Identiteit

Hoe deze vrouwelijke samoeraikrijgers expres uit de geschiedenis werden gewist

De meeste Japanse vrouwen konden niet ontkomen aan de strenge verwachtingen om een goede huisvrouw te zijn, maar de onna-bugeisha stonden bekend als minstens zo sterk en dapper als hun mannelijke tegenhangers.

door Christobel Hastings
20 oktober 2018, 7:00am

Nakano Takeko, circa 1847. Foto via Wikimedia Commons. 

Het was de herfst van 1868, en voor de samoeraistrijders van de Aizu-stam in Noord-Japan was er een veldslag op komst. Eerder dat jaar hadden de Satsuma-samoerai een coup gepleegd waarbij ze de militaire overheid ten val brachten en de macht gaven aan een nieuwe keizer, de vijftienjarige Mutsuhito, die geen tijd verspilde en direct de traditionele regels uit de Tokugawa-periode verving door een radicaal moderne staat. Na een lange zomer vol gevechten bereikten de keizerlijke troepen in oktober eindelijk de hekken van kasteel Wakamatsu om een einde te maken aan hun verzet, en de burcht met 30,000 man sterk te overmannen. Achter de kasteelmuren maakten 3,000 dappere krijgers zich klaar voor een laatste strijd.

Terwijl de Aizu-mannen in de torens en loopgraven vochten werkten de meeste vrouwen achter de schermen; ze kookten, verpleegden de gewonden en blusten de vuurtjes die de kanonskogels, die dag en nacht het kasteel raakten, veroorzaakten. Maar Nakano Takeko, een onna-bugeisha krijgsvrouw, stond in de frontlinie van het gevecht. Tegenover de machtige wapens van het keizerlijke leger leidde Takeko een onofficiële unit van twintig tot dertig vrouwen in een tegenaanval. Ze vilde minstens vijf tegenstanders met haar naginata-mes, voordat een fatale kogel haar in haar borst raakte. Terwijl ze haar laatste adem nam vroeg ze haar zus om haar te onthoofden, zodat haar lichaam door de vijand niet mee zou worden genomen als trofee. Ze werd begraven onder een boom in de binnenplaats van de Aizu Bangmachi-tempel, waar nu een monument staat om haar te eren.

1537815255920-Onna_bugeisha_-_ritratto_seduto
Een negentiende eeuwse onna-bugeisha. Via Wikimedia Commons.

Door de geschiedenis heen werden de meeste Japanse vrouwen onderworpen aan starre sociale verwachtingen over het huwelijk, het huishouden en moederschap. Maar er waren ook vrouwelijke krijgers zoals Takeko, die bekend stonden als net zo krachtig, bekwaam en moedig als hun mannelijke tegenhangers. Deze onna-bugeisha’s behoorden tot de bushi-klasse, een nobele klasse van feodale Japanse krijgers die hielpen nieuw land de veroveren, hun territorium te bewaken, en als ‘jito’ (rentmeesters) toezicht te houden in deze gebieden. Ze waren buitengewoon goed in vechten en konden omgaan met een kaikendolk, een naginata en zwaarden, en beoefenden tantōjutsu, traditioneel Japans mesvechten. Eeuwen voor de opkomst van de samoeraiklasse in de twaalfde eeuw vochten deze vrouwen al tijdens oorlogen om hun huizen, families en vergaande eergevoel te beschermen.

Na de Meji-restauratie in 1868 – een nieuw tijdperk van keizerlijke macht getekend door modernisatie, industrialisatie en verwestering – verloren de samoerai, die ooit dapper de natie hadden beschermd, hun macht. Ook het erfgoed van de net zo dappere onna-bugeisha raakte in de vergetelheid. Ondertussen herschreven historici in het Westen eigenhandig de geschiedenis van de Japanse krijgskunst, en lieten daarbij de heldhaftige prestaties van de onna-bugeisha achterwege. De daden van de mannelijke samoerai werden opgeblazen en een overdreven branie toegekend, terwijl de Japanse vrouwen geportretteerd werden als onderdanig, steevast gekleed in kimono en een strak gewikkelde obi. Historicus Stephen Turnbull noemt de heldendaden van de vrouwelijke krijgers niet voor niets “het grootste onvertelde verhaal uit de samoerai-geschiedenis”.

1537814709644-EmpressJinguInKorea
Schilderij uit 1880 door Tsukioka Yoshitoshi van keizerin Jingu die Korea binnenvalt. Via Wikimedia Commons.

De geschiedenis van de onna-bugeisha, letterlijk vertaalt “vrouwelijke krijger”, reikt terug tot 200 jaar voor Christus, toen keizerin Jingū na de dood van haar man, keizer Chūai, de troon overnam en een invasie van Silla (wat nu Korea is) leidde. Hoewel academici nog altijd twijfelen aan de rol die Jingū is toebedeeld, is haar legende onweerstaanbaar: een geduchte krijger die de sociale normen van haar tijd onverschrokken uitdaagde. Jingū zou zwanger zijn geweest van de toekomstige keizer toen ze haar buik inzwachtelde, mannenkleding aantrok en de strijd in galoppeerde. De expeditie was succesvol, en volgens de legende wist ze na haar terugkomst opstanden in toom te houden en tot haar honderdste, nog zeventig jaar, te regeren.

In de vijfde en zesde eeuw – waar in sommige bronnen naar wordt verwezen als het “tijdperk van de koninginnen” – stonden in Japan een aantal machtige keizerinnen aan het roer. Toen de twaalfde eeuw aanbrak werd de samoeraiklasse en hun onwankelbare loyaliteit, krijgersgeest en toewijding aan een eervolle dood, ingezet als bewakers en privéleger van het keizerrijk. Tussen 1180 -1185, in het conflict tussen de samoeraidynastieën van Minamoto en Taira, verscheen een van de bekendste vrouwelijke krijgers uit de Japanse geschiedenis: Tomoe Gozen.

In het boek The Tale of Heike Monogatari, een middeleeuws verhaal over de Genpei-oorlog, wordt ze levendig beschreven: “Tomoe had lang zwart haar, een vlekkeloze huid en een prachtig gezicht,” leest de tekst, “daarnaast was ze een onbevreesde ruiter, die zich zelfs niet liet afschrikken door het koppigste paard of de moeilijkst begaanbare terreinen, en zo kundig was met haar zwaard en pijl en boog dat ze duizend krijgers aan zou kunnen.” Gozen had uitzonderlijk talent voor boogschieten, paardrijden en de kunst van de katana, een traditioneel samoeraizwaard.

1537814822651-Kokon_hime_kagami_Tomoe_onna_by_Tsukioka_Yoshitoshi
Tomoe Gozen door Tsukioka Yoshitoshi circa 1875. Via Wikimedia Commons.

Wat vooral heel opvallend was aan Gozen, was dat ze een van de weinige vrouwelijke krijgers was die een aanvallende vechtstijl hanteerde (ook wel bekend als onna-musha) in plaats van de defensieve stijl die de meeste traditionele onna-bugeisha beoefenden. In 1184 gaf ze leiding aan 300 samoerais in een heftige strijd tegen 2,000 krijgers van de Tiara-stam. Tijdens de Slag om Awazu later dat jaar legde ze meerdere tegenstanders om, voordat ze de leider van de Musashi-stam onthoofde en zijn hoofd aan haar gezagvoerder, generaal Kiso Yoshinaka, presenteerde. Gozens reputatie was zo groots dat ze door sommigen als de eerste echte generaal van Japan werd gezien.

Ondanks minimale historische bronnen die haar verhaal beschrijven, doen nieuwe archeologische ontdekkingen vermoeden dat Gozen misschien geen uitzondering was. Een recente opgraving suggereert dat vrouwen een veel grotere bijdrage leverden in de strijd dan tot nu toe werd gedacht. DNA-testen op 105 lichamen die op werden gegraven op de plek waar de Slag om Senbon Matsubaru plaatsvond, tussen Takeda Katsuyori en Hojo Ujinao in 1580, lieten zien dat 35 van hen vrouwen waren. Volgens Turnbull is de kans groot dat deze ontdekking laat zien dat er vrouwelijke krijgers op het slagveld stonden.

1537815065491-Onna_bugeisha_Ishi-jo_wife_of_Oboshi_Yoshio
Een onna-bugeisha samoeraivrouw met haar naginata door Utagawa Kuniyoshi, circa 1848. Via Wikimedia Commons.

De komst van de Edoperiode aan het begin van de zeventiende eeuw betekende een enorme verandering in de status van vrouwen in de Japanse maatschappij. In deze jaren zorgden de dominante neo-confuciaanse filosofie en opkomende huwelijksmarkt voor radicale veranderingen voor de onna-bugeisha. Hun status als onverschrokken krijgers stond in sterk contrast met de nieuwe status van vrede, politieke stabiliteit en rigide sociale conventies. De vroegere krijgscultuur evolueerde in een nieuwe gedragscode, de bushido, wat “de weg van de krijger” betekent. Samoerai-mannen, ooit dagelijks verwikkeld in heftige conflicten, werden bureaucraten voor het keizerrijk. Van de samoerai-vrouwen, vooral dochters van edellieden en generaals, werd verwacht dat ze een leven zouden leiden als passieve, gehoorzame en onderdanige vrouwen en moeders. Het werd voor hen verboden om te reizen of mee te vechten – een zelfopoffering zoals nooit tevoren.

Geschiedkundige Ellis Amdur vertelt dat het voor een bushi-vrouw uit die tijd die trouwde, normaal was om haar naginata-mes mee te nemen naar het huis van haar echtgenoot, maar alleen voor morele doeleinden. Het mes diende als “symbool van haar plek in de samenleving”, en was een middel om de “ideale deugden die horen bij het zijn van een samoerai-echtgenote” in te luiden – die deugden waren kracht, onderdanigheid en vooral uithoudingsvermogen.

Trainen met de naginata was een manier om met de geest van zelfopoffering in contact te komen, en met de heilige idealen van de krijgersklasse,” gaat Amdur verder. Martial Arts-trainingen waren een manier voor vrouwen om te oefenen in hun dienstbaarheid richting de man des huizes, en zo een georganiseerd en huiselijk leven te ontwikkelen dat vrij stond van oorlog en agressieve energie.

Ondanks de nieuwe tijd van bureaucratie, brak er halverwege de de zeventiende eeuw toch een soort renaissance aan voor de onna-bugeisha. De heerschappij van de Tokugawa Shogunate focuste opnieuw op het trainen van vrouwelijke samoerai in de geoefende strijd, en op scholen was veel aandacht voor het naginata-vechten als moraliteitstraining. In deze periode leerden vrouwen ook om zelfstandig hun dorpen te verdedigen, zoals ze eeuwen geleden ook zelf het kwaad hadden bevochten.

Tegen de tijd van de laatste gevechten tussen de heersende Tokugawa-familie en de keizerlijke machten, eind negentiende eeuw, was er een vrouwelijk leger gecreëerd dat geleid werd door onna-bugeisha Nakano Takeko: de Jōshitai. Na een lange en bittere strijd bestormden ze de keizerlijke macht samen met de Aizu-samoerai, en boden zo de nodige ondersteuning bij het Wakamatsu-kasteel.

De strijd om Aizu wordt gezien als het laatste gevecht van de onna-bugeisha, maar nog altijd is hun nalatenschap belangrijk en zichtbaar. Tijdens het jaarlijkse Aizu-festival in de herfst worden Nakano Takeko en haar vrouwelijke leger geëerd in een optocht. En de heldendaden van keizerin Jingū, de eerste vrouw die ooit op een Japanse bankbiljet werd geportretteerd (in 1881), zijn onderdeel van de nationale trots. Misschien dat het grootste eerbetoon aan de onmetelijke kracht en dapperheid van de onna-bugeisha wel te vinden is in de legende van Heike Monogatari. Daarin wordt de vereerde krijger Tomoe Gozen als volgt omschreven: “Ze was een strijder die goud waard was, altijd klaar om te voet of te paard welke duivel of god dan ook aan te pakken.”