. Welgeteld drie mensen bleven staan om een aankoop te doen. Totale opbrengst: 420 dollar.

Ik zeg dit allemaal niet om de wereld om mij heen te beschuldigen van slechte smaak. Althans, ik denk dat ik zelf ook geen Banksy had aangeschaft. En misschien, en dat doet pijn om toe te geven, was ik ook wel met een stoïcijnse blik voor me gericht voorbij Joshua Bells privéconcert gelopen.

Dat werpt moeilijke en misschien wel pijnlijke vragen op over onze kunst: wat is kunst nou eigenlijk als niemand het herkent? Betekent het nog iets als je een meesterwerk uit zijn context trekt? En wanneer is kunst iets waard?

Stel nou dat de doeken die in het kraampje stonden helemaal geen 'echte' Banksys waren, maar gemaakt door z'n broer of z'n buurman of zo. Is het dan nog wel geld waard? Stel dat men daar pas achter komt nadat één van de drie kopers zijn doeken voor veel geld heeft doorverkocht aan iemand anders. Heeft die dan een miskoop gedaan?

En als je nou de performance art beschouwt als een integraal deel van het kunstwerk? Stel dat Banksy zegt dat hij het door zijn buurman heeft laten maken als onderdeel van het experiment. Is het dan weer terug naar duur?

Dit is waarom Banksy's werk, de vele chagrijnige geluiden van mensen die “het nu met die gast wel een beetje gezien hebben” ten spijt, nog steeds zo treffend en relevant is. Want als kunst ergens goed voor is, is het wel om ons aan het denken te zetten, om grenzen af te tasten en om vragen te stellen.

Banksy doet dat meer balls out dan wie dan ook. Hij stelt zijn eigen legitimiteit ter discussie. Hij vraagt: “is dit, wat ik hier maak, nog kunst?” Een vraag die bezitters van een Banksy misschien ongemakkelijk in hun stoel doet schuifelen.