Advertentie
geestelijke gezondheid

Ondanks en dankzij mijn depressie, PTSS en andere geestelijke problemen word ik psychotherapeut

Na bijna veertien jaar therapie studeert Lyka (28) binnenkort af als hulpverlener. Maar werken in de psychiatrie is niet altijd makkelijk als je zelf nog kampt met depressies en PTSS.

door Janet Lie
07 mei 2018, 12:17pm

Foto via Ross Helen/Getty

Ik wilde vroeger actrice worden en de kleinkunstacademie doen, maar ik vond mezelf te onzeker en introvert om auditie te doen. Dit had ook veel te maken met mijn problematiek. Ik krijg al bijna de helft van mijn leven psychische hulp. Artsen stelden verschillende diagnoses vast: chronische depressie, post-traumatische stressstoornis, persoonlijkheidsstoornis in remissie en een eetstoornis. Ook had ik sociale faalangst, wat me vaak belemmerde in sociale situaties. Om het stigma rond psychische ziektes weg te halen, houd ik sinds 2016 de blog Uit Therapie bij.

Waarom ik toch in de psychiatrie wil gaan werken? Ik las een keer een artikel van de Amerikaanse psycholoog Marsha Linehan, die een speciale therapiemethode ontwikkelde. Zij heeft zelf een borderline persoonlijkheidsstoornis. Ze gaf mij hoop dat je kunt herstellen na ernstig ziek te zijn geweest. Dat je hier zelfs ver bovenuit kunt stijgen door uiteindelijk iets belangrijks en moois te creëren. Door Linehan droom ik nu van een carrière als psychotherapeut.

Uit het weinige onderzoek dat is gedaan naar geestelijke problemen van studenten die psychologie of psychiatrie als studierichting kiezen, blijkt wel dat zij zelf zeker niet immuun zijn voor aandoeningen als angststoornissen en depressies. Studenten in het Nederlandse hoger onderwijs ervaren sowieso vrij vaak geestelijke problemen onder andere door een toenemende prestatiedruk. Psychologen en psychiaters in opleiding kampen daar absoluut niet minder mee dan anderen. In een Amerikaans onderzoek onder psychologiestudenten met een afgeronde bachelor rapporteerde 87% van de ondervraagden angstklachten, 68% had symptomen van een depressie en 19 procent had zelfs zelfmoordgedachten. Het verband tussen geestelijke hulpverlening en eigen geestelijke problemen kan meerdere oorzaken hebben, waaronder ook de inhoud van de opleiding en het werk dat zij doen. Maar er zijn ook onderzoekers die stellen dat de studiekeuze vaak voortkomt uit interesse door persoonlijke ervaringen. Dat speelt zeker mee bij mij.

Inmiddels ben ik bijna klaar met mijn studie sociaalpedagogische hulpverlening aan de hogeschool, in de richting psychiatrie. Het is niet altijd makkelijk. Soms haalde ik stages of vakken niet vanwege mijn eigen psychische problemen. Uit schaamte hield ik mijn privéleven lang geheim op de studie.

Bij mij begonnen de problemen al vroeg. Toen ik zes was pleegde mijn dertien jaar oudere halfbroer zelfmoord. Tien jaar later overleed mijn moeder aan kanker. Voor beide gebeurtenissen voelde ik mij schuldig, zij het op een andere manier.

Mijn broer was voor 80 procent doof en had de avond voor zijn overlijden zijn muziek heel hard staan. Het was na mijn bedtijd en ik zag het als een kans om bij mijn ouders te klikken. Ik voelde dat ik altijd op mijn kop kreeg en hij niet. Jaren later kwam ik erachter dat mijn broer al langer depressief was en eerder voor de neus van mijn ouders een zelfmoordpoging had gedaan. Daarom durfden ze hem nooit streng te behandelen. Nadat ik naar mijn ouders ging, ontstond er ruzie tussen hen en mijn broer. Hij ging toen de deur uit en maakte een einde aan zijn leven. Ik voelde dat het mijn schuld was. Ik dacht, ‘als ik dit ooit aan iemand vertel, word ik naar de gevangenis gestuurd.’ In de klas werd ik erg stil en afgezonderd, en maakte ik veel tekeningen van de hemel en zijn graf. Op mijn veertiende moest ik voor het vak Nederlands leren over gebarentaal. Ik begon heel hard te huilen en niemand begreep waarom. Toen ging ik voor het eerst in therapie.

Mijn mentrix vond papieren in mijn tas met dingen die ik ging regelen voor mijn begrafenis.

Mijn moeder kreeg kanker in 2002. Tijdens haar ziekte vond ze dat ik onvoldoende tijd met haar doorbracht. Ze noemde me onverantwoordelijk en egoïstisch. Ik werd met mijn broer vergeleken, die “wel uit zichzelf het huishouden deed”. Later besefte ik dat ze dit zei omdat ze zich zorgen om me maakte. Ze wilde dat ik voor mezelf kon zorgen, als zij er niet meer was. Maar het kwam er op de verkeerde manier uit. Onze relatie was heel complex: ik voelde me tegelijk boos en schuldig tegenover haar.

In die jaren ging het een tijd zo slecht met me, dat ik een einde aan mijn leven wilde maken. Ik werd door mijn mentrix tegengehouden, die achter mijn plannen was gekomen. Ze vond papieren in mijn tas met dingen die ik ging regelen voor mijn begrafenis. Ik had al een plekje op het kerkhof uitgekozen. Mijn ouders wisten niet wat ze moesten doen en ik voelde me alleen maar meer schuldig. Ik ging op aanraden van mijn therapeut voor het eerst naar een gesloten jeugdopname. Sommigen van de jongeren daar konden heel agressief zijn en zaten daarom meestal in de separeerruimte. Soms kregen ze de kans om mee te doen met de rest van de groep, totdat ze weer met servies gingen gooien en fysiek in bedwang gehouden moesten worden. Na anderhalve week mocht ik weg, omdat ik alles deed wat van mij verwacht werd.

Ik ontwikkelde mijn post-traumatische stressstoornis (PTSS) toen mijn moeder in 2007 overleed. Ik kreeg herbelevingen van het ziekenhuis en hoe ik door de gangen naar haar kamer rende. Door heel veel therapie zijn de herbelevingen nu minder en kan ik er beter mee leven. Ik word nu alleen getriggerd als ik in een ziekenhuis ben, ziekenhuisbeelden op televisie zie, of als ik een ambulance zie.

Daarna werd ik nog twee keer opgenomen in andere klinieken: op mijn 19e en op mijn 22e. In de eerste kliniek werd ik anderhalf jaar opgenomen. Ik woonde er doordeweeks en kreeg vijf keer per week therapie met andere jongeren. Soms vergelijk het met een studentenhuis, omdat we afgezien van onze problemen ook gewone jongeren waren. We keken ‘s avonds met een zak chips samen naar So you think you can dance en als we vrije tijd hadden, gingen we stad in om te winkelen of op een terrasje te zitten. Maar toen ik wegging bij de kliniek, had ik niet het gevoel dat ik alles uit mijn behandeling kon halen. In mijn therapiegroep zetten heel veel jongeren zich af tegen de therapeuten, waardoor therapie vaak niet doorging. Ik voelde me onveilig en probeerde controle vast te houden door maaltijden over te slaan. Ik ontwikkelde in stilte een eetstoornis, waarvoor ik later werd behandeld in een andere kliniek.

Elk altruïsme heeft ook wel z’n egoïsme: mensen helpen geeft mij een goed gevoel.

In de klinieken merkte ik dat anderen helpen mij heel goed afging. Bovendien heeft elk altruïsme ook wel z’n egoïsme: mensen helpen geeft mij een goed gevoel. In mijn eerste jaar sociaalpedagogische hulpverlening vertelde ik niemand over mijn verleden. Het was fijn om een keer normaal te zijn. Maar mijn verleden werd een soort geheim. Ik maakte me zorgen dat mensen zouden ontdekken dat ik in klinieken heb gezeten. Als we leerden over depressiviteit en PTSS, dan was ik bang dat dat op mijn voorhoofd geschreven stond. Het eerste jaar was ook heel moeilijk, omdat mijn vader een herseninfarct kreeg. Tijdens zijn revalidatie was ik vaak alleen in mijn ouderlijk huis. Ik ondernam een zelfmoordpoging, die mislukte. Het was zover gekomen, omdat het antidepressivum dat ik slikte slecht aansloeg. Van veel antidepressiva is bekend dat tijdens de inwerkperiode suïcidale gedachten erger worden. Artsen en psychiaters benoemen dit altijd en houden er rekening mee. Dit is natuurlijk voor iedereen anders, maar bij mij verdwenen mijn eigen grenzen. Ik ben nog steeds voorstander van antidepressiva als aanvulling bij therapie, maar zelf slik ik geen medicatie meer.

Ik heb sinds vier jaar een vaste vriend, met wie ik nu samenwoon. Als ik erg somber ben, voelt hij zich vaak machteloos. Hij vindt het ook erg jammer als ik ergens niet mee naar toe kan omdat ik me zo slecht voel. Hij werkt zelf ook in de psychiatrie, maar gelukkig behandelt hij mij niet als hulpverlener; hij ziet me echt als zijn vriendin. Als hij zich te veel met me zou bemoeien, zou het niet werken tussen ons. Ik ben immers ook hulpverlener en zeker geen patiënt.

Hoe ik mijn eigen verhaal ga inzetten als hulpverlener, weet ik nog niet. Dat proces heet zelfonthulling. Je kunt als behandelaar niet zomaar je verhaal op tafel leggen: de cliënt moet er echt iets aan hebben. Omdat ik nog aan het begin van mijn carrière sta, denk ik dat zelfonthulling niet handig is voor mij, vanwege het bestaande stigma in de GGZ en de maatschappij. Ik zal in een later stadium beslissen of ik aan zelfonthulling wil doen.

Mijn verleden kan me ook helpen bij mijn werk: tijdens mijn stage in de jeugdpsychiatrie zou een meisje behandeld worden door middel van Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR), voor mensen met PTSS. Toen kon ik haar steunen, omdat ik zelf ook EMDR had gehad. Ik had op mijn stage een antenne voor kinderen die stil en teruggetrokken waren. Zij worden vaak over het hoofd gezien omdat ze weinig aandacht vragen, precies als bij mij het geval was, toen mijn problemen begonnen.

En ja, soms word ik wel een beetje gek van de hele tijd bezig zijn met de psychiatrie, omdat ik er op mijn studie en in mijn privé-leven zoveel mee bezig ben. Omdat mijn vriend en ik allebei hulpverleners zijn, willen we thuis soms helemaal niet over psychiatrie praten. Ik hou gelukkig heel veel van zingen; dat is en blijft voor mij een uitlaatklep.

Hoewel ik het bestudeer, geef ik toch soms toe aan zelfstigma: ik ben er dan van overtuigd dat ik geen hulpverlener kan worden omdat ik nog steeds psychische klachten ervaar. Als ik zelf te veel last heb van depressie, kan ik natuurlijk minder goed anderen helpen. Daarom heb nog steeds wekelijks therapie. Ik wil niet dat cliënten last hebben van mijn eigen nog bestaande kwetsbaarheden. Ook als dat betekent dat ik na mijn afstuderen voorlopig nog niet aan de slag kan gaan als hulpverlener. Ik ga waarschijnlijk een tussenjaar nemen en focussen op mijn eigen herstel. Ik wil eerst een traumaverwerkingsbehandeling volgen, waar ik tijdens mijn studie nooit de tijd voor had. Dat kan heel heftig zijn, omdat je aan het begin meer herinneringen en triggers gaat herbeleven. Ik probeerde dit twee jaar terug, maar kon niet over straat lopen zonder in paniek te raken als ik een ambulance voorbij zag komen.

Mensen vragen weleens of ik helemaal kan genezen. Maar in de psychiatrie wordt gesproken van 'herstellen' in plaats van genezen. ‘Hersteld zijn’ betekent in de psychiatrie dat je klachten geen belemmering meer vormen in je dagelijks leven. Je hebt ermee leren omgaan. Ik denk zeker dat ik zal herstellen, maar hoe lang dat duurt weet ik niet. Ik hoop dat anderen herkenning kunnen vinden in mijn verhaal. Voor je psychische ziekte moet je net zo min schamen als voor een gebroken been.

-

Lees meer over Lyka op haar blog Uit Therapie.

Als jij of iemand uit je omgeving worstelt met een depressie, angst of andere psychische problemen, neem contact op met MIND Korrelatie voor informatie of om te chatten of te appen met een medewerker.

Denk jij aan zelfdoding? Of ken jij iemand die aan zelfdoding denkt? Neem contact op met 113 Online of bel 0900-0113.