Paul Thomas Anderson vertelt over perfectionisme en het maken van ‘Phantom Thread’

"Niemand vindt het leuk als een regisseur geen beslissingen maakt."
6.2.18
Phantom Thread

Joaquin Phoenix die een zandkasteel droogneukt in The Master, kikkers die uit de lucht vallen in Magnolia, de enorme neplul van Marky Mark in Boogie Nights: je kunt nooit weten wat Paul Thomas Anderson nu weer gaat doen. Je weet alleen dat de beelden die hij maakt voor altijd op je netvlies staan gebrand.

Ik wist dan ook niet wat ik moest verwachten van Phantom Thread, Andersons nieuwe film over een kleermaker die jurken maakt. De film speelt zich af in Londen in de jaren vijftig, en door de trailer kreeg ik het idee dat het een soort kostuumdrama was. Anderson heeft weleens gezegd dat hij er niet van houdt om zichzelf te herhalen, wat een goede verklaring is voor het feit dat zijn vorige film, Inherent Vice, een stonerkomedie is die zich in de jaren zeventig in LA afspeelt.

Phantom Thread gaat dus over de kleermaker Reynolds Woodcock, gespeeld door Daniel Day-Lewis. Het is niet zo’n fijne vent. Hij is nogal een controlfreak, en hij doet net zo moeilijk over stiksels op een jurk als over zijn nogal uitgebreide ontbijtwensen. Hij is, dat begrijp je misschien wel, niet erg goed in het hebben van relaties. Hij heeft iets met een Belgische serveerster die zijn model en muse wordt. Op een ochtend wordt Woodcock woest omdat ze iets te luidruchtig boter op een stuk toast smeert.

Misschien klinkt het nu als een tergende dramafilm over een onmogelijke vent, maar geloof me, dat is het niet. Er zijn genoeg hilarische uitbarstingen van Woodcock en zinnen die je nooit in een suf kostuumdrama zou horen. Neem bijvoorbeeld de aanstoot die Woodcock neemt aan het woord ‘chic’: “Chic! Degene die dat woord heeft bedacht zou publiekelijk billenkoek moeten krijgen. Ik weet niet eens wat dat woord betekent! Wat is dat nou weer voor woord. Fucking chic!” De film is doorspekt met dit soort intense, onberekenbare uitbarstingen.

Ik spreek Anderson in een hotel in Londen over zijn nieuwste film. Zijn ogen worden groter als ik het woord ‘risico’ uitspreek. “Ja, je moet jezelf uitdagen, nieuwe dingen proberen.” Maar waarom dit verhaal? Waarom de Londense modewereld van de jaren vijftig? Anderson vertelt dat het allemaal begon toen hij las over modeontwerpers uit die tijd, zoals Balenciaga en Dior. “Dat waren mensen met extreem obsessieve persoonlijkheden. Ontzettend dwingend, helemaal bezeten door hun werk.” Dat is het personage van Day-Lewis in een notendop.

Je vraagt je af hoe je zou kunnen daten met zo iemand. Ik vraag Anderson of hij geïnteresseerd was in hoe iemand die emotioneel zo in de knoop zit een relatie kan onderhouden. “Nee. Wat interessanter is, is als iemand die zo veel controle wil in zijn leven ineens die controle kwijtraakt. Wat dat met iemand doet, welke zwaktes er dan naar boven komen. Wat Woodcock echt wil, is iemand die hem in z’n gezicht mept.”

Ik ben benieuwd naar eventuele overeenkomsten tussen Anderson en Woodcock. Herkent de filmmaker zichzelf in de kleermaker? “Nou, er is een punt waarop mijn aandacht verslapt. Ik ben wat ongeduldig. Maar ik ben niet zo’n heethoofd als Woodcock.” Is hij wel een controlfreak? “Jawel, maar op een schaal van 1 tot 10 ben ik denk ik een 5. Op sommige dagen ben ik een 10. Ik bedoel, niemand vindt het leuk als een regisseur geen beslissingen maakt. Ik heb dat weleens geprobeerd, maar dan raakt iedereen geïrriteerd. Zo van: vertel verdomme gewoon wat je wil, want we hebben geen zin om te raden.”

Ik breng ter sprake dat er een berg filmnerds op YouTube is die Andersons stijl zorgvuldig ontleedt. Ik vraag hem of hij zich bewust is van zijn eigen stijl en signatuur. “Dat vloeit voort uit wat voor verhaal ik vertel. There Will Be Blood kon episch zijn, omdat je daar buiten bent, en je volgt een groot verhaal.” Het camerawerk in Phantom Thread – waar Anderson ook een hand in had – is subtieler. Wat is er gebeurd met zijn geliefde snelle pans en dolly-shots? “Dat ging niet, fysiek gezien. Er was geen ruimte om de camera te laten zwiepen. Je zit in een huis. Dus tenzij je van die idiote shots die door de vloer heen gaan wil doen, komt de stijl uit het verhaal en de personages.”

De setting kon niet verder verwijderd zijn van There Will Be Blood, maar toch heeft Day-Lewis’ karakter wel iets van Daniel Plainview – ook een man op zoek naar perfectie. Het zijn allebei mannen met een mankement, allebei het toonbeeld van giftige mannelijkheid. Oké, misschien niet in hetzelfde rijtje als Frank TJ Mackey uit Magnolia (“Respect the cock! Tame the cunt!”, maar hun mannelijkheid is overduidelijk verraderlijk in relatie met de mensen om hen heen. Wat heeft Andersom met zulke antihelden? “Ze zijn grappig. Als iemand zo is, is dat vaak humoristisch.”

Anderson praat over Day-Lewis alsof hij de acteur nooit ontmoet heeft op de set, en in plaats daarvan contact had met Reynolds Woodcock. Was de samenwerking met de acteur anders dan toen die in There Will Be Blood speelde? “Nou, het was verschillend om te werken met Daniel Plainview en Reynolds Woodcock,” zegt hij, alsof de acteur 24/7 in zijn personage zat. “Plainview is wat makkelijker in de omgang. Hij wil gewoon uit de grond halen wat erin zit. Reynolds is geobsedeerd door zijn behang en z’n stoelen en dat soort dingen."

Paul Thomas Anderson. Foto: VICE

In de tijd van Boogie Nights at Anderson pizza tijdens interviews en sprak hij onafgebroken over films, alsof hij tien koppen koffie had gedronken. Nu is hij 47, met grijze haren en kinderen, en een stuk kalmer en gereserveerder. Maar hij heeft nog steeds de honger van iemand die net afgestudeerd is aan de filmacademie. Hij kan nog steeds niet wachten om zich volledig op iets nieuws te storten.

En zijn films? Zijn recente werk zorgt voor verdeeldheid. The Master was een film van tweeënhalf uur, losjes gebaseerd op de begintijd van Scientology. Entertainment Weekly publiceerde een artikel met de titel Why I Fell Out Of Love With Paul Thomas Anderson waarin geschreven werd dat er “geen personage in zit waar we om geven.” Dan was er nog Inherent Vice, een verfilming van Thomas Pynchon, die erom bekendstaat dat hij boeken schrijft die moeilijk te verfilmen zijn. Daarover werd geschreven dat mensen de zaal verlieten omdat het verhaal te losjes was.

Ik hield juist van die films omdat het plot er een ondergeschikte rol in speelde. De reden waarom ik wat afhoudend was over Phantom Thread was juist omdat het een veilig verhaal leek. Ik bedoel: van de smerige setting van de pornoindustrie of de stoners in Venice Beach in de jaren zeventig naar dit? Een film in een geciviliseerde maatschappij?

Maar het ding is: het is makkelijk om Phantom Thread weg te zetten als het werk van een ‘volwassen’ filmmaker, die de gloriedagen van snelle pans en verhalen vol coke achter zich heeft gelaten. Oké, de stijl van deze film is rustiger, het camerawerk minder energiek. Zou het zo zijn dat het voormalige enfant terrible kalmer is geworden? Terwijl ik hem spreek, krijg ik niet dat idee. Het heeft niks te maken met zijn leeftijd, maar komt doordat, zo vertelt hij, dit verhaal en deze stijl hem trekt op dit moment. Met andere woorden: zijn smaak verandert gewoon vaak.

Ik vraag wat hem nu trekt. “Ik wil wel weer iets hyperactiefs doen. Geen Engelse tekenkamers meer, voorlopig,” zegt hij lachend.